ECLI:NL:RBZWB:2026:6077

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/5541 V
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 1:408 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen onbevoegdverklaring rechtbank inzake inning partneralimentatie door LBIO

Opposante heeft bezwaar gemaakt tegen een brief van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) waarin werd medegedeeld dat de achterstand in partneralimentatie niet kan worden gevorderd bij haar voormalig echtgenoot. Verweerder stelde dat er geen sprake was van een bestuursrechtelijk besluit en dat bezwaar niet mogelijk was. Opposante stelde dat het wel een besluit betrof en dat de rechtbank bevoegd was om hierover te oordelen.

De rechtbank heeft in een eerdere uitspraak geoordeeld dat zij kennelijk onbevoegd is omdat geschillen over de toepassing van artikel 1:408 BW Pro uitsluitend aan de burgerlijke rechter kunnen worden voorgelegd. In het verzet is beoordeeld of deze onbevoegdverklaring terecht was. De rechtbank oordeelt dat het handelen van het LBIO privaatrechtelijk is, ook omdat de invordering van partneralimentatie via het LBIO of via een gerechtsdeurwaarder kan verlopen.

De rechtbank concludeert dat er geen bestuursrechtelijk besluit is en dat zij terecht onbevoegd is verklaard. Het verzet wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand. Proceskosten worden niet toegewezen omdat er geen sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het verzet ongegrond en bevestigt haar onbevoegdheid om te oordelen over het niet-inningbesluit van het LBIO.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5541 V

uitspraak van 7 juli 2026 van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposante] , te [plaats] , opposante,

(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),
en

de directeur van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, verweerder.

Procesverloop

1. In een brief van 4 september 2025 van verweerder aan opposante staat, onder meer, (met verwijzing naar een beschikking van het Gerechtshof) dat verweerder op dit moment de achterstand niet kan vorderen bij haar voormalig echtgenoot.
1.1.
Opposante heeft de brief van 4 september 2025 opgevat als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en heeft daar bezwaar tegen gemaakt.
1.2.
Bij brief van 17 september 2025 heeft verweerder, onder meer, aan opposante medegedeeld dat er geen sprake is van een besluit waartegen bezwaar gemaakt kan worden.
1.3.
Opposante heeft de brief van 17 september 2025 opgevat als besluit op bezwaar en hiertegen beroep ingesteld bij de bestuursrechter.
1.4.
Bij uitspraak van 13 maart 2026 heeft de rechtbank zich kennelijk onbevoegd verklaard om van dat beroep kennis te nemen.
1.5.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
1.6.
Het verzet is ter zitting behandeld in Breda op 1 juli 2026. Opposante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Zelf is zij niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon] .

Inleiding

2. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Awb biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft zich kennelijk onbevoegd verklaard. De reden hiervoor is dat geschillen en vorderingen omtrent de toepassing van artikel 1:408 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) uitsluitend kunnen worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter. Daarbij is overwogen dat er geen sprake is van een besluit in de zin van de Awb.
2.1.
In deze verzetzaak dient uitsluitend te worden beoordeeld of de rechtbank in de uitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat zij onbevoegd is. Aan de inhoud van de beroepsgronden kan de rechtbank in deze zaak alleen toekomen als het verzet gegrond is.

Beoordeling van het verzet door de rechtbank

3. Opposante geeft in het verzetschrift aan dat de overweging van de rechtbank om zich onbevoegd te verklaren ineffectief is. Opposante legt hierbij uit dat de rechtbank niet inzichtelijk maakt waaruit de verwevenheid met het alimentatie- en executierecht bestaat waardoor de beslissing van verweerder om niet tot inning van de vordering over te gaan, als privaatrechtelijk handelen moet worden aangemerkt. Tevens stelt opposante dat er sprake is van een bestuursrechtelijk besluit en dat een dergelijk besluit rechtsgevolg kan hebben met betrekking tot privaat- en executierecht. Ook mondeling wordt aangevoerd dat er sprake is van een besluit omdat verweerder een zelfstandig bestuursorgaan is en verweerder per brief aangeeft niet over te gaan op invordering. Opposante geeft verder in het verzetschrift aan dat de rechtbank niet inzichtelijk maakt waarom een belanghebbende verweerder zou moeten dagvaarden om haar bestuursrechtelijke verplichting na te komen.
3.1.
De rechtbank stelt voorop dat de vordering die opposante op haar voormalig echtgenoot heeft, gaat om partneralimentatie. Weliswaar heeft de rechtbank in haar uitspraak van 13 maart 2026 overwogen dat verweerder volgens artikel 1:408 van Pro het BW op verzoek van een ouder de invordering van kinderalimentatie op zich kan nemen, maar voor de beoordeling maakt dat geen verschil, omdat dit wetsartikel middels het dertiende lid daarvan ook van toepassing is verklaard op partneralimentatie.
Voorts overweegt de rechtbank dat het verzet niet slaagt. Er is geen sprake van een beslissing in de zin van de Awb of een bestuursrechtelijke verplichting. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
3.2.
Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Van dit laatste is geen sprake.
Wanneer een bestuursorgaan een bevoegdheid hanteert die krachtens het burgerlijk recht ook door niet-bestuursorganen kan worden gebruikt, gaat het om handelingen met een privaatrechtelijk karakter. In plaats van inning door het LBIO te laten plaatsvinden heeft de verzoeker ook de keuze om de inning van de onderhoudsgelden via de gerechtsdeurwaarder te laten lopen. Dit wordt benoemd in de Memorie van Toelichting bij de wet van 2 juli 2009 [1] , waarbij de invorderingsbevoegdheid van verweerder is uitgebreid met partneralimentatie. Ook het eventueel niet tot inning van alimentatie overgaan – waarbij de rechtbank ten overvloede opmerkt dat verweerder op 4 september 2025 ook schrijft dat de voormalig echtgenoot de lopende maandelijkse bijdrage wel dient te betalen en dat zij hem daarover heeft geïnformeerd – heeft aldus een privaatrechtelijk karakter. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat zij kennelijk onbevoegd is, nu het niet gaat om een bestuursrechtelijk geschil.

Conclusie en gevolgen

4. In wat opposante heeft aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 13 maart 2026. Het verzet is ongegrond. Dit betekent dat de uitspraak in stand blijft.
4.1.
Verweerder heeft verzocht om opposante te veroordelen in de proceskosten. De door verweerder genoemde kosten, te weten de gemaakte kosten om te verschijnen op de verzetzitting, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Gelet op het bepaalde in artikel 8:75, eerste lid, derde volzin, van de Awb kan een natuurlijk persoon alleen in de proceskosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Daarvan is in dit geval geen sprake. Voor een proceskostenveroordeling bestaat dus geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 7 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.TK 2007-2008, 31575, nr.3, pagina’s. 3-4 en 8.