ECLI:NL:RBZWB:2026:6077
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen onbevoegdverklaring rechtbank inzake inning partneralimentatie door LBIO
Opposante heeft bezwaar gemaakt tegen een brief van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) waarin werd medegedeeld dat de achterstand in partneralimentatie niet kan worden gevorderd bij haar voormalig echtgenoot. Verweerder stelde dat er geen sprake was van een bestuursrechtelijk besluit en dat bezwaar niet mogelijk was. Opposante stelde dat het wel een besluit betrof en dat de rechtbank bevoegd was om hierover te oordelen.
De rechtbank heeft in een eerdere uitspraak geoordeeld dat zij kennelijk onbevoegd is omdat geschillen over de toepassing van artikel 1:408 BW Pro uitsluitend aan de burgerlijke rechter kunnen worden voorgelegd. In het verzet is beoordeeld of deze onbevoegdverklaring terecht was. De rechtbank oordeelt dat het handelen van het LBIO privaatrechtelijk is, ook omdat de invordering van partneralimentatie via het LBIO of via een gerechtsdeurwaarder kan verlopen.
De rechtbank concludeert dat er geen bestuursrechtelijk besluit is en dat zij terecht onbevoegd is verklaard. Het verzet wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand. Proceskosten worden niet toegewezen omdat er geen sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het verzet ongegrond en bevestigt haar onbevoegdheid om te oordelen over het niet-inningbesluit van het LBIO.