ECLI:NL:RBZWB:2026:607

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
25/1952
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 3:41 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond verklaard tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaarschrift op grond van Woo

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om haar bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Het bezwaar betrof een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) om informatie over de beroepen gezondheidszorgpsycholoog en psychotherapeut.

De minister had op 16 oktober 2024 meegedeeld dat de gevraagde informatie grotendeels openbaar zou worden gemaakt en op 6 november 2024 de documenten verstrekt. Eiseres maakte op 29 november 2024 bezwaar, wat volgens de minister te laat was. De rechtbank oordeelt echter dat de besluitvorming pas op 6 november 2024 is voltooid, omdat toen duidelijk werd welke informatie was weggelakt en afwijzingsgronden werden toegevoegd.

Hierdoor begon de bezwaartermijn op 7 november 2024 te lopen en was het bezwaar van 29 november 2024 tijdig. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, verklaart het beroep gegrond en draagt de minister op binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1952 WOO

uitspraak van 3 februari 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] B.V., gevestigd in [plaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. K.J. Breedijk,
en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (de minister), verweerder.

Inleiding

1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 februari 2025 (bestreden besluit) inzake de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaren.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Eiseres werd vertegenwoordigd door haar gemachtigde. De minister is – met voorafgaand bericht – niet verschenen.

Overwegingen

Relevante feiten en omstandigheden
2. Op 14 december 2023 heeft eiseres met een beroep op de Wet open overheid (Woo) verzocht om informatie over de beroepen gezondheidszorgpsycholoog en psychotherapeut. De minister heeft eiseres op 16 oktober 2024 meegedeeld dat hij de door eiseres gevraagde informatie grotendeels openbaar zal maken. De minister heeft eiseres met een brief van 6 november 2024 geïnformeerd dat hij overgaat tot verstrekking van de documenten. Op 29 november 2024 heeft eiseres met een e-mail bezwaar gemaakt. De minister heeft de ontvangst van dit bezwaarschrift bevestigd middels een brief van 29 november 2024.
2.1.
De minister heeft eiseres in een brief van 5 december 2024 gevraagd waarom zij te laat bezwaar heeft gemaakt.. Per e-mail van 13 december 2024 heeft eiseres hierop gereageerd. De behandelaar van het bezwaarschrift heeft op 23 december 2024 zowel per e-mail als telefonisch contact met eiseres gehad. De minister is vervolgens overgegaan tot het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaarschrift van eiseres.
Standpunt van de minister
3. De minister stelt zich op het standpunt dat het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk is verklaard, omdat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrij-ding. Het bezwaarschrift van 29 november 2024 is na afloop van de bezwaartermijn ingediend. De gemachtigde van eiseres is een professionele rechtshulpverlener, van wie mag worden verwacht dat hij de bezwaartermijn bewaakt. Zijn handelen komt voor rekening en risico van eiseres, nu geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld of gebleken die de termijnoverschrijding kunnen rechtvaardigen. Dat de gemachtigde pas bij de verstrekking van de documenten op 6 november 2024 inzage heeft gekregen in de inhoud daarvan, vormt volgens de minister geen bijzondere omstandigheid.
Het standpunt van eiseres
4. Eiseres stelt dat haar bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Pas bij de verstrekking van de documenten op 6 november 2024 werd duidelijk welke informatie concreet was weggelakt en dus werd geweigerd. Eiseres kon vóór die datum de omvang van de beperking van de openbaarheid niet kennen en haar bezwaren daarom niet eerder formuleren. De verstrekking op 6 november 2024 moet worden aangemerkt als (de voltooiing van) het besluit, omdat de minister afwijzingsgronden heeft toegevoegd bij de verstrekking van de documenten, en bovendien toen pas duidelijk werd hoe het besluit was uitgevoerd en welke informatie daadwerkelijk werd onthouden.
Relevante wet- en regelgeving
5. Op grond van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift vangt, ingevolge artikel 6:8 van Pro de Awb, aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Ingevolge artikel 3:41 van Pro de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbende zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.
Beoordeling door de rechtbank
6. Naar aanleiding van een verzoek van eiseres op grond van de Woo heeft de minister eiseres op 16 oktober 2024 meegedeeld dat hij de door haar gevraagde informatie grotendeels openbaar zal maken. Naar het oordeel van de rechtbank is de besluitvorming op het verzoek van eiseres eerst voltooid op 6 november 2024. Pas toen werd namelijk duidelijk welke informatie concreet was weggelakt en dus werd geweigerd. Vóór deze datum kon eiseres de omvang van de beperking van de openbaarheid niet kennen en haar bezwaren daarom ook niet eerder formuleren. De rechtbank acht hierbij verder van belang dat ook pas toen -zoals door eiseres onweersproken is gesteld- in bepaalde gevallen (waaronder de documenten met ID-nummers [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] ) afwijzings-gronden zijn toegevoegd. Uitgaande van voltooiing van de besluitvorming op 6 november 2024 is de termijn om bezwaar te maken eerst aangevangen op 7 november 2024. Omdat eiseres met een e-mail op 29 november 2024 bezwaar heeft gemaakt, is dit bezwaar tijdig ingediend.
Conclusie en gevolgen
7. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het bezwaar van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Het beroep wordt gegrond verklaard. De rechtbank zal bepalen dat de minister binnen een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog inhoudelijk moet beslissen op de bezwaren van eiseres.
8. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt zij een vergoeding voor haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
-verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het bestreden besluit;
-draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
-draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 385,- aan eiseres te vergoeden;
-veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier op 3 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.