ECLI:NL:RBZWB:2026:6057

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
11929004 CV EXPL 25-5321
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Speekenbrink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 195 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens consignatieverkoop tweedehandsauto

Eiser kocht op 11 augustus 2024 een tweedehands Peugeot via een koopovereenkomst waarbij zij haar eigen auto inruilde en een bedrag bijbetaalde. De auto stond te koop via een consignatieverkoop, waarbij het autobedrijf [bedrijf 2] als bemiddelaar optrad namens de eigenaar [personen]. Eiser was zich niet bewust van de betekenis van consignatieverkoop en betaalde rechtstreeks aan de eigenaar.

Eiser stelde dat de auto non-conform was en vorderde ontbinding van de koopovereenkomst, terugbetaling van de koopsom, herstel van gebreken en diverse vergoedingen van [bedrijf 1], het bedrijf dat zij dacht als verkoper te hebben. [Bedrijf 1] voerde verweer en stelde dat zij niet de contractspartij was en dat de vorderingen daarom moesten worden afgewezen.

De rechtbank oordeelde dat sprake was van een consignatieverkoop waarbij [bedrijf 2] slechts als bemiddelaar optrad en [personen] de contractuele wederpartij was. De stelling van eiser dat zij niet wist wat consignatieverkoop inhield, was onvoldoende om haar vordering tegen [bedrijf 1] te rechtvaardigen. De vorderingen werden daarom afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vorderingen van eiser worden afgewezen omdat de koop een consignatieverkoop betrof en eiser de verkeerde partij heeft gedagvaard.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11929004 \ CV EXPL 25-5321
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. S. Yadegari,
tegen
[gedaagde] , H.O.D.N. [bedrijf 1],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [bedrijf 1] ,
gemachtigde: mr. A.J.C.L. Pals-Rubbens.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de akte overlegging producties met productie 14 van [eiser]
- de mondelinge behandeling van 8 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en de bij die gelegenheid overgelegde spreekaantekeningen van [eiser] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 11 augustus 2024 heeft [eiser] een tweedehands auto van het merk Peugeot met [kenteken 1] gekocht voor een bedrag van € 16.950,00 (hierna: de koopovereenkomst). [eiser] heeft de koopprijs voor de auto voldaan door inruil van haar eigen auto, een auto van het merk Lancia met [kenteken 2] , en bijbetaling van
€ 11.950,00.
2.2.
Op de verkoopadvertentie van [bedrijf 2] stond – voor zover van belang – vermeld: “(…) Deze auto staat bij ons in consignatie inruil niet mogelijk! (…)”
2.3.
Op de offerte van 11 augustus 2024 van [bedrijf 2] staat onder het kopje omschrijving vermeld: “Voertuig in consignatie verkoop zoals gezien bereden en akkoord bevonden.”
2.4.
[eiser] heeft op 13 augustus 2024 het bedrag van € 11.950,00 overgemaakt op de bankrekening van [personen] (hierna: [personen] ).
2.5.
Op 1 december 2024 heeft [bedrijf 2] de Lancia met [kenteken 2]
gekocht van [personen] .

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat –:
primair:
I. een verklaring voor recht dat de koopovereenkomst op 1 augustus 2025
buitengerechtelijk is ontbonden en [bedrijf 1] te veroordelen de volledige koopsom van € 16.950 of een evenredig deel daarvan aan [eiser] terug te betalen;
subsidiair:
II. ontbinding van de koopovereenkomst op grond van non-conformiteit dan wel vernietiging op grond van dwaling en [bedrijf 1] te veroordelen tot betaling van de volledige koopsom van € 16.950 althans een evenredig deel daarvan aan [eiser]
meer subsidiair:
III. [bedrijf 1] te veroordelen om de auto op te (laten) halen en de gebreken kosteloos te herstellen;
primair en subsidiair:
IV. [bedrijf 1] te veroordelen tot vergoeding van € 599,- uit hoofde van de transportkosten voor het heenbrengen van de auto door [eiser] indien [bedrijf 1] na deugdelijke aanmaning ter nakoming van het vonnis, deze niet binnen twee weken heeft opgehaald;
primair, subsidiair en meer subsidiair:
V. [bedrijf 1] te veroordelen tot betaling van € 16.950, te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 1.142,85 en de wettelijke (handels)rente vanaf de datum van verzuim, althans de datum van ontbinding dan wel in ieder geval de datum van de dagvaarding;
VI. [bedrijf 1] te veroordelen tot betaling van € 3.093,67, bestaande uit onder meer onderzoekskosten, te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 525,58 en de wettelijke (handels)rente vanaf datum van verzuim, althans de datum van ontbinding dan wel de datum van de dagvaarding;
VII. [bedrijf 1] te veroordelen tot betaling van de verschuldigde motorrijtuigenbelasting en verzekeringspremies van € 82,33, resp. € 37,07 per maand, tot op heden begroot op € 1.791,00 + P.M., het totaalbedrag te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke (handels)rente vanaf de datum van verzuim, althans de datum van ontbinding dan wel de datum van de dagvaarding;
VIII. [bedrijf 1] te veroordelen de Auto onmiddellijk te vrijwaren, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per (onvoltooide deel van een) dag dat [bedrijf 1] geen deugdelijk vrijwaringsbewijs verschaft aan [eiser] en daarmee haar bevrijdt van haar kentekenhoudersverplichtingen (MRB en WA), een en ander tot een maximum van € 20.000,00,
met veroordeling van [bedrijf 1] in de proceskosten en nakosten.
3.2.
Ter onderbouwing van haar vordering stelt [eiser] dat de door haar gekochte auto non-conform is. Al vanaf 27 september 2024 zijn de eerste gebreken aan de auto aan het licht gekomen, waaronder een hoog olieverbruik. [eiser] heeft diverse kosten moeten maken om de gebreken te laten herstellen. [eiser] begreep niet wat “in consignatie” betekende. Zij dacht dat zij de auto rechtstreeks van [bedrijf 1] kocht die voorheen van [personen] was. Ook heeft het autobedrijf aangeboden dat [eiser] bij problemen aan de auto langs mocht komen. [eiser] heeft ervoor gekozen om niet [bedrijf 2] ook te dagvaarden. Op de offerte staat namelijk het KvK-nummer van [bedrijf 1] genoemd. [bedrijf 1] en [bedrijf 2] drijven hun bedrijf gezamenlijk vanaf hetzelfde adres en hanteren door elkaar lopende KvK-nummers, handelsnamen en briefpapier. [eiser] heeft ervoor gekozen om het bedrijf waarvan het KvK-nummer op de offerte staat vermeld, dus [bedrijf 1] , te dagvaarden. Vanwege de hoge kosten heeft zij er bewust voor gekozen om niet zowel [bedrijf 1] als [bedrijf 2] te dagvaarden.
3.3.
[bedrijf 1] voert verweer. [bedrijf 1] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[bedrijf 1] voert aan dat zij ten onrechte is gedagvaard. Zij is geen contractuele partij. De auto is niet door [bedrijf 1] , maar door [bedrijf 2] , in consignatie verkocht. [personen] is de eigenaar. Daarom dient de vordering van [eiser] te worden afgewezen.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[eiser] heeft haar verzoek ingevolge artikel 195 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet langer gehandhaafd, zodat dit geen bespreking meer behoeft.
4.2.
Voordat aan een inhoudelijke beoordeling van de (buitengerechtelijke) ontbinding van de koopovereenkomst en de vorderingen die daarmee samenhangen wordt toegekomen, moet eerst worden beoordeeld of [eiser] de juiste partij heeft gedagvaard. [bedrijf 1] heeft dat betwist. [bedrijf 1] stelt dat de auto in consignatie door [bedrijf 2] aan [eiser] is verkocht, zodat niet hij, maar [personen] als contractuele wederpartij van [eiser] is te beschouwen.
4.3.
Ter zitting heeft [eiser] aangevoerd dat zij niet beter wist dan dat zij de auto van [bedrijf 1] kocht. [bedrijf 2] en [bedrijf 1] zijn beiden op hetzelfde terrein gevestigd. Het zijn vader en zoon. Hoewel [eiser] wel erkent dat er op de verkoopadvertentie de vermelding “in consignatie” stond, stelt zij dat zij niet wist wat dit betekende. [eiser] heeft ter zitting eveneens erkend dat [gedaagde] bij de verkoop heeft gezegd dat hij geen korting kon geven omdat de auto in consignatie werd verkocht. Ook erkent zij dat zij de betaling rechtstreeks aan [personen] heeft gedaan. [eiser] heeft echter niet de volledige gegevens van [personen] gekregen, wat wel gebeurt bij consignatieverkoop.
4.4.
Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is vast komen te staan dat tussen partijen sprake is van een consignatieverkoop. Er is meerdere keren benadrukt dat sprake was van consignatieverkoop. Het standpunt van [eiser] dat voor haar niet duidelijk was wat dit betekende doet daar niets af. Indien [eiser] dat niet begreep, lag het op haar weg om dat te onderzoeken. Dat [eiser] niet de volledige gegevens van de werkelijke verkoper [personen] heeft gekregen, wordt als onvoldoende gemotiveerd verworpen. [eiser] had deze gegevens eenvoudig kunnen opvragen. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit de tekst van de door [eiser] overgelegde offerte alsmede de verkoopadvertentie duidelijk dat sprake was van een consignatieverkoop in opdracht van verkoper [personen] , aan wie ook de betaling is gedaan en dat [bedrijf 2] als bemiddelaar optrad. [eiser] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit afgeleid zou kunnen worden dat zij er, ondanks de tekst van de advertentie en de koopovereenkomst, vanuit mocht gaan dat [bedrijf 2] niet slechts als bemiddelaar, maar ook als verkoper optrad. Dat [bedrijf 2] heeft aangegeven dat zij bij eventuele problemen aan de auto bij hem langs mocht komen maakt niet dat [bedrijf 2] als contractspartij heeft te gelden.
4.5.
Op grond van het vorenstaande staat vast dat sprake is van een koopovereenkomst tussen [eiser] en [personen] en dat [bedrijf 2] als bemiddelaar heeft gefungeerd. De vorderingen van [eiser] zullen daarom worden afgewezen.
4.6.
De overige door partijen aangevoerde inhoudelijke stellingen en verweren ten aanzien van de gebreken aan de auto behoeven geen bespreking meer.
4.7.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [bedrijf 1] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.008,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.008,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Speekenbrink en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.