ECLI:NL:RBZWB:2026:6024

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
C/02/447919 / JE RK 26-791
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing bij grootouders

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij zijn grootouders. De minderjarige is geboren uit een relatie tussen de vader en moeder, waarbij de moeder het gezag heeft. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn eerder verleend en verlengd.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, waren de vader, de grootmoeder moederszijde, de advocaat van de moeder en vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling aanwezig. De moeder en grootvader vaderszijde waren opgeroepen maar verschenen niet. De moeder erkent haar problematiek en is gemotiveerd voor beschermd wonen.

De kinderrechter constateert dat de zorgen over de ontwikkeling van de minderjarige niet zijn weggenomen. De moeder heeft terugkerende problemen met middelengebruik en een onduidelijke relatiedynamiek met haar partner. De grootouders bieden een stabiele opvoedomgeving. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling voor een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing tot 31 juli 2026, waarbij de minderjarige bij de grootouders blijft. De beslissing is direct uitvoerbaar en hoger beroep is mogelijk.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling voor een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing tot 31 juli 2026 bij de grootouders.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/447919 / JE RK 26-791
Datum uitspraak: 5 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Amsterdam,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2020 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. C.E.J.E. Kouijzer uit Middelburg,
[de grootmoeder mz] ,
hierna te noemen: de grootmoeder moederszijde (mz),
wonende te [woonplaats 1] ,
[de grootvader vaderszijde (vz],
hierna te noemen: de grootvader vaderszijde (vz),
wonende te [woonplaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
  • de advocaat van de moeder;
  • de grootmoeder mz;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
1.3.
Hoewel behoorlijk opgeroepen, zijn niet verschenen:
  • de moeder;
  • de grootvader vz.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad. [minderjarige] is tijdens deze relatie geboren.
2.2.
De moeder is van rechtswege alleen met het gezag over [minderjarige] belast.
2.3.
Bij beschikking van 31 juli 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 31 juli 2024 en tot 31 juli 2025. Deze maatregel is bij beschikking van 16 juni 2025 verlengd tot 31 juli 2026.
2.4.
Bij beschikking van 16 juni 2025 is tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten de grootouders mz en de grootouders vz, verleend met ingang van 16 juni 2025 en tot 16 februari 2026. Deze machtiging is bij beschikking van 26 januari 2026 verlengd tot 16 juni 2026.
2.5.
[minderjarige] verblijft op grond van voormelde machtiging doordeweeks bij de
grootouders mz en in de weekenden bij de grootouders vz.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft de verzoeken. Er wordt gezien dat de moeder veel van [minderjarige] houdt, maar het lukt haar niet altijd om de juiste keuzes te maken in het belang van [minderjarige] . Het is belangrijk dat de moeder terug in haar eigen kracht komt en niet meer afhankelijk is van middelen of van haar partner. In de komende periode wil de GI duidelijkheid verkrijgen over het perspectief van [minderjarige] , zicht krijgen op de relatiedynamiek tussen de moeder en haar partner, ouderschapsbemiddeling inzetten en de zorgregeling monitoren en indien mogelijk mogelijk uitbreiden.
4.2.
Namens de moeder is ingestemd met de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing tot 31 juli 2026. De moeder doet erg haar best om [minderjarige] op de eerste plaats te zetten en vooruit te gaan, maar zij verkeert in een moeilijke situatie. Doordat de spanningen zijn opgelopen heeft de moeder voorafgaand aan de zitting een terugval gehad in middelengebruik. De moeder ziet in dat het patroon moet worden doorbroken en zij heeft binnenkort een gesprek bij [stichting] voor beschermd wonen. Zij is hiervoor gemotiveerd, maar vindt dit ook erg lastig.
4.3.
De grootmoeder mz is het eens met de verzoeken. Zij verklaart dat het goed gaat met [minderjarige] . Ook in de komende periode kan [minderjarige] bij de grootouders mz verblijven.
4.4.
De vader stemt in met de verzoeken. Hij vindt het fijn dat [minderjarige] bij de grootouders vz en grootouders mz verblijft en verklaart dat het onderlinge contact goed verloopt. De vader ziet [minderjarige] in de weekenden bij de grootouders vz en op maandagmiddag. Dit verloopt goed en sinds 1 juni 2026 verloopt deze omgang onbegeleid.

5.De beoordeling

Het wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.2.
Op grond van artikel 1:260 BW Pro kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.4.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
De inhoudelijke beoordeling
5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] nog niet zijn weggenomen. Hoewel uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting volgt dat de moeder veel van [minderjarige] houdt en haar best doet om het goed te doen voor [minderjarige] , is ook gebleken dat het de moeder niet altijd lukt om de juiste keuzes te maken in het belang van [minderjarige] . Er lijkt sprake te zijn van een terugkerend patroon waarin de moeder stappen wil zetten, maar het haar niet lukt om deze vast te houden. Er is bij de moeder sprake van middelenproblematiek en hoewel zij hiervoor in het afgelopen jaar in behandeling is gegaan, is ook gebleken is dat zij in april 2026 en voorafgaand aan de zitting een terugval heeft gehad. Daarnaast zijn er nog steeds zorgen over de relatie tussen de moeder en haar partner, waarbij de relatiedynamiek vooralsnog onduidelijk is maar gezien wordt dat de moeder beïnvloedbaar is en moeite heeft om haar eigen belangen en die van [minderjarige] tegenover haar partner te bewaken.
5.6.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de hierboven genoemde wettelijke vereisten voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . De kinderrechter vindt het gezien de huidige zorgen belangrijk dat de jeugdbeschermer regie blijft voeren in het belang van [minderjarige] en zicht houdt op hoe het met de moeder gaat. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling daarom verlengen voor de verzochte duur van een jaar, te weten tot 31 juli 2027. Daarnaast vindt de kinderrechter het belangrijk dat [minderjarige] ook in de komende periode bij zijn grootouders zal verblijven. Hierbij neemt de kinderrechter ook in overweging dat het goed gaat met [minderjarige] bij zijn grootouders, dat de grootouders aansluiten bij de behoeften van [minderjarige] en hem de opvoedomgeving bieden die hij nodig heeft. Omdat de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing niet kan verlengen voor een langere duur dan de reeds lopende ondertoezichtstelling, zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengen tot 31 juli 2026. Deze machtiging tot uithuisplaatsing zal, net als de nog lopende machtiging, worden beperkt tot een netwerkpleeggezin, te weten de grootouders mz en de grootouders vz.
5.7.
De kinderrechter verwacht dat de GI stevig regie blijft voeren en de belangen van [minderjarige] blijft bewaken. Omdat wordt gezien dat [minderjarige] behoefte heeft aan duidelijkheid over waar hij gaat opgroeien, is het van belang dat er middels het perspectiefonderzoek duidelijkheid wordt verkregen over het perspectief van [minderjarige] . Daarnaast vindt de kinderrechter het belangrijk dat de relatiedynamiek tussen de moeder en haar partner wordt onderzocht. Tevens dient er in de komende periode ouderschapsbemiddeling te worden ingezet zodat de moeder en de vader duidelijke en concrete afspraken kunnen maken, die zij vervolgens kunnen vastleggen in een ouderschapsplan. Tot slot moet de zorgregeling goed worden gemonitord door de GI en waar mogelijk worden uitgebreid, waarbij de veiligheid van [minderjarige] gewaarborgd dient te zijn.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 31 juli 2026 en tot 31 juli 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin met ingang van 16 juni 2026 en tot 31 juli 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 11 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.