ECLI:NL:RBZWB:2026:6003

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
5 juli 2026
Zaaknummer
C/02/448063 / JE RK 26-809
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 lid 2 BWArt. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen met een jaar

De kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 4 juni 2026 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2021 en 2022, voor de duur van een jaar. De kinderen wonen bij hun vader en zijn sinds juni 2025 onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant.

De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling, welke door beide ouders schriftelijk werd ondersteund. De moeder kampt met alcoholverslaving en geestelijke gezondheidsproblemen, wat de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen bedreigt. Er zijn signalen van spanning en overprikkeling bij de kinderen, en niet alle doelen van de hulpverlening zijn behaald.

De kinderrechter overweegt dat de voorwaarden voor verlenging zijn vervuld, mede gezien de problematiek bij de moeder, de zorgen over de draagkracht van de vader en het belang van voortdurende monitoring en hulpverlening. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de twee minderjarige kinderen wordt verlengd met een jaar en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448063 / JE RK 26-809
Datum uitspraak: 4 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.M. van der Marel te Eindhoven,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. R.C. Vermeer.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 8 mei 2026;
  • het stelbericht van mr. Van der Marel van 21 mei 2026;
  • het bericht van de GI van 26 mei 2026 inhoudende het verzoek de zaak schriftelijk af te doen;
  • het bericht van de moeder van 22 mei 2026;
  • het bericht van de vader van 22 mei 2026.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun vader.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 12 juni 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van belanghebbenden

4.1.
De moeder is schriftelijk akkoord gegaan met het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar te verlengen.
4.2.
De vader is schriftelijk akkoord gegaan met het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar te verlengen.

5.De beoordeling

5.1.
Uit voormelde berichten van de ouders volgt dat zij het eens zijn met het verzoek en dat de zaak schriftelijk kan worden afgedaan. Dit betekent dat de kinderrechter de zaak op grond van de stukken zal afdoen.
Wettelijk kader
5.2.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.3.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
5.4.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken overweegt de kinderrechter dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor de verlenging van de ondertoezichtstelling. Hoewel er de afgelopen periode stappen in de goede richting zijn gezet, zo is er om de week een begeleid videobelmoment tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zijn niet alle doelen behaald en bestaan er nog steeds zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Beide kinderen hebben een taalachterstand en laten signalen zien van spanning en overprikkeling. [minderjarige 1] is gestart met speltherapie. Bij de eerste evaluatie hiervan was de moeder niet aanwezig. De moeder is niet of slecht bereikbaar voor de GI en houdt zich niet aan afspraken. Bij de moeder is sprake van een alcoholverslaving en van geestelijke gezondheidsproblematiek. Zij is tweemaal opgenomen geweest de afgelopen periode en zou graag naar Zuid-Afrika gaan voor een opname. Er zijn verschillende zorgmeldingen door Veilig Thuis ontvangen over incidenten waarbij de moeder onder invloed agressief gedrag heeft getoond. Er bestaan daardoor nog steeds zorgen over het effect van deze problematiek op [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het is de moeder nog niet gelukt duurzaam af te kicken. Op 10 februari 2026 is het videobellen niet doorgegaan omdat de moeder zichtbaar onder invloed was. Samen met Veilig Thuis heeft de GI besloten dat fysieke omgang tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op dit moment niet veilig is vanwege de bedreiging door iemand met wie de moeder in de kliniek zat. Daarnaast bestaan er ook zorgen over de draagkracht van de vader nu hij de zorg over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] alleen draagt. Gelet op deze zorgen is het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de GI betrokken blijft om de situatie te monitoren en de nodige hulpverlening inzet. Dit betekent dat de kinderrechter het verzoek van de GI zal toewijzen en de ondertoezichtstelling zal verlengen met ingang van 12 juni 2026 tot 12 juni 2027.
5.5.
De ouders zijn gedurende de ondertoezichtstelling gescheiden. Zij hebben nog geen ouderschapsplan opgesteld, afspraken gemaakt en er is geen hulpverlening ingezet voor de ouders. Hoewel de ouders onderling goed contact hebben is deze situatie niet houdbaar. Des te meer omdat de vader op dit moment de volledige zorg over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] draagt. Het is in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de ouders afspraken maken en een ouderschapsplan opstellen. Ook gelet hierop acht de kinderrechter de regie van de GI van belang.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.6.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is
verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.7.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 12 juni 2026 tot 12 juni 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Maandag, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.