ECLI:NL:RBZWB:2026:5849

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
12197428 VV EXPL 26-42 (E)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Eijssen-Vruwink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:271 lid 1 BW (oud)Art. 7:228 lid 1 BW (oud)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming woning na einde tijdelijke huurovereenkomst op grond van artikel 7:271 lid 1 BW

De zaak betreft een geschil tussen Casade en een bewindvoerderskantoor namens de huurder over het einde van een tijdelijke huurovereenkomst voor een woning aan het [adres 2]. De huurovereenkomst was aangegaan voor de duur van twee jaar of korter en eindigt van rechtswege op grond van artikel 7:271 lid Pro 1 (oud) BW, mits de verhuurder tijdig aanzegging heeft gedaan.

Casade heeft tijdig de aanzegging gedaan dat de huurovereenkomst per 25 juni 2026 eindigt. Het bewindvoerderskantoor betwist de rechtsgeldigheid van de tijdelijke huurovereenkomst en beroept zich op reguliere huurbescherming, maar dit verweer wordt door de kantonrechter verworpen omdat de situatie niet in strijd is met de wet of de redelijkheid en billijkheid.

De kantonrechter acht de ontruiming vordering toewijsbaar en stelt een ontruimingstermijn van vier maanden vast. Tevens wordt een gebruiksvergoeding toegewezen voor de periode dat de woning na 25 juni 2026 nog in gebruik is. De proceskosten worden aan het bewindvoerderskantoor opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De kantonrechter veroordeelt het bewindvoerderskantoor tot ontruiming van de woning binnen vier maanden wegens het einde van de tijdelijke huurovereenkomst per 25 juni 2026.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 12197428 \ VV EXPL 26-42
Vonnis in kort geding van 24 juni 2026
in de zaak van
STICHTING CASADE,
te Kaatsheuvel (gemeente Loon op Zand),
eisende partij,
hierna te noemen: Casade ,
gemachtigde: mr. W.A. Kempe,
tegen
[bewindvoerder] H.O.D.N. [bewindvoerderskantoor] , IN DIENS HOEDANIGHEID VAN BEWINDVOERDER VAN [gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [bewindvoerderskantoor] ,
gemachtigde: mr. D. Marcus.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties
- de producties van [bewindvoerderskantoor]
- de conclusie van antwoord
- de mondelinge behandeling van 10 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De heer [gedaagde] (rechthebbende, hierna te noemen: [gedaagde] ) huurde in het verleden van Casade de woning aan de [adres 1] . Met ingang van 23 juli 2020 tot 23 juli 2022 huurde [gedaagde] deze woning op basis van een tijdelijke huurovereenkomst zelfstandige woonruimte voor de duur van twee jaar of korter (met begeleiding). Deze huurovereenkomst is na 23 juli 2022 (stilzwijgend) voortgezet als huurovereenkomst voor onbepaalde tijd.
2.2.
Wegens omstandigheden aan de zijde van [gedaagde] was de woning aan de [adres 1] op een gegeven moment niet meer geschikt. Daarom hebben partijen met ingang van 25 juni 2024 een tijdelijke huurovereenkomst zelfstandige woonruimte voor de duur van twee jaar of korter (met begeleiding) gesloten voor een andere woning aan het [adres 2] (hierna ook te noemen: de huurovereenkomst respectievelijk de woning of het gehuurde).
2.3.
In januari 2026 heeft Casade [gedaagde] en zijn begeleiders erover geïnformeerd dat Casade niet bereid is om de tijdelijke huurovereenkomst te verlengen. In februari 2026 heeft Casade dit ook aan mr. Marcus bericht.
2.4.
Per brief en e-mail van 13 april 2026 aan [bewindvoerderskantoor] en mr. Marcus heeft Casade het einde van de tijdelijke huurovereenkomst per 25 juni 2026 aangezegd.
2.5.
Per e-mail van 20 april 2026 heeft mr. Marcus Casade laten weten dat niet wordt berust in het einde van de huurovereenkomst.

3.Het geschil

3.1.
Casade vordert – samengevat – ontruiming van de woning aan het [adres 2] met nevenvorderingen. Primair legt Casada aan haar vordering ten grondslag dat de huurovereenkomst op grond van artikel 7:271 lid Pro 1 (oud) BW van rechtswege eindigt. Subsidiair beroept Casade zich erop dat er sprake is van tekortkomingen aan de zijde van [gedaagde] die de ontbinding van de huurovereenkomst en daarop vooruitlopend de ontruiming van het gehuurde rechtvaardigen.
3.2.
[bewindvoerderskantoor] voert verweer. [bewindvoerderskantoor] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Casade , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Casade , met veroordeling van Casade in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter overweegt dat bij het sluiten van de huurovereenkomst met betrekking tot woning aan het [adres 2] de Wet doorstroming huurmarkt 2015 van toepassing was.
4.2.
Dat betekent dat voor deze huurovereenkomst het volgend geldt. Aangezien de huurovereenkomst zelfstandige woonruimte betreft en is aangegaan voor de duur van twee jaar of korter, eindigt deze op grond van artikel 7:271 lid Pro 1 (oud) BW in samenhang met artikel 7:228 lid Pro 1 (oud) BW in beginsel wanneer de overeengekomen tijd is verstreken. Opzegging is daarvoor niet vereist, maar wel een aanzegging. Wat betreft deze aanzegging geldt dat de verhuurder niet eerder dan drie maanden maar uiterlijk een maand voordat de bepaalde tijd is verstreken, de huurder over de dag waarop de huur verstrijkt schriftelijk informeert. Casade heeft aan deze aanzegplicht voldaan door voormelde brief en e-mail van 13 april 2026.
4.3.
Op grond van het voorgaande eindigt de huurovereenkomst op grond van artikel 7:271 lid Pro 1 (oud) BW in beginsel van rechtswege per 25 juni 2026.
4.4.
[bewindvoerderskantoor] heeft als verweer aangevoerd dat het beroep van Casade op de tijdelijkheid van de huurovereenkomst in strijd is met de bedoeling van de wetgever en de redelijkheid en billijkheid. Daarom is er volgens [bewindvoerderskantoor] geen rechtsgeldige tijdelijke huurovereenkomst tot stand gekomen en kan [gedaagde] , althans [bewindvoerderskantoor] , aanspraak maken op de reguliere huurbescherming. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [bewindvoerderskantoor] in haar conclusie van antwoord een citaat uit de Memorie van Toelichting bij de Wet doorstroming huurmarkt 2015 opgenomen. Daarin staat kort gezegd dat er bij de invoering van de wet een aantal zorgpunten waren, bijvoorbeeld of huurders niet geconfronteerd kunnen worden met een opvolgende reeks van tijdelijke contracten en dat daartoe in de derde zin van artikel 7:271 lid 1 BW Pro het volgende is geregeld: “
Indien na afloop van een voor bepaalde tijd van twee onderscheidenlijk vijf jaar of korter aangegane huur met dezelfde huurder aansluitend opnieuw een huurovereenkomst wordt aangegaan, wordt deze laatste overeenkomst opgevat als een verlenging voor onbepaalde tijd van eerstgenoemde huurovereenkomst.” Vervolgens staat er in de Memorie van Toelichting dat het voor verhuurders dus niet mogelijk is om eenzelfde huurder een reeks van deze tijdelijke huurovereenkomsten aan te bieden. Die situatie doet zich in deze zaak ook niet voor. De huurovereenkomst is namelijk niet gesloten aansluitend na afloop van een huurovereenkomst voor bepaalde tijd. Weliswaar bestond er direct voorafgaand aan de huurovereenkomst ook een huurovereenkomst tussen partijen, maar dat betrof een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd én voor een ander adres ( [adres 1] ). Daarom is van strijd met artikel 7:271 lid Pro 1 (oud) BW naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter geen sprake. Dat er anderszins sprake is van misbruik van recht of strijd met de redelijkheid en billijkheid heeft [bewindvoerderskantoor] vooralsnog ook niet voldoende aannemelijk gemaakt. Het verweer van [bewindvoerderskantoor] slaagt daarom niet.
4.5.
Gelet op het voorgaande is de gevorderde ontruiming toewijsbaar, met dien verstande dat de kantonrechter in de omstandigheden van het geval een ontruimingstermijn van vier maanden redelijk acht.
4.6.
De gevorderde en niet (specifiek) weersproken gebruiksvergoeding is als voorschot eveneens toewijsbaar, maar voor toewijzing van de wettelijke rente ziet de kantonrechter vooralsnog geen aanleiding.
4.7.
Gelet op de overwegingen hiervoor prevaleren de belangen van Casade bij uitvoerbaarheid bij voorraad boven de belangen van [bewindvoerderskantoor] bij een afwijzing van de verzochte uitvoerbaarheid bij voorraad. Vooralsnog gaat de kantonrechter er immers vanuit dat de huurovereenkomst van rechtswege eindigt per 25 juni 2026 en Casade heeft er dan belang bij en recht op om weer over haar eigendom te kunnen beschikken.
4.8.
[bewindvoerderskantoor] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Casade worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
153,02
- griffierecht
139,00
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.301,02

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [bewindvoerderskantoor] om binnen vier maanden na betekening van dit vonnis de woning aan het [adres 2] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Casade zijn, en de sleutels af te geven aan Casade ,
5.2.
veroordeelt [bewindvoerderskantoor] om aan Casade te betalen een gebruiksvergoeding van € 788,95 per maand voor elke ingegane maand dat [gedaagde] vanaf 25 juni 2026 de woning aan het [adres 2] onder zich houdt, totdat de woning geheel ter vrije beschikking aan Casade is gesteld,
5.3.
veroordeelt [bewindvoerderskantoor] in de proceskosten van € 1.301,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [bewindvoerderskantoor] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Eijssen-Vruwink en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.