ECLI:NL:RBZWB:2026:5844

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
C/02/431488 / HA ZA 25-70
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Fleskens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:441 BWArt. 3:194 lid 2 BWArt. 4:6 BWArt. 4:7 lid 1 BWArt. 4:64 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aanvullende legitieme portie en erfdeel in nalatenschap zonder testament

Op 19 april 2024 overleed erflater zonder testament. Zijn drie erfgenamen, waaronder eiser en gedaagden, aanvaardden de nalatenschap beneficiair. Er ontstond een geschil over de omvang van de nalatenschap, de erfdelen en de aanvullende legitieme portie van eiser.

De rechtbank oordeelde dat eiser niet-ontvankelijk was omdat haar bewindvoerder haar vertegenwoordigt. De nalatenschap bestond uit beperkte activa, waaronder bankrekeningen en een vordering, en geen waardevolle inboedel. Een contante geldopname van €1.000 door een gemachtigde werd als actief beschouwd. Vermeende contante gelden van €40.050 werden niet bewezen en niet meegerekend.

De nalatenschap werd vastgesteld op €6.912,95, resulterend in een erfdeel van €2.304,31 per erfgenaam. De aanvullende legitieme portie van eiser werd berekend op basis van de legitimaire massa, inclusief giften aan derden, maar haar ontvangen giften en erfdeel overstegen deze portie, waardoor haar vordering werd afgewezen.

De rechtbank compenseerde de proceskosten tussen partijen en wees de overige vorderingen af.

Uitkomst: Eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard; erfdeel vastgesteld op €2.304,31 per persoon; aanvullende legitieme portie afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/431488 / HA ZA 25-70
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

wonende te [plaats 1] ,
hierna te noemen: [eiser 1] ,
advocaat: mr. C.J.H.E. Jeurissen
(die zich op 7 april 2026 heeft onttrokken als advocaat)2.
[bewindvoerder] h.o.d.n. [bewindvoerderskantoor] V.O.F.,
kantoorhoudende te [plaats 2] ,
eisende partijen,
hierna te noemen: [eiser 1] en de bewindvoerder,
advocaat: mr. C.J.H.E. Jeurissen,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

wonende te [plaats 3] (Mosel) (Duitsland),
2.
[gedaagde 2],
wonende te [plaats 2] ,
3.
[gedaagde 3],
wonende te [plaats 4] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: gedaagden en individueel [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ,
advocaat: mr. D.W.L. Cloots.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 2 april 2025 met alle daarin vermelde stukken,
- het bij bericht van 3 augustus 2025 van de zijde van gedaagden in het geding gebrachte afschrift uit het boedelregister,
- de mondelinge behandeling van 19 augustus 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en de ter gelegenheid hiervan overgelegde spreekaantekeningen van partijen,
- de op 10 oktober 2025 door gedaagden toegezonden beschikking over gerechtelijke vaststelling ouderschap van deze rechtbank van 7 oktober 2025 met daarbij het verzoek om partijen in de gelegenheid te stellen zich hierover te mogen uitlaten,
- de akte uitlating van gedaagden met productie genummerd 17,
- het bericht van [eiser 1] en de bewindvoerder van 22 oktober 2025 met het verzoek aan de rechtbank om gelegenheid te geven een akte wijziging van eis te nemen,
- de akte wijziging van eis van 5 november 2025 met productie(s) van [eiser 1] en de bewindvoerder,
- de akte uitlating van de zijde van gedaagden van 18 november 2025 met producties genummerd 18 en 19 ,
- het namens [eiser 1] en de bewindvoerder ingediende verzoek van 24 november 2025 om te mogen reageren op de producties 18 en 19 van de wederpartij,
- het hiertegen door gedaagden gemaakte bezwaar,
- het bericht van de rechtbank van 4 december 2025 waarin is medegedeeld dat het verzoek van [eiser 1] en de bewindvoerder van 24 november 2025 wordt afgewezen;
- het bericht van de rechtbank van 27 maart 2026,
- het bericht van mr. Jeurissen van 7 april 2026 waarin hij mededeelt dat hij zich onttrekt als advocaat van [eiser 1] ,
- het bericht van mr. Cloots van 7 april 2026,
- de akte uitlating van mr. Cloots van 13 mei 2026.
1.2.
Het e-mailbericht van mr. Kathmann van 8 april 2026 maakt geen deel uit van de gedingstukken omdat mr. Kathmann per 31 december 2025 op het tableau geschrapt is als advocaat zodat zij niet gerechtigd is om in deze procedure proceshandelingen te verrichten.
1.3.
Nadat mr. Jeurissen (de advocaat van [eiser 1] ) zich heeft onttrokken en zich geen andere advocaat voor [eiser 1] heeft gesteld terwijl daartoe wel de gelegenheid is geboden, heeft mr. Cloots bij bericht van 11 mei 2026 vonnis gevraagd.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 19 april 2024 is de heer [erflater] (hierna: erflater) overleden. [eiser 1] en [gedaagde 1] zijn de dochters van erflater geboren tijdens het huwelijk van erflater met hun moeder mevrouw [moeder 1] . Laatstgenoemde en erflater zijn in 1974 gescheiden.
2.2.
Op 19 januari 1976 is [gedaagde 2] geboren uit de relatie van erflater met de moeder van [gedaagde 2] , mevrouw [moeder 2] . Omdat erflater [gedaagde 2] niet als zijn kind heeft erkend was hij
niet de juridische vader van [gedaagde 2] . Erflater is met mevrouw [moeder 2] gehuwd op [datum 1] 1992. Hun huwelijk is ontbonden door het overlijden van mevrouw [moeder 2] op [datum 2] 2020.
2.3.
Omdat erflater geen testament heeft laten opmaken zijn [gedaagde 1] en [eiser 1] op grond van de wet de erfgenamen van erflater, ieder voor de helft. [gedaagde 2] was ten tijde van het overlijden van erflater nog geen erfgenaam.
2.4.
[gedaagde 1] heeft de nalatenschap van erflater onder voorrecht van boedelbeschrijving (beneficiair) aanvaard. Dit is op 9 april 2025 ingeschreven in het boedelregister.
2.5.
Het vermogen van [eiser 1] is onder bewind gesteld. De nalatenschap van erflater is namens [eiser 1] beneficiair aanvaard.
2.6.
Tussen [eiser 1] en [gedaagde 1] zijn geschillen gerezen over de afwikkeling van de nalatenschap van erflater. [eiser 1] en haar bewindvoerder hebben [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in deze procedure betrokken. [gedaagde 3] is de dochter van [gedaagde 1] . [gedaagde 3] en [gedaagde 2] zijn in hun hoedanigheid van vermoedelijk begiftigde van erflater in deze procedure betrokken.
2.7.
[gedaagde 2] heeft op 22 april 2024 bij deze rechtbank een verzoekschrift ter vaststelling van het ouderschap van de vermoedelijke biologische vader ingediend.
2.8.
Tijdens de mondelinge behandeling is onderhavige zaak op verzoek van partijen naar de parkeerrol verwezen. Dit in afwachting van de beslissing in het door [gedaagde 2] ingediende verzoekschrift vaststelling vaderschap.
2.9.
Bij beschikking van deze rechtbank van 7 oktober 2025 is vastgesteld dat erflater de juridische vader is van [gedaagde 2] . Met deze vaststelling is [gedaagde 2] gerechtigd tot de nalatenschap van erflater.
2.10.
Op 20 oktober 2025 heeft [gedaagde 2] de nalatenschap van erflater beneficiair aanvaard.

3.Het geschil

3.1.
[eiser 1] en haar bewindvoerder vorderen, na wijziging van eis - samengevat - bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , als mede-erfgenamen van erflater, te veroordelen de onder punt 23 a. tot en met r van het betekeningsexploot d.d. 28 januari 2025 van de dagvaarding genoemde stukken aan [eiser 1] te verstrekken, binnen twee weken na dagtekening van dit vonnis, althans te verstrekken binnen een termijn als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag(deel) waarop [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , als mede-erfgenamen van erflater, in gebreke zullen blijven hieraan te voldoen, althans op straffe van verbeurte van een dwangsom als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
II. te verklaren voor recht dat de erfdelen van [gedaagde 1] , [eiser 1] en [gedaagde 2] in de nalatenschap van erflater (€ 42.232,95:3 =) € 14.077,65 per persoon, althans
(€ 2.182,95 :3 =) € 727,65 per persoon, althans een bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, bedragen;
III. te verklaren voor recht dat de legitieme porties van [gedaagde 1] , [eiser 1] en [gedaagde 2] in de
nalatenschap van erflater € 7.610,70 per persoon, althans een bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, bedragen;
IV.
primair: [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] te veroordelen het restant van het aan [eiser 1] toekomende erfdeel in de nalatenschap van erflater van € 13.394,70, althans € 44,70 toekomt, althans een bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, aan [eiser 1] te betalen ( [bankrekeningnummer 1] ten name van [personen] ), binnen twee weken na de datum van het vonnis, althans te betalen binnen een termijn als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van de vordering met ingang van 19 april 2024 (de datum waarop de vordering opeisbaar is geworden) tot de datum van algehele voldoening, althans met ingang van een datum als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
subsidiair: [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en/of [gedaagde 3] te veroordelen de aanvullende legitieme
vordering van [eiser 1] op de nalatenschap van erflater van € 6.927,75, althans een bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, aan [eiser 1] te betalen
( [bankrekeningnummer 1] ten name van [personen] ), binnen twee weken na de datum van het vonnis, althans te
betalen binnen een termijn als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, te
vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van de vordering met ingang van 19 oktober 2024 (de datum waarop de vordering opeisbaar is geworden) tot de datum van algehele voldoening, althans met ingang van een datum als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
V. [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en/of [gedaagde 3] te veroordelen in de proceskosten van de gehele procedure, volgens het liquidatietarief, te vermeerderen met de nakosten, één en ander te voldoen binnen twee weken na de datum van dit vonnis, en - voor het geval
voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.
3.2.
Gedaagden voeren verweer. Gedaagden concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser 1] en haar bewindvoerder, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser 1] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser 1] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Bevoegdheid rechtbank en het toepasselijk recht
4.1.
Deze zaak kent een internationaal karakter. [gedaagde 1] woont in Duitsland, terwijl de overige erfgenamen in Nederland wonen. De rechtbank moet daarom beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt en welk recht van toepassing is. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat deze rechtbank bevoegd is om in deze zaak een beslissing te nemen en dat zij kiezen voor toepasselijkheid van het Nederlands recht.
Ontvankelijkheid
4.2.
Zowel [eiser 1] (in haar hoedanigheid van erfgenaam) als haar bewindvoerder treden in deze procedure op als eisende partijen. Vast staat dat het vermogen van [eiser 1] onder bewind is gesteld en dat zij handelingsonbevoegd is. Dit brengt mee dat, zoals artikel 1:441 lid 1 BW Pro het uitdrukt, de bewindvoerder gedurende het bewind bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte vertegenwoordigt, voor zover het handelingen betreft in verband met de onder bewind gestelde goederen. Dit betekent dat [eiser 1] procesbevoegdheid mist omdat de bewindvoerder procesbevoegd is; [eiser 1] is daarom niet-ontvankelijk in deze procedure. Deze kwestie is al tijdens de mondelinge behandeling besproken. De advocaat van [eiser 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat [eiser 1] alleen door de bewindvoerder in deze procedure vertegenwoordigd kan worden en dat het klopt dat [eiser 1] niet-ontvankelijk is.
4.3.
Vast staat dat [eiser 1] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] erfgenamen van erflater zijn; ieder van hen voor 1/3 onverdeeld gedeelte van de nalatenschap van erflater. Daarnaast is [eiser 1] ook legitimaris van de nalatenschap geworden omdat zij een beroep heeft gedaan op haar legitieme. [eiser 1] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de nalatenschap van erflater beneficiair aanvaard, zodat zij naast erfgenaam op grond van artikel 4:195 lid 1 BW Pro ook gezamenlijk vereffenaar van de nalatenschap zijn geworden. De beneficiaire aanvaarding brengt met zich mee dat de vereffenaars een privatieve vertegenwoordigingsbevoegdheid hebben om de erfgenamen in en buiten rechte te vertegenwoordigen (artikel 4:211 lid 2 BW Pro) zodat in een gerechtelijke procedure niet de erfgenamen, maar de vereffenaars gedagvaard dienen te worden. Dat betekent dat de bewindvoerder zijn vordering tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] pro sé enkel in hun hoedanigheid van vereffenaar had behoren in te dienen, zodat de bewindvoerder in beginsel niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vorderingen tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] pro sé. De rechtbank gaat evenwel niet hiertoe over omdat de aantekening in het boedelregister omtrent de beneficiaire aanvaarding door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van een latere datum dateert dan de dagvaarding. Ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding was [gedaagde 1] nog executeur en erfgenaam waardoor zij op goede gronden (mede) in die hoedanigheid is gedagvaard. [gedaagde 2] was ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding in juridische zin geen zoon van erflater zodat ook hij ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding in de juiste hoedanigheid is gedagvaard. Omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als mede-erfgenamen van erflater nu als vereffenaars optreden en zij de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling en na de vaststelling vaderschap ook hebben gewezen op de beneficiaire aanvaarding en de omstandigheid dat volgens hen geen ruimschoots-verklaring kan worden afgegeven, moeten zij geacht worden de procedure in die hoedanigheid als gedaagden te hebben voortgezet.
Vereffenen/verdelen
4.4.
De nalatenschap van erflater moet op grond van artikel 4:202 lid 1 sub a BW Pro worden vereffend volgens de voorschriften van afdeling 4.6.3. BW. Op grond van art.
4:198 BW oefenen de erfgenamen [eiser 1] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hun bevoegdheden als vereffenaars gezamenlijk uit. De rechtbank gaat ervan uit dat sprake is van de zogenaamde lichte vereffening, waarbij [eiser 1] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verplicht zijn een boedelbeschrijving op te maken (artikel 4:211 lid 3 BW Pro), contact dienen op te nemen met de bekende schuldeisers van de nalatenschap (artikel 4:214 lid 2 BW Pro), vorderingen van de nalatenschap te innen en de (opeisbare) schulden van de nalatenschap dienen te voldoen. De wettelijke vereffening vindt primair plaats in het belang van de schuldeisers van de nalatenschap. [1] Dat betekent dat [eiser 1] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de belangen van schuldeisers moeten behartigen. De rechtbank merkt in dit verband op dat [eiser 1] - naast vereffenaar en erfgenaam - als legitimaris nu ook schuldeiser van de nalatenschap is. Hierdoor kan de situatie ontstaan dat [eiser 1] in de verschillende hoedanigheden tegengestelde belangen heeft, waardoor haar primaire taak als vereffenaar mogelijk in het gedrang kan komen.
Pas als de vereffening is voltooid, kan worden toegekomen aan de verdeling van de nalatenschap. Dit om te waarborgen dat de vorderingen van de schuldeisers van de nalatenschap worden voldaan. In het arrest van 19 mei 2017 heeft de Hoge Raad echter de weg geopend voor een verdeling tijdens de vereffening als - kort gezegd - duidelijk is dat op voldoende wijze rekening is gehouden met de belangen van schuldeisers. Uit de gedingstukken blijkt dat naast de uitvaartkosten geen sprake is van andere schuldeisers. Gelet hierop kan de verdeling van de nalatenschap van erflater plaatsvinden.
Vorderingen sub I: afgifte stukken
4.5.
Vordering sub I betreft het verstrekken van stukken waarmee de legitieme portie van [eiser 1] berekend kan worden. Deze vordering wordt afgewezen. In haar hoedanigheid van vereffenaar en erfgenaam is het
mede[eiser 1] (vertegenwoordigd door haar bewindvoerder) taak én kwam haar daartoe bevoegdheid toe om
zelfbescheiden van degenen die deze ter beschikking hebben of onder hun berusting hebben op te vragen. Het ligt (mede) op de weg van de bewindvoerder van [eiser 1] om in ieder geval zelf bij - bijvoorbeeld - de bank, de Belastingdienst, de verhuurder van de woning waarin erflater verbleef, verzekeraars stukken op te vragen en registers te raadplegen. Gesteld noch gebleken is dat de bewindvoerder van [eiser 1] dat heeft gedaan. Daar komt bij dat het geuite vermoeden dat [gedaagde 1] een deel van de stukken waar de bewindvoerder om verzoekt onder zich zou hebben door [gedaagde 1] is weersproken, zodat dit niet als vaststaand kan worden aangenomen. [gedaagde 2] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij wat administratie van erflater onder zich heeft maar dat dit minimaal is en dat hij bereid is om [eiser 1] hierin inzage te verlenen. Daarnaast heeft [gedaagde 2] bij akte uitlating als prod. 18 een aanslag Inkomstenbelasting 2024 overgelegd waaruit blijkt dat de erfgenamen nog een bedrag van € 230,-- zullen ontvangen. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de bewindvoerder geen recht en belang jegens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft ten aanzien van het gevorderde sub I, zodat deze vordering wordt afgewezen.
Vorderingen sub II en het primair gevorderde sub IV: erfdeel
4.6.
De rechtbank merkt op dat voor vaststelling van het erfdeel van [eiser 1] eerst het nalatenschapsvermogen vastgesteld moet worden. Op grond van artikel 4:6 BW Pro dient de waardering van de goederen van de gemeenschap te worden vastgesteld onmiddellijk na het overlijden van erflater.
4.7.
Vast staat dat de nalatenschap van erflater in ieder geval bestond uit een inboedel. De waarde van de inboedel is tussen partijen in debat. Volgens de bewindvoerder was de waarde van de inboedel op de overlijdens datum van erflater € 500,--. Een onderbouwing ten aanzien van dit bedrag is echter niet gegeven. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben daarentegen gemotiveerd betwist dat de inboedel de door de bewindvoerder gestelde waarde vertegenwoordigt. In dit verband hebben zij onweersproken aangevoerd dat erflater bij leven een groot deel van zijn woning (de inboedel) had leeggeruimd en dat na zijn overlijden enkele lege kasten en andere goederen in de woning van erflater resteerden die zijn afgevoerd. Omdat de bewindvoerder in het licht van voormelde betwisting de door hem gestelde waarde van de inboedel niet nader heeft onderbouwd, wordt als vast staand aangenomen dat de inboedel geen waarde vertegenwoordigde.
4.8.
Daarnaast behoren twee bankrekeningen tot de nalatenschap van erflater, te weten [bankrekeningnummer 2] en [bankrekeningnummer 3] . Op de overlijdens datum van erflater bedroeg het saldo van bankrekening [bankrekeningnummer 2] € 76, 19 en per
8 september 2024 bedroeg het saldo € 678,31. Het saldo op bankrekening
[bankrekeningnummer 3] bedroeg op de overlijdensdatum € 37,99 en per 8 september 2024 stond een bedrag van € 4,64 op deze rekening. Beide bedragen van € 678,31 en € 4,64 zijn op verzoek van [eiser 1] aan haar uitgekeerd waarna beide rekeningen zijn gesloten. Voor de vaststelling van de erfdelen van [gedaagde 1] , [eiser 1] en [gedaagde 2] wordt uitgegaan van een totaalbedrag van € 682,95.
4.9.
De bewindvoerder heeft er voorts op gewezen dat ná het overlijden van erflater op 17 mei 2024 een bedrag van € 1.000,00 met [pasnummer] contant is opgenomen van bankrekening [bankrekeningnummer 3] (zie prod. 14 bij CvA). Vast staat dat [gedaagde 2] gemachtigd was op de bankrekening van erflater. In de conclusie van antwoord staat dat [gedaagde 2] een bedrag van € 1.000,-- heeft aangewend om mensen in te schakelen om het huis van erflater leeg te halen en om het huis wat op te knappen ten behoeve van de oplevering van de huurwoning. Deze stelling is door de bewindvoerder betwist omdat [gedaagde 2] de gestelde kosten en uitgaven niet heeft onderbouwd. Gezien de stellingname van gedaagden dat het huis van erflater - op een paar kasten na - grotendeels leeggeruimd was vóór het overlijden van erflater kan niet als vaststaand worden aangenomen dat [gedaagde 2] € 1.000,-- aan het leegruimen en opknappen van de woning heeft besteed. De geldopname van € 1.000,-- van de bankrekening van erflater ná zijn overlijden terwijl [gedaagde 2] de enige gemachtigde was tot de bankrekening van erflater maakt dat de rechtbank tot het oordeel komt dat [gedaagde 2] voormeld bedrag in moet brengen in de nalatenschap. Met dit bedrag wordt bij het vaststellen van de omvang van de nalatenschap rekening gehouden.
4.10.
Vast staat verder dat de nalatenschap een vordering van € 5.000,-- heeft op [persoon] . Anders dan door [eiser 1] en [persoon] is aangevoerd, kan niet worden vastgesteld dat [persoon] dit bedrag van € 5.000,-- in een enveloppe in de brievenbus van [gedaagde 2] heeft gedaan en dat laatstgenoemde dit bedrag heeft ontvangen zoals [eiser 1] ter zitting heeft betoogd. Deze stelling is immers betwist door [gedaagde 2] , terwijl [eiser 1] daartegenover niets heeft aangevoerd. Als vereffenaars van de nalatenschap kunnen [eiser 1] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het bedrag van
€ 5.000,-- bij [persoon] vorderen. Dit bedrag telt mee als actief van de nalatenschap van erflater.
4.11.
Met betrekking tot voormeld bedrag van € 5.000,-- stellen gedaagden dat [eiser 1] op grond van artikel 3:194 lid 2 haar Pro aandeel in de nalatenschap verbeurt. Gedaagden betogen dat [eiser 1] dit bedrag zou hebben verzwegen en dat gelet op de aan [eiser 1] en [persoon] gedane schenkingen onjuistheden zijn verklaard en informatie over de omvang van schenkingen dan wel een schuld aan de nalatenschap zijn achtergehouden.
4.12.
Op grond van voormeld artikel verbeurt de deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen. Van een situatie als bedoeld in art. 3:194 lid 2 BW Pro, te weten dat [eiser 1] opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen heeft verzwegen of verborgen gehouden, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Gedaagden waren immers al op de hoogte van de door [persoon] gedane geldopnames en partijen hebben hierover al vóór het overlijden van erflater gesproken. Bovendien blijkt uit productie 3 bij CvA dat [gedaagde 1] een WhatsApp bericht van [eiser 1] heeft gekregen waarin [eiser 1] de door erflater gedane schenkingen erkent.
4.13.
Het voornaamste twistpunt tussen partijen betreft een vermeend contant geldbedrag van in totaal € 40.050,-- dat volgens de bewindvoerder ten tijde van het overlijden in het huis van erflater aanwezig had moeten zijn. Met een verwijzing naar een groot aantal bankrekeningafschriften betoogt de bewindvoerder dat vóór het overlijden van erflater contante geldopnames ter hoogte van voormeld totaalbedrag vanaf zijn bankrekeningen zijn gedaan. Het vermeend contant aanwezige geldbedrag is volgens de bewindvoerder door erflater aan [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] geschonken. Laatstgenoemde hebben deze stellingname betwist, terwijl de bewindvoerder in het licht van de op hem rustende stelplicht zijn stellingname niet heeft onderbouwd. Uit de eigen stellingname van de bewindvoerder volgt dat hij zijn betoog baseert op vermoedens en aannames. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de bewindvoerder zijn stelling met betrekking tot vermeende contante gelden die door erflater aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zou zijn geschonken onvoldoende heeft onderbouwd, waarmee hij niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Bij het vaststellen van het nalatenschapsvermogen en de legitimaire massa wordt dan ook niet uitgegaan van contante gelden.
4.14.
De bewindvoerder voert de uitvaartkosten op als pro memorie post terwijl gedaagden onweersproken hebben aangevoerd dat de uitvaartkosten door de uitvaartverzekering van erflater zijn gedekt en dat voor de uitvaart niets bijbetaald hoefde te worden. Gelet hierop heeft de nalatenschap geen schuld ten aanzien van de uitvaartkosten. Andere schulden van de nalatenschap zijn niet gesteld.
4.15.
Uit het vorenstaande volgt dat de nalatenschap van erflater uit de volgende posten bestaat:
Vordering op [persoon] € 5.000,00
Vordering op [gedaagde 2] € 1.000,00
Teruggaaf IB 2024 € 230,00
[bankrekeningnummer 2] € 678,31
[bankrekeningnummer 3] € 4,64
Totaal € 6.912,95
Het saldo van de nalatenschap van erflater bedraagt aldus € 6.912,95. Dit betekent dat aan [gedaagde 1] , [eiser 1] en [gedaagde 2] ieder een erfdeel toekomt van
€ 2.304,31. Omdat [eiser 1] het saldo van voormelde bankrekeningen ad € 682,95 uitbetaald heeft gekregen zal hiermee bij de verdeling rekening moeten worden gehouden. Vordering sub II wordt toegewezen in de zin dat voor recht wordt verklaard dat het erfdelen van [gedaagde 1] , [eiser 1] en [gedaagde 2] in de nalatenschap van erflater € 2.304,31 per persoon bedragen.
4.16.
De bewindvoerder vordert onder vordering sub IV primair om [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] te veroordelen het restant toekomende erfdeel aan [eiser 1] te betalen. Deze vordering wordt afgewezen. Vast staat dat [eiser 1] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vereffenaar en tevens erfgenaam zijn. Dat betekent dat [eiser 1] haar erfdeel als vereffenaar aan zichzelf kan uitkeren, zodat een rechtsgrond ontbreekt om [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hiertoe te veroordelen. Gelijk hiervoor is overwogen zullen de vereffenaars eerst de vorderingen van de nalatenschap op [persoon] en [gedaagde 2] en de teruggave IB 2024 moeten innen alvorens tot een verdeling van de nalatenschap en uitbetaling van de erfdelen kan worden gekomen.
Vordering sub III en subsidiair gevorderde IV: aanvullende legitieme portie
4.17.
Onder vordering sub III wordt gevorderd om voor recht te verklaren dat de legitieme portie van [eiser 1] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] € 7.610,70 per persoon bedraagt. Vast staat dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen aanspraak maken op hun legitieme portie, zodat de vordering in zoverre dient te worden afgewezen. De rechtbank beoordeelt hierna alleen de aanvullende aanspraak van [eiser 1] op haar legitieme portie. Daarnaast wordt onder vordering sub IV subsidiair gevorderd om gedaagden te veroordelen de aanvullende legitieme portie van [eiser 1] uit te betalen. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro rust op de bewindvoerder de plicht om feiten te stellen waaruit de door hem gestelde waarde van de legitimaire massa volgt en om bij betwisting die feiten te bewijzen.
4.18.
Voordat de legitieme portie van [eiser 1] kan worden vastgesteld moet eerst de omvang van de legitimaire massa worden vastgesteld. Uitgangspunt is dat de legitieme portie op grond van het bepaalde in artikel 4:65 BW Pro wordt berekend over de legitimaire massa, namelijk:
a. de waarde van de goederen van de nalatenschap, of te wel de activa van de nalatenschap op het moment van overlijden van erflater,
b. plus de waarde van de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften,
c. minus de schulden van de nalatenschap, vermeld in artikel 4:7 lid 1 aanhef Pro en onder
a, b, c en f BW.
De legitieme portie bedraagt op grond van artikel 4:64 BW Pro de helft van de waarde waarover de legitieme porties wordt berekend gedeeld door het aantal afstammelingen. In dit geval is het breukdeel daarvan 1/6e. [eiser 1] kan dus aanspraak maken op 1/6e (1/2 x 1/3) van de legitimaire massa (artikel 4:64 lid 1 BW Pro).
4.19.
In artikel 4:67 BW Pro is bepaald welke giften bij de berekening van de legitimaire porties in aanmerking moeten worden genomen. Artikel 4:67 aanhef Pro en onder d, BW bepaalt dat bij de berekening van de legitieme portie in aanmerking worden genomen giften die door de erflater aan een afstammeling zijn gedaan, mits deze of een afstammeling van hem legitimaris van de erflater is. Giften aan een legitimaris moeten altijd worden meegerekend bij de berekening van de legitieme, dus ook indien de giften langer dan vijf jaar voor het overlijden zijn gedaan. Daarnaast bepaalt artikel 4:67 aanhef Pro en onder e BW dat bij de berekening van de legitimaire massa andere giften, voor zover de prestatie binnen vijf jaren voor het overlijden van erflater is geschied, ook in aanmerking worden genomen. De waarde van giften die door erflater aan een legitimaris zijn gedaan, en van al hetgeen de legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt, alsmede andere giften die binnen 5 jaar voor het overlijden door erflater zijn gedaan worden in mindering gebracht op de legitieme portie (artikel 4:70 en Pro 71 BW).
4.20.
In r.o. 4.13 is al overwogen dat niet is komen vast te staan dat contante gelden tot het actief van de nalatenschap behoren en dat bij het vaststellen van de legitimaire massa hier niet vanuit kan worden gegaan. Ook vermeende giften tot een totaalbedrag van
€ 40.050,00 aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn niet komen vast te staan. De rechtbank neemt dit bedrag dan ook niet mee bij de berekening van de legitimaire massa.
4.21.
Met betrekking tot de auto van erflater zijn partijen het erover eens dat sprake is van een gift van erflater aan [gedaagde 3] . Partijen verschillen echter van mening over de te hanteren waarde van de auto. De bewindvoerder stelt dat de auto op 15 februari 2024 ten minste € 5.000,-- waard was waarbij een waarde overzicht d.d. 28 januari 2025 vanaf de website Kentekencheck in het geding is gebracht. Gedaagden hebben de door de bewindvoerder gestelde waarde weersproken en zij hebben op 4 augustus via de RDW (zie productie 15 bij CvA) een handelswaarde van € 2.776,-- en een inruilwaarde van € 3.076,-- voor de bewuste auto laten vaststellen. Omdat de bewindvoerder deze waardebepaling niet heeft weersproken zal bij het bepalen van de legitimaire massa een bedrag van
€ 2.776,00als een aan [gedaagde 3] gedane gift meegeteld worden.
4.22.
Uit de stellingname van partijen volgt dat zowel [persoon] als [eiser 1] ieder een bedrag van € 500,-- als gift van erflater hebben ontvangen. Dit betekent dat een bedrag
€ 1.000,--wordt meegenomen bij de berekening van de legitimaire massa.
4.23.
Al het voorgaande resulteert in de navolgende legitieme aanspraak.
ACTIVA
- vordering op [persoon]
€ 5.000,00
- vordering op [gedaagde 2]
€ 1.000,00
- teruggaaf IB 2024
€ 230,00
- saldi bankrekeningen
€ 682.95
Totaal activa
€ 6.912.95
In aanmerking te nemen giften
- giften [eiser 1] en [persoon]
€ 1.000,00
- gift aan [gedaagde 3]
€ 2.776,00
Totaal giften
€ 3.776,00
PASSIVA
€ 0
Totaal legitimaire massa
€ 10.688,95
1/6e is legitieme portie van [eiser 1] € 1.781,49
4.24.
Nu bekend is wat de legitieme portie van [eiser 1] is, resteert nog de vraag wat haar legitimaire aanspraak is. Eventuele giften die [eiser 1] van erflater heeft ontvangen moeten immers in mindering worden gebracht op de legitieme portie (artikel 4:70 BW Pro), evenals wat [eiser 1] krachtens erfrecht verkrijgt (artikel 4:71 BW Pro). [eiser 1] heeft
€ 500,--aan giften ontvangen en haar erfdeel is bovendien
€ 2.304,31. De totaalsom van deze bedragen overstijgt de legitieme portie van [eiser 1] van
€ 1.781,49zodat [eiser 1] geen vordering uit hoofde van haar legitimaire aanspraak heeft. Om die reden worden vordering sub III en het subsidiair gevorderde sub IV afgewezen.
Conclusie
4.25.
Uit het vorenstaande volgt dat [eiser 1] als eisende partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Vordering sub II wordt toegewezen als hierna vermeld in het dictum. De overige vorderingen worden afgewezen.
4.26.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verklaart [eiser 1] niet-ontvankelijk in deze procedure;
5.2.
verklaart voor recht dat de erfdelen van [gedaagde 1] , [eiser 1] en [gedaagde 2] in de nalatenschap van erflater € 2.304,31 per persoon bedragen;
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Fleskens en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.

Voetnoten

1.Parl. Gesch. Boek 4, p. 844