ECLI:NL:RBZWB:2026:5825

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
02-175556-26
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 65 SvArt. 66 SvArt. 67 SvArt. 67a SvArt. 78 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevel tot gevangenhouding wegens ernstige bezwaren voor subsidiair feit na ontbreken voorwaardelijk opzet doodslag

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 30 juni 2026 een bevel tot gevangenhouding uitgevaardigd tegen de verdachte, die wordt verdacht van een misdrijf met een mogelijk dodelijke afloop. De rechter-commissaris had eerder op 22 juni 2026 de bewaring bevolen, waarna de officier van justitie een gevangenhouding van 90 dagen vorderde. De verdediging verzocht om opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis.

De rechtbank oordeelde dat er geen ernstige bezwaren zijn voor de verdenking van doodslag, omdat er geen aanmerkelijke kans op de dood was en dus geen sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood. Wel zijn er ernstige bezwaren voor een subsidiair feit, mede gelet op de vermoedelijke hoge snelheid van de verdachte en het fatale letsel van het slachtoffer.

De rechtbank verwierp het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis, omdat het strafvorderlijke belang zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van de verdachte. De gevangenhouding werd beperkt tot 14 dagen en de rechtbank verzocht de officier van justitie een schorsingsrapportage te laten opstellen. De beslissing werd genomen door een meervoudige raadkamer onder voorzitterschap van mr. G.H. Nomes.

Uitkomst: De rechtbank beveelt gevangenhouding van verdachte voor 14 dagen wegens ernstige bezwaren voor een subsidiair feit en wijst het schorsingsverzoek af.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
parketnummer : 02-175556-26
bevel gevangenhouding van de rechtbank, meervoudige raadkamer in strafzaken van 30 juni 2026
(artikel 65 Wetboek Pro van Strafvordering)
in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in P.I. [plaats] .
Raadsvrouw mr. M.E. Broekert.

Procedure

De rechter-commissaris heeft op 22 juni 2026 de bewaring bevolen.
De officier van justitie heeft de gevangenhouding van de verdachte gevorderd voor de duur van 90 dagen.
De verdediging heeft de opheffing van de voorlopige hechtenis verzocht.
De verdediging heeft subsidiair de schorsing van de voorlopige hechtenis verzocht.
De rechtbank heeft de officier van justitie mr. G. Oosterveld, de verdachte en de raadsvrouw gehoord.

Beoordeling

De rechtbank overweegt met betrekking tot de ernstige bezwaren als volgt.
Het voorliggende dossier, op basis waarvan de rechtbank is gevraagd de zaak te beoordelen of er ernstige bezwaren zijn voor de verdenking doodslag, biedt geen basis voor het oordeel dat door het handelen van verdachte sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood. Daardoor is geen sprake van voorwaardelijk opzet op de dood. Voor het primaire feit worden dan ook geen ernstige bezwaren aangenomen.
Gelet op de omstandigheden dat het voertuig van verdachte niet geschikt was voor twee personen en de vermoedelijke snelheid waarmee verdachte heeft gereden, acht de rechtbank wel ernstige bezwaren aanwezig voor het subsidiaire feit. Hierbij weegt de rechtbank mee dat een agent dezelfde afstand in 33 seconden heeft gereden met een snelheid van 20 tot 25 km/uur, terwijl verdachte er volgens de beelden waarschijnlijk maar 18 seconden over heeft gedaan. Het ontstaan van het (fatale) letsel van het slachtoffer is ook een indicatie voor een hogere snelheid waarmee is gereden.
Gronden
Bij het ontbreken van ernstige bezwaren voor doodslag komt de twaalf-jaarsgrond met de ernstig geschokte rechtsorde te vervallen. Die grond ligt niet langer aan de voorlopige hechtenis ten grondslag.
Er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte een misdrijf zal
begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of
meer is gesteld.
Er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte een misdrijf zal
begaan waardoor de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden
gebracht.
hetgeen blijkt uit de omstandigheid/omstandigheden dat:
  • verdachte wordt verdacht van een of meer feit(en) terwijl de omstandigheden van verdachte en/of die waaronder deze feiten zijn gepleegd, ongewijzigd zijn gebleven;
  • verdachte al eerder met politie en justitie in aanraking is geweest voor (een) (soortgelijk(e)) delict(en).
De rechtbank is van oordeel dat een situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering op dit moment niet aan de orde is.
Schorsingsverzoek
De rechtbank is van oordeel dat het strafvorderlijke belang zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van de verdachte bij invrijheidstelling en zal daarom het mondeling verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis afwijzen.
De rechtbank ziet vooralsnog niet in met welke schorsingsvoorwaarden het gevaar voor herhaling op dit moment kan worden teruggebracht tot een voor de samenleving aanvaardbaar niveau.
De rechtbank acht het wel van belang dat zij wordt voorgelicht over de (on)mogelijkheden tot schorsing van de voorlopige hechtenis en
verzoekt daarom de officier van justitie opdracht te geven aan de reclassering tot het opstellen van een schorsingsrapportage, waarin wordt ingegaan op de (on)mogelijkheden van een eventuele schorsing van de voorlopige hechtenis.
In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om de duur van de gevangenhouding te beperken tot 14 dagen.
De rechtbank neemt de artikelen 65, 66, 67, 67a en 78 van het Wetboek van Strafvordering in aanmerking.

Beslissing

De rechtbank:
beveelt de gevangenhouding van de verdachte voor een termijn van
14 (veertien) dagen;
wijst het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis af.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 30 juni 2026 door:
mr. G.H. Nomes, voorzitter,
mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en mr. W.J.M. Fleskens, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.J. van der Welle, griffier.