ECLI:NL:RBZWB:2026:5824
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Rechtbank verklaart zich onbevoegd in bestuursrechtelijk beroep tegen niet-beslissing College van procureurs-generaal
Opposante heeft beroep ingesteld tegen het College van procureurs-generaal wegens het niet tijdig beslissen op haar verzoeken uit mei tot en met december 2025. De rechtbank had bij uitspraak van 19 maart 2026 het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat het verzoek betrekking zou hebben op strafrechtelijke opsporing en vervolging, waardoor de Awb niet van toepassing is.
Opposante stelde in haar verzet dat haar verzoek een bestuurlijke vraag betreft over de processen binnen de strafrechtketen en niet over een strafzaak zelf. Zij benadrukte het belang van een gemotiveerde reactie van het College en een open gesprek over haar verzoek, dat gericht is op de bescherming van minderjarigen in strafrechtelijke trajecten.
De rechtbank oordeelt dat het verzoek van opposante valt binnen de typische sfeer van de strafvordering zoals bedoeld in artikel 1:6 Awb Pro, waardoor de bestuursrechter onbevoegd is. De procedurele kant van het strafrecht kan niet los worden gezien van het bestuursrecht. De rechtbank verklaart het verzet gegrond omdat het dictum van de eerdere uitspraak niet aansluit bij de motivering, maar bevestigt haar onbevoegdheid om inhoudelijk te oordelen over het beroep. Er is geen proceskostenveroordeling en geen griffierecht terug te storten.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om te oordelen over het beroep tegen het uitblijven van een beslissing van het College van procureurs-generaal.