ECLI:NL:RBZWB:2026:5798

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
11758590 \ CV EXPL 25-2142
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Swaanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vorderingen tot schadevergoeding na brand in gehuurde woning

Huurder nam op 1 oktober 2021 een woning in huur van verhuurder. Op 30 oktober 2022 ontstond er brand in het gehuurde, waarna de huur werd beëindigd. Huurder vorderde vergoeding van kosten voor stroom- en gasverbruik na de brand en terugbetaling van de waarborgsom. Verhuurder kwam in verzet tegen een verstekvonnis en vorderde in reconventie schadevergoeding wegens de brand, die hij toeschreef aan huurder.

De rechtbank stelde vast dat huurder de nutsvoorzieningen na de brand niet gebruikte, maar wel kosten betaalde die verhuurder voor droogapparatuur en warmtebronnen had verbruikt. Verhuurder had een verzekeringsuitkering ontvangen voor deze kosten, waardoor hij ongerechtvaardigd was verrijkt ten koste van huurder. Daarom werd verhuurder veroordeeld tot vergoeding van € 3.646,06 voor nutsverbruik en terugbetaling van de waarborgsom van € 2.050,00, inclusief incassokosten.

De vordering van verhuurder tot schadevergoeding werd afgewezen vanwege onvoldoende onderbouwing en onjuiste specificaties. Wel werd huurder veroordeeld tot betaling van € 275,00 huurachterstand over oktober 2022. De proceskosten werden in conventie aan verhuurder opgelegd en in reconventie tussen partijen gecompenseerd. Het verstekvonnis werd vernietigd en de rechtbank deed opnieuw recht.

Uitkomst: Verhuurder moet huurder € 5.696,06 plus incassokosten betalen, huurder moet verhuurder € 275,00 huurachterstand betalen; overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 11758590 \ CV EXPL 25-2142
Vonnis van 13 mei 2026 bij vervroeging
in de zaak van
[verhuurder],
te [plaats] ,
eisende partij in verzet,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [verhuurder] ,
gemachtigde: mr. D. van der Bie,
tegen

1.[huurder 1] ,

te [plaats] ,
2.
[huurder 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen in verzet,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen in mannelijk enkelvoud: [huurder 1 en 2] ,
gemachtigde: mr. C.G.A. Mattheussens.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de verzetdagvaarding van 29 april 2025 met producties 1 tot en met 6;
- het herstelexploot van 28 mei 2025;
- de conclusie van [huurder 1 en 2] met producties 1 en 2;
- de akte vermeerdering van eis van [verhuurder] ;
- de brief van mr. Mattheussens van 2 april 2026 met producties 3 en 4;
- de e-mail van mr. Van der Bie van 7 april 2026 met producties 7 tot en met 11;
- de e-mail van mr. Mattheussens van 7 april 2026 met productie 5;
- de e-mail van mr. Van der Bie van 9 april 2026 met productie 12;
- de mondelinge behandeling van 10 april 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[huurder 1 en 2] heeft op 1 oktober 2021 van [verhuurder] in huur genomen de woning aan de [adres] te [plaats] .
2.2.
Op 30 oktober 2022 is het gehuurde getroffen door een brand.
2.3.
De huur is beëindigd.

3.Het geschil

In conventie
3.1.
Bij verstekvonnis van 26 maart 2025 heeft de kantonrechter van deze rechtbank [verhuurder] , uitvoer bij voorraad, veroordeeld om aan [huurder 1 en 2] te betalen
€ 8.037,19, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 23 augustus 2024, en ter zake buitengerechtelijke incassokosten € 776,00, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 18 maart 2025. [verhuurder] is veroordeeld in de proceskosten van € 877,14, vermeerderd met de kosten van betekening als hij niet tijdig voldoet aan de veroordelingen en het vonnis daarna wordt betekend.
3.2.
[huurder 1 en 2] heeft het volgende ten grondslag gelegd aan zijn vordering. Hij stelt dat het gehuurde onbewoonbaar is geworden door de brand op 30 oktober 2022. Hij heeft na 30 oktober 2022 geen gebruik meer gemaakt van nutsvoorzieningen, maar hij heeft nog
€ 3.646,06 betaald aan Enexis en € 1.754,29 en € 86,84 aan Eneco voor stroom- en gasverbruik in de periode november en december 2022. Het is echter [verhuurder] die de stroom en het gas heeft verbruikt voor droogapparatuur en warmtebronnen na de brand. [huurder 1 en 2] stelt dat [verhuurder] aan hem de kosten voor het stroom- en gasverbruik na de brand moet vergoeden. Daarnaast stelt [huurder 1 en 2] dat hij bij aanvang van de huurovereenkomst een waarborgsom van € 2.050,0 heeft betaald en dat [verhuurder] die moet terugbetalen.
3.3.
[verhuurder] is bij verzetdagvaarding van 29 april 2025 in verzet gekomen tegen het verstekvonnis. Hij voert verweer tegen de vordering van [huurder 1 en 2] .
In reconventie
3.4.
In de verzetdagvaarding vordert [verhuurder] bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- [huurder 1 en 2] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verhuurder] te betalen een bedrag van € 32.726,10,
- [huurder 1 en 2] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente vanaf 14 mei 2025,
- [huurder 1 en 2] te veroordelen tot betaling van de kosten van deze procedure.
3.5.
[verhuurder] legt het volgende ten grondslag aan zijn vordering. Hij stelt dat hij schade heeft geleden als gevolg van de brand. [huurder 1 en 2] is daarvoor aansprakelijk, omdat hij verkeerd hout heeft gestookt. [verhuurder] heeft een uitkering van zijn verzekeraar Achmea ontvangen voor een gedeelte van de schade. Er resteert een schadepost van € 32.726,10.
3.6.
[huurder 1 en 2] voert verweer.
In conventie en reconventie
3.7.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Tijdig verzet
4.1.
[verhuurder] is bij verzetdagvaarding van 29 april 2025 in verzet gekomen van het verstekvonnis van 26 maart 2025. Hij is, met inachtneming van de verzettermijn van vier weken, tijdig in verzet gekomen.
In conventie
4.2.
Partijen verschillen van mening wie verantwoordelijk is voor de brand. [verhuurder] stelt dat de brand aan [huurder 1 en 2] is te wijten. [huurder 1 en 2] betwist dat. Het geschil op dit onderdeel kan buiten beschouwing blijven, omdat het antwoord op de vraag wie verantwoordelijk is voor de brand, niet leidt tot een andere uitkomst bij de behandeling van de vorderingen in deze procedure.
4.3.
[huurder 1 en 2] heeft een factuur van 22 februari 2024 van Enexis ad € 3.646,06 ontvangen voor nutsverbruik in het gehuurde na de brand (productie 2 bij dagvaarding). Uit een schermprint van de bankapp volgt dat hij dit bedrag heeft betaald aan Enexis (productie 2 bij conclusie).
4.4.
Daartegenover staat de (reconventionele) vordering van [verhuurder] tot vergoeding voor het nutsverbruik na de brand. Ter onderbouwing heeft hij een brief van Enexis van 15 september 2023 overgelegd. Daarin heeft Enexis bij [verhuurder] als eigenaar van het gehuurde voor nutsverbruik zonder contract € 3.483,07 in rekening gebracht, tenzij hij zou aantonen dat een andere partij het nutsverbruik heeft geconsumeerd (productie 5 bij verzetdagvaarding). Ook heeft hij een schadestaat van zijn verzekeraar Achmea overgelegd, waarin als schadepost € 4.648,84 voor extra energiekosten is opgenomen (productie 1 bij verzetdagvaarding). Echter, op de mondelinge behandeling heeft [verhuurder] verklaard dat hij Enexis niet heeft betaald. Ook heeft hij verklaard dat hij daarvoor wel de vergoeding volgens de schadestaat van Achmea heeft ontvangen.
4.5.
[huurder 1 en 2] heeft dus betaald voor nutsverbruik en niet [verhuurder] . [verhuurder] heeft voor het nutsverbruik een vergoeding ontvangen van Achmea. Hij is daardoor op dit onderdeel ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van [huurder 1 en 2] . [huurder 1 en 2] komt vanwege die ongerechtvaardigde verrijking een vergoeding toe voor zijn nutskosten van € 3.646,06 van [verhuurder] . De vordering van [huurder 1 en 2] is op dat onderdeel toewijsbaar.
4.6.
[huurder 1 en 2] maakt ook aanspraak op vergoeding van € 1.754,29 en € 86,84 voor stroom- en gasverbruik van Eneco. [verhuurder] betwist dat [huurder 1 en 2] deze kosten heeft gemaakt. Gelet op die betwisting had het op de weg van [huurder 1 en 2] gelegen om een nadere toelichting te geven dat Eneco deze kosten bij hem in rekening heeft gebracht en dat hij die heeft betaald, bijvoorbeeld aan de hand van een factuur of een brief van Eneco en een bewijs van betaling. Die nadere toelichting ontbreekt. [huurder 1 en 2] stelt onvoldoende op dit onderdeel. De kantonrechter zal die vergoeding daarom afwijzen.
4.7.
[verhuurder] voert geen verweer tegen de vordering van [huurder 1 en 2] tot terugbetaling van de waarborgsom op zichzelf. [verhuurder] voert aan dat hij de waarborgsom niet heeft terugbetaald, omdat zijn schadevergoeding de waarborgsom overstijgt. Die schadevergoeding zal worden afgewezen, zoals in het onderstaande zal volgen. Dat betekent dat [verhuurder] de waarborgsom dient terug te betalen. De vordering van [huurder 1 en 2] daartoe zal worden toegewezen.
4.8.
Uit het voorgaande volgt dat [huurder 1 en 2] een vordering heeft. Hij heeft toegelicht dat daarvoor incassowerkzaamheden zijn verricht. De vordering tot betaling van incassokosten zal worden toegewezen, met dien verstande dat de incassokosten worden toegewezen tot het wettelijke tarief over de toegewezen hoofdsom van € 5.696,06
(€ 3.646,06 aan nutsvoorzieningen en € 2.050,00 aan waarborgsom), derhalve € 659,80 aan incassokosten.
4.9.
Aangezien een gedeelte van het verstekvonnis van 26 maart 2025 niet kan standhouden, wordt uit praktisch oogpunt het verstekvonnis vernietigd. De kantonrechter zal opnieuw recht doen, zoals onder de beslissing is vermeld.
4.10.
[verhuurder] is overwegend in het ongelijk gesteld in conventie en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in conventie betalen. De proceskosten van [huurder 1 en 2] worden begroot op:
- dagvaarding € 146,14
- griffierecht € 257,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten x € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
totaal
1.267,14
In reconventie
4.11.
[verhuurder] heeft in de verzetdagvaarding zijn vordering tot schadevergoeding als volgt gespecificeerd:
  • schadestaat Achmea € 158.166,05
  • uitkering Achmea
  • subtotaal € 26.603,03
  • restant huur oktober 2022 € 275,00
  • energiekosten Enexis € 3.483,07
  • onderzoekskosten € 250,00
  • kosten verhuurder
  • totaal € 32.726,10
In zijn akte vermeerdering van eis voegt hij daaraan toe de gemiste huur tijdens het herstel van het gehuurde van november 2022 tot en met juni 2023 ad € 10.000,00. Hij stelt dat hij heeft verzuimd om de gemiste huur op te nemen in de specificatie van de schade.
4.12.
[verhuurder] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat de schadespecificatie in de verzetdagvaarding onjuist is. Zo heeft hij toegelicht dat hij niet
€ 131.563,02 heeft ontvangen van Achmea maar € 158.116,05, conform de schadestaat. Ook heeft hij toegelicht dat in de schadestaat/uitkering van Achmea al “energiekosten Enexis” is opgenomen (zie punt 4.4). Daarnaast heeft hij toegelicht dat in die schadestaat ook reeds de acht maanden gederfde huurinkomsten zijn opgenomen, zodat zijn vermeerdering van eis op dat onderdeel onnodig was.
4.13.
[verhuurder] heeft naar aanleiding van de onjuistheden in schadespecificatie op de mondelinge behandeling verzocht om zijn eis te wijzigen. Hij heeft daarvoor verwezen naar een nieuw overzicht van de verbouwingskosten om het gehuurde weer in een goede staat te brengen (productie 12).
4.14.
De kantonrechter staat die eiswijziging niet toe. [verhuurder] heeft het overzicht bij e-mail van 9 april 2026 toegezonden aan de rechtbank en aan de andere partij, derhalve één dag vóór de mondelinge behandeling. Het is in een zo goed als onleesbaar klein lettertype opgesteld, het heeft 23 kolommen en omvat meer dan twee pagina’s. Terecht heeft de andere partij bezwaar gemaakt dat zij onvoldoende tijd heeft gehad om dat overzicht te beoordelen en daarop te reageren. Daarbij komt dat die eiswijziging neerkomt op een wijziging van de grondslag van de eis. Waar [verhuurder] aanvankelijk de schadestaat van Achmea tot uitgangspunt nam, beroept hij zich nu op een ander overzicht over verbouwingskosten van het gehuurde. De kantonrechter oordeelt de eiswijziging in deze fase van de procedure in strijd met de goede procesorde.
4.15.
De specificatie in de verzetdagvaarding is onjuist, zoals [verhuurder] heeft erkend (zie punt 4.12). Er is geen verschil tussen de schadestaat van Achmea en de uitkering door Achmea. Daarnaast heeft [verhuurder] twee maal energiekosten Enexis opgevoerd, een keer in de schadestaat en nogmaals als afzonderlijke post in de specificatie, terwijl hij die kosten niet heeft gemaakt (punt 4.4). Verder staat in de specificatie de post: ‘kosten verhuurder’. Volgens [verhuurder] valt daaronder schoonmaak- en opruimwerkzaam-heden, afvoeren materiaal, correspondentie met aannemers, brandweer en verzekeraar en aannemers toegang verschaffen tot het gehuurde. In de schadestaat van Achmea is ook een post opgenomen: ‘overige kosten’, waaronder is begrepen (onder meer) reiniging en overleg. Dat wijst op een dubbeltelling. Een nadere toelichting van [verhuurder] was op zijn plaats dat in de post: ‘kosten verhuurder’ meer of andere kosten zijn opgenomen dan in de post in de schadestaat: ‘overige kosten’. Die nadere toelichting ontbreekt.
4.16.
Van schade voor [verhuurder] is dus niet gebleken. Onderzoekskosten voor de vaststelling van schade en aansprakelijkheid zijn daarom ook niet toewijsbaar.
4.17.
Dan resteert de post: restant huur oktober 2022 ad € 275,00. [huurder 1 en 2] weerspreekt niet dat hij die onbetaald heeft gelaten. Dat deel van de vordering zal als onweersproken worden toegewezen. De gevorderde rente is evenmin weersproken. Die zal eveneens als onweersproken worden toegewezen.
4.18.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen in reconventie, zullen de proceskosten in reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

In conventie
5.1.
vernietigt het verstekvonnis tussen partijen gewezen op 26 maart 2025 met zaaknummer/rolnummer 11612497 CV EXPL 25-1061,
en opnieuw rechtdoende:
5.2.
veroordeelt [verhuurder] aan [huurder 1 en 2] te betalen € 5.696,06, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2024,
5.3.
veroordeelt [verhuurder] aan [huurder 1 en 2] te betalen € 659,80 aan incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2025,
5.4.
veroordeelt [verhuurder] in de proceskosten van € 1.267,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verhuurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijs het meer of anders gevorderde af,
In reconventie
5.7.
veroordeelt [huurder 1 en 2] aan [verhuurder] te betalen € 275,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 mei 2025,
5.8.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.9.
verklaart de veroordeling in punt 5.7 uitvoerbaar bij voorraad,
5.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Swaanen en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.