ECLI:NL:RBZWB:2026:5779

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
BRE 26/2970 VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 8 EVRMArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen sluiting woning op grond van de Opiumwet wegens drugshandel

De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit van de burgemeester van Zundert om de woning van verzoeker voor drie maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet vanwege drugshandel. De politie trof op 14 januari 2026 een grote hoeveelheid hard- en softdrugs aan in de woning, waarna de burgemeester besloot tot sluiting. Verzoeker betwistte dit besluit en stelde dat het niet geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is en dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester bevoegd is tot sluiting van de woning gezien de aangetroffen hoeveelheden drugs die de toegestane hoeveelheden ruimschoots overschrijden. De sluiting is in beginsel een geschikt middel om herhaling van drugshandel en overlast te voorkomen. Echter, de rechter constateert dat de burgemeester onvoldoende heeft onderbouwd waarom sluiting noodzakelijk is, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake was van drugshandel vanuit de woning of dat er na de inval nog relevante overlast was.

Daarnaast weegt de voorzieningenrechter mee dat verzoeker een kwetsbare persoon is met verslavingsproblematiek en dat sluiting van de woning een zwaarwegend nadeel oplevert voor zijn herstel en zelfredzaamheid. De burgemeester heeft dit onvoldoende meegewogen. Daarom is het bezwaar tegen het besluit aannemelijk en wordt het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, waarbij het besluit wordt geschorst tot twee weken na de beslissing op bezwaar.

Uitkomst: De voorzieningenrechter schorst de sluiting van de woning wegens onvoldoende gemotiveerde noodzaak en evenwichtigheid van het besluit.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/2970 OPIUMW VV

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M. Raaijmakers),
en

de burgemeester van de gemeente Zundert.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting Thuisvester uit Oosterhout (de woningstichting).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning van verzoeker aan de [adres] te [woonplaats] (de woning) voor de duur van drie maanden op grond van de Opiumwet. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe en schorst het bestreden besluit tot twee weken na de door de burgemeester te nemen beslissing op bezwaar. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het besluit van 20 mei 2026 (bestreden besluit) heeft de burgemeester verzoeker op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet gelast om de woning per 2 juni 2026 te sluiten en gesloten te houden voor een periode van drie maanden. De woning is op die datum gesloten. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningen-rechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, vergezeld door zijn begeleider [persoon] ( [zorgorganisatie] ) en bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. M.M.A.J. Braspenning, mr. N. Kajdiç en [gemachtigde 1] namens de burgemeester en [gemachtigde 2] en mr. S. van den Elshout namens de woningstichting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat zijn de feiten?
3. Verzoeker is huurder van de bovenwoning, waar hij alleen woont. De woningstichting is eigenaar van de woning.
3.1.
Uit een bestuurlijke rapportage van de politie van 20 maart 2026 blijkt dat de politie voorafgaand aan het binnentreden van de woning een persoon die verdacht wordt van de handel in verdovende middelen (verdachte 2) regelmatig de woning van verzoeker zag betreden. Ook zou door een (anonieme) getuige zijn gezien dat er veel aanloop was bij de woning en er meerdere overdrachten van verdovende middelen plaatsvonden. Nadat uit eerder onderzoek bleek dat er mogelijk een grote hoeveelheid verdovende middelen zou worden opgeslagen en verhandeld in de woning, is de politie op 14 januari 2026 de woning binnengetreden. Vrijwel gelijk na het betreden van de woning werd een tas met een grote hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen. Bij de doorzoeking van de woning werd het volgende aangetroffen:
- 595 gram 2-Methylmethcathinone (2-MMC)
- 362 gram Cocaïne
- 1 liter Gamma-hydroxyboterzuur (GHB)
- airsoftwapen
- 95 gram hash
- groot aantal plastic gripzakjes ten behoeve van het verpakken naar handelshoeveelheden
- groot aantal wikkels ten behoeve van het verpakken van Cocaïne
- jerrycan 5 liter aceton
- diverse weegschalen met witte poederresten
- diverse vacumeermachines en zakken
- blenders/vermalers met witte poederresten
- diverse chemicaliën ten behoeve van de productie van GHB.
De genoemde drugs zijn indicatief getest. Verzoeker en verdachte 2 waren in de woning aanwezig en werden als verdachten aangehouden. Verzoeker is verslaafd aan GHB en leeft van een uitkering. Hij heeft verklaard dat hij zijn woning al enkele maanden ter beschikking stelt aan verdachte 2 tegen een kleine vergoeding, zodat hij zijn verdovende middelen kan opslaan, verpakken en verhandelen.
3.2.
De burgemeester heeft bij brieven van 6 mei 2026 haar voornemen kenbaar gemaakt aan verzoeker en de woningstichting om de woning te sluiten voor de duur van drie maanden.
3.3.
Bij brief van 13 mei 2026 heeft verzoeker zijn zienswijze kenbaar gemaakt.
3.4.
Bij het bestreden besluit heeft de burgemeester verzoeker gelast om de woning per 2 juni 2026 te sluiten en afgesloten te houden voor een periode van drie maanden. De woning is op die datum gesloten.
Wat is het wettelijk kader?
4. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
5. Uit artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening kan treffen, indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.
5.1.
Als gevolg van het bestreden besluit is de door verzoeker gehuurde woning gesloten voor de duur van drie maanden. Gelet op de aard van de zaak en het in geding zijnde huisrecht [1] van verzoeker is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gebleken van een spoedeisend belang bij zijn verzoek om een voorlopige voorziening tot schorsing van het bestreden besluit.
Welke gronden heeft verzoeker aangevoerd?
6. Verzoeker heeft aangevoerd dat de burgemeester ten onrechte heeft besloten tot sluiting van de woning. Daartoe heeft verzoeker gesteld dat de sluiting van de woning niet geschikt is, niet noodzakelijk en niet evenwichtig. De sluiting van de woning is in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Tevens is het bestreden besluit volgens verzoeker onvoldoende gemotiveerd.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
7. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft in de uitspraak van 16 juli 2025 [2] de uitgangspunten weergegeven waar zij van uitgaat bij de beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. In navolging van de uitspraak van 2 februari 2022 [3] over de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel gaat de ABRvS daarbij ook in op het karakter van deze bevoegdheid en de intensiteit waarmee de bestuursrechter dergelijke besluiten toetst.
7.1.
De voorzieningenrechter beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van de uitgangspunten in voornoemde rechtspraak.
Is de burgemeester bevoegd om de woning te sluiten?
8. De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang als in een woning een middel als bedoeld in lijst I, IA of II, behorend bij de Opiumwet (harddrugs of softdrugs), wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Doorgaans houdt de last in dat de woning voor een bepaalde periode wordt gesloten.
8.1.
De burgemeester kan artikel 13b van de Opiumwet toepassen als er in of vanuit een woning in drugs wordt gehandeld (verkopen, afleveren, verstrekken) of als drugs met het oog op die handel in de woning aanwezig zijn. Als uitgangspunt kan worden aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 g harddrugs, 5,0 g softdrugs of vijf (hennep)planten (het door het openbaar ministerie gehanteerde criterium voor eigen gebruik) de aangetroffen hoeveelheid drugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking.
8.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat in de woning 595 gram 2-MMC, 362 gram cocaïne, 1 liter GHB en 95 gram hash (middelen in lijst I, IA en II) zijn aangetroffen. Daarmee wordt de toegestane hoeveelheid ruim overschreden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarom sprake van de situatie dat de aangetroffen hoeveelheid drugs voor verkoop, verstrekking of aflevering aanwezig was. De burgemeester was dan ook bevoegd om tot sluiting van de woning over te gaan. Verzoeker heeft de bevoegdheid van de burgemeester niet betwist.
Mag de burgemeester zijn bevoegdheid toepassen?
9. De bevoegdheid tot het toepassen van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is een discretionaire bevoegdheid. De burgemeester heeft hiervoor beleid geformuleerd en vastgesteld in de Beleidsregels handhaving op artikel 13b Opiumwet in de gemeente Zundert 2022 (Beleidsregels) [4] . De voorzieningenrechter constateert dat het bestreden besluit conform de Beleidsregels is. De Beleidsregels schrijven namelijk een sluiting voor de duur van drie maanden voor bij een eerste constatering van een handelshoeveelheid harddrugs in een woning.
Is sluiting van de woning een geschikt en noodzakelijk middel?
10. Verzoeker meent dat sluiting van de woning niet geschikt en noodzakelijk is. Voor zover de burgemeester beoogt herhaling te voorkomen, valt niet in te zien waarom een woningsluiting effectiever zou zijn dan de reeds ingezette zorg- en begeleidingsmaatregelen. Ook is niet onderzocht of kon worden volstaan met minder ingrijpende maatregelen.
10.1.
Volgens de burgemeester is de sluiting van de woning een geschikt middel om het doel te bereiken dat zij voor ogen heeft, namelijk herhaling van de aanwezigheid van drugs en drugstransacties in de woning en overlast rondom de woning voorkomen, preventie en beheersing van de uit het drugsgebruik voortvloeiende risico’s voor de veiligheid en volksgezondheid, het voorkomen van nadelige effecten van de handel in en het gebruik van drugs op het openbare leven en het weghalen van de loop naar de woning. Daarnaast is een zichtbare sluiting voor drugscriminelen en buurtbewoners een duidelijk signaal dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit in de woning. Ook het tijdsverloop tussen de constateringen en het bestreden besluit is niet dermate lang dat dit afbreuk kan doen aan de geschiktheid en noodzaak van de sluiting.
10.2.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sluiting van de woning in beginsel een geschikt middel om het doel te bereiken dat de burgemeester voor ogen heeft. Rekening houdend met het moment van ontvangst van de bestuurlijke rapportage van 20 maart 2026, het versturen van een voornemen tot sluiting (6 mei 2026) en gelegenheid tot het indienen van een zienswijze daartegen (ontvangen op 13 mei 2026), is het tijdsverloop in dit geval niet dusdanig lang dat het doel dat de burgemeester voor ogen heeft niet meer kan worden bereikt.
10.3.
De voorzieningenrechter overweegt dat in het bestreden besluit is verwezen naar de informatie in de bestuurlijke rapportage. Vast staat dat op 14 januari 2026 sprake was van een ernstig drugsincident, gezien de grote hoeveelheid aangetroffen drugs. Verzoeker heeft verklaard dat hij zijn woning als opslagplaats beschikbaar heeft gesteld onder druk van verdachte 2. Volgens de rapportage zou er toeloop zijn geweest naar de woning van verzoeker. Niet duidelijk wordt echter wie, wanneer (dag en tijdstip) en met welk doel de trap naar de bovenwoning is opgelopen en evenmin of en wanneer er spullen zijn verplaatst. Met de enkele vermelding dat de politie heeft waargenomen dat verdachte 2 de woning van verzoeker regelmatig betrad, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk geworden dat sprake was van een loop naar de woning door drugsgebruikers of ten behoeve van drugstransacties. De vermelding in de rapportage dat door een anonieme getuige zou zijn gezien dat er meerdere overdrachten van verdovende middelen plaatsvonden, is kennelijk niet nader onderzocht en is evenmin onderbouwd. Van een aanwijzing dat de drugshandel vanuit de woning plaats heeft gevonden, is dus (vooralsnog) geen sprake. Het standpunt van de burgemeester in het verweerschrift dat de woning gelegen is in een kwetsbare buurt en dat er voor de inval in januari 2026 door buurtbewoners (anonieme) meldingen over overlast zijn ingediend, dat de woning bekend staat als locatie waar drugshandel plaatsvindt en dat dit blijkt uit de waarnemingen van de politie, is niet aannemelijk gemaakt noch onderbouwd.
10.4.
De voorzieningenrechter maakt daarnaast uit de thans in het dossier aanwezige stukken niet op dat na het constateren en beëindigen van de overtreding op 14 januari 2026 iets relevants is voorgevallen op grond waarvan moet worden vastgesteld dat de negatieve effecten van de overtreding (nog) niet ongedaan zijn gemaakt. De burgemeester heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt noch onderbouwd dat na 14 januari 2026 nog sprake is geweest van loop naar de woning of merkbare overlast, waaronder openbare ordeverstoringen vanuit of rond de woning. Ter zitting is gesproken over een enkele vechtpartij op straat, waarvan verzoeker betwist dat hij de veroorzaker was. De woningstichting heeft ter zitting verklaard dat uit een na de inval door haar gehouden buurtonderzoek gebleken zou zijn dat er meerdere kwetsbare bewoners en probleemgevallen in de straat wonen. Buiten een melding over de vechtpartij, zijn echter geen meldingen van overlast door verzoeker ontvangen.
10.5.
Gezien het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat rondom de woning en het herstel van de openbare orde en waarom niet met een minder ingrijpend middel dan sluiting kon worden volstaan.
Is sluiting van de woning evenwichtig?
11. Als sluiting van de woning al noodzakelijk wordt geacht, betekent dit nog niet dat de burgemeester hiertoe steeds mag overgaan. Daarvoor moet zij zich ervan vergewissen dat de sluiting in de gegeven omstandigheden ook evenwichtig is.
11.1.
Verzoeker voert aan dat de evenwichtigheid ontbreekt, omdat de gevolgen voor hem bijzonder zwaar zijn. Niet alleen dreigt hij zijn woning te verliezen, wat een schending is van zijn huisrecht op grond van artikel 8 EVRM Pro, maar tevens wordt het fundament onder zijn herstelproces weggenomen. Hij kampt al jarenlang met verslavingsproblematiek, die heeft geleid tot beperkingen in zijn zelfredzaamheid, zijn beoordelingsvermogen en het vermogen om de gevolgen van zijn handelen adequaat te overzien. Zijn woning biedt hem de noodzakelijke stabiliteit en zekerheid van hulpverlening. Hij verwijst daartoe naar de verklaring van zijn ambulant begeleider. Het risico op herhaling wordt juist beperkt door zorg, behandeling en toezicht. Verlies van de woning vergroot de kans op terugval en maatschappelijke ontwrichting. Op de overheid rust, naast de bescherming van de openbare orde, de verantwoordelijkheid om zorgvuldig om te gaan met kwetsbare burgers.
11.2.
De burgemeester is in het bestreden besluit en haar verweerschrift ten aanzien van de evenwichtigheid ingegaan op de verwijtbaarheid van verzoeker, op het ontbreken van een bijzondere binding met de woning en op de mogelijke ontbinding van de huurovereenkomst door de woningstichting. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat de burgemeester de kwetsbaarheid van verzoeker onvoldoende heeft meegewogen. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat verzoeker bij de politie bekend staat als kwetsbaar persoon, die verslaafd is aan GHB en een uitkering geniet. Ook is bij de burgemeester bekend dat verzoeker contact heeft met team bemoeizorg van Novadic-Kentron en dat hij vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) ambulante begeleiding heeft. De begeleider van verzoeker heeft ter zitting verklaard dat de ambulante zorg stopt zodra verzoeker geen vast woonadres meer heeft. Daar komt bij dat verzoeker weliswaar sinds de sluiting van zijn woning bij zijn moeder heeft verbleven, maar dat dit geen houdbare situatie is, gelet op de door verzoeker ter zitting gegeven verklaring over de medische situatie van zijn moeder. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te twijfelen aan deze verklaring. Gezien deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de woningsluiting in dit geval niet onevenwichtig is.

Conclusie en gevolgen

12. De voorzieningenrechter concludeert dat de burgemeester bevoegd is om tot sluiting van de woning over te gaan. Het bestreden besluit is echter ten aanzien van de noodzaak en de evenwichtigheid onvoldoende gemotiveerd. Hieruit volgt dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek toe en schorst het bestreden besluit tot twee weken na de door de burgemeester te nemen beslissing op bezwaar. Dat betekent dat de burgemeester verzoeker weer moet toelaten in zijn woning.
12.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet de burgemeester het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Ook krijgt hij een vergoeding van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde geldt een vast bedrag per proceshandeling met een waarde van € 934,- per proceshandeling. Omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen, leidt dit tot een totaal van € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit tot twee weken na de door de burgemeester te nemen
beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat de burgemeester aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van
€ 200,- dient te vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage

Opiumwet
Artikel 13b, eerste lid
1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, artikel 10c, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.
Cocaïne en GHB staan in lijst I, hash in lijst II en 2-MMC in lijst IA van de Opiumwet.
Beleidsregels handhaving op artikel 13b Opiumwet in de gemeente Zundert 2022
3.3.
Drugshandel in of vanuit woningen
De burgemeester verstaat in het kader van de bestuurlijke handhaving van de Opiumwet onder een woning: een pand dat (of ruimte die) in de aangetroffen staat op een normale wijze voor bewoning kan worden gebruikt en dat/die daarvoor ook mag worden gebruikt (woongenot). Of een woning wordt gebruikt als woonruimte en er dan ook sprake is van het hebben van woongenot, blijkt uit de feitelijke constatering ter plaatse, zoals dat veelal wordt verwoord in het rapport van bevindingen van de politie. Wat betreft het sluiten van woningen moet rekening worden gehouden met artikel 8 van Pro het EVRM.
Tekst artikel 8 EVRM Pro:
1.
Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2.
Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale vrijheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Uit artikel 8 EVRM Pro volgt dat de toepassing van de bestuursdwang op basis van artikel 13b Opiumwet niet er toe mag leiden dat het recht op respect voor het privéleven, het familie- en gezinsleven en de woning onevenredig wordt aangetast. De in het algemeen belang nagestreefde doeleinden, voor zover die onder het bereik van het tweede lid van artikel 8 van Pro het EVRM vallen, moeten worden afgewogen tegen de belangen als bedoeld in het eerste lid. Deze taak is op de eerste plaats aan de burgemeester. Gelet op deze afweging is voor de drugshandel in of vanuit woningen een afzonderlijke handhavingmatrix vastgesteld waarin recht wordt gedaan aan hetgeen is bepaald aan artikel 8 van Pro het EVRM. Zoals in de inleiding bij 3.1 is aangegeven wordt in onderstaande matrix onderscheid gemaakt naar hard- en softdrugs.
Harddrugs
Bij overtreding artikel 2 Opiumwet Pro jo artikel 13b Opiumwet lid 1 (handel in harddrugs) in of vanuit een woning of daarbij behorende erven wordt als volgt gehandeld:
1e constatering
Sluiting voor een periode van 3 maanden
2e constatering
Sluiting voor een periode van 6 maanden
3e constatering
Sluiting voor onbepaalde tijd
Van deze overtreding is in ieder geval (het betreft dus geen limitatieve opsomming) sprake in de volgende gevallen:
-Verkoop van harddrugs door eigenaar/huurder/bewoner;
-Aanwezigheid van harddrugs in de woning in een handelshoeveelheid (> 0,5 gram harddrugs / voor GHB > 5 ml).
Softdrugs
Bij overtreding artikel 3 Opiumwet Pro jo artikel 13b Opiumwet lid 1 (handel in softdrugs) in of vanuit een woning of daarbij horende erven wordt als volgt gehandeld:
1e constatering
Sluiting voor een periode van 3 maanden
2e constatering
Sluiting voor 6 maanden
3e constatering
Sluiting voor 12 maanden
Van deze overtreding is in ieder geval sprake (het betreft dus geen limitatieve opsomming) in de volgende gevallen:
• Verkoop van softdrugs door eigenaar/huurder/bewoner;
• Aanwezigheid van softdrugs in de woning in een handelshoeveelheid (> 5 gram softdrugs);
• Aanwezigheid van een bedrijfsmatige hennepkwekerij (> 5 hennepplanten).
(…)

5. Afwijkingsbevoegdheid

In beginsel wordt er overeenkomstig de bovenstaande beleidsregel besloten waarbij de getrapte sanctionering in de matrixen is weergegeven. Er kunnen zich echter situaties voordoen die dermate ernstig zijn dat van de matrix afgeweken moet kunnen worden.
Ook indien niet dezelfde overtreding voor de tweede of derde keer is begaan, maar een overtreding uit een andere (matrix) categorie kan er aanleiding zijn van de matrix af te wijken. Van het in de matrix vervatte arrangement kan door de burgemeester dan ook gemotiveerd worden afgeweken. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat bij zeer ernstige overtredingen een stap wordt overgeslagen of voor een langere periode wordt gesloten.

Voetnoten

1.Artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
4.Gemeenteblad 2022, nr. 286345.