ECLI:NL:RBZWB:2026:5703

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
C/02/447642 / JE RK 26-744
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Hendriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging en gebrekkige oudercommunicatie

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 29 mei 2026 besloten de ondertoezichtstelling van een minderjarige te verlengen voor de duur van een jaar, van 4 juni 2026 tot 4 juni 2027. De minderjarige is sinds 4 juni 2024 onder toezicht gesteld vanwege ernstige bedreiging van zijn ontwikkeling. De maatregel was eerder al verlengd tot 4 juni 2026.

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit en er is een zorgregeling vastgesteld. De omgang tussen vader en minderjarige is stapsgewijs opgebouwd, maar de communicatie tussen de ouders verloopt moeizaam, wat spanningen veroorzaakt die de ontwikkeling van de minderjarige negatief beïnvloeden. Beide ouders maken zich zorgen over het gedrag van de minderjarige.

De gecertificeerde instelling (GI) verzoekt verlenging van de ondertoezichtstelling om verdere begeleiding te bieden, met name via een ouderschapsbemiddelingstraject (OSB-traject) dat een jaar zal duren. De ouders stemmen in met het verzoek, hoewel de vader twijfels uit over de medewerking van de moeder.

De kinderrechter oordeelt dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende resultaat heeft gehad en dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk blijft om de ouders te begeleiden naar zelfstandige opvoeding. De GI blijft regie voeren, met als doelen het verbeteren van de communicatie, het regelen van overdrachtsmomenten en het bespreken van gedragszorgen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd voor de duur van een jaar vanwege ernstige bedreiging van zijn ontwikkeling en gebrekkige oudercommunicatie.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/447642 / JE RK 26-744
Datum uitspraak: 29 mei 2026
Beschikking verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),
betreffende
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2022 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat: mr. F.C.M. Maat-Oldenhof te 's-Heer Arendskerke,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [plaats 2] ,
advocaat: mr. J.L.J. de Vos te Goes.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de GI van 23 april 2026 met bijlagen, ontvangen op 23 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- mr. Maat-Oldenhof, namens de moeder;
- een vertegenwoordigster van de GI.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist en tijdig is opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 4 juni 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, met ingang van 4 juni 2024 en tot 4 juni 2025. Deze maatregel is vervolgens verlengd bij beschikking van 23 mei 2025, met ingang van 4 juni 2025 en tot 4 juni 2026.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 3 september 2025 is een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] bepaald, inhoudende:
- dat [minderjarige] in de even week van vrijdag 9:00 uur tot maandag 18:15 uur in de
oneven week bij de vader verblijft;
- dat [minderjarige] in de even week op maandag van 9:00 tot 18:15 uur bij de vader
verblijft;
- dat [minderjarige] in de oneven week op vrijdag van 9:00 tot 18:15 uur bij de vader
verblijft.
- dat deze omgangsregeling in de komende periode onder regie van de GI op
onderstaande wijze wordt opgebouwd:
  • Eerste uitbreiding: vrijdag 9.00 uur tot zaterdag 9.00 uur. Maandag van 9.00 uur tot 18.15 uur;
  • Tweede uitbreiding: vrijdag 9.00 uur tot zaterdag 18.15 uur. Maandag van 9.00 uur tot 18.15 uur;
  • Derde uitbreiding: vrijdag 9.00 uur tot maandag 18.15 uur.
2.5.
Bij beschikking van deze rechtbank van 11 februari 2026 is bepaald dat de ouders voortaan gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uitoefenen en is de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder bepaald. Daarnaast is bepaald dat er een zorgregeling geldt tussen de vader en [minderjarige] op basis waarvan zij contact met elkaar hebben op alle maandagen vanaf 9.00 uur tot 18.15 uur en op alle vrijdagen van 9.00 uur tot 18.15 uur, alsmede één keer in de veertien dagen een weekend van vrijdag 9.00 uur tot maandag 18.15 uur, alsmede vanaf de kerstvakantie 2026/2027 tijdens de schoolvakanties en feestdagen, zoals is opgenomen in rechtsoverweging 2.12 van deze beschikking.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing naar de overgelegde stukken. Het contact tussen [minderjarige] en de vader is de afgelopen tijd stapsgewijs opgebouwd. Vervolgens is de vader in februari 2026 mede met het gezag over [minderjarige] belast en is er een zorgregeling bepaald. Er is nu nog één doel waar in het gedwongen kader aan moet worden gewerkt, te weten het verbeteren van de oudercommunicatie en het maken van afspraken. Daar dient een ouderschapsbemiddelingstraject (hierna: OSB-traject) voor te worden ingezet. Inmiddels heeft hier een intake voor plaatsgevonden. Beide ouders zijn akkoord met het traject, dat één jaar duurt. Tot slot merkt de GI op dat de ouders zich continu tot de GI blijven wenden als zij ergens tegenaan lopen in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] , terwijl zij daar waar mogelijk zelf oplossingen voor dienen te vinden. Anders kan er nooit worden toegewerkt naar een afronding van de ondertoezichtstelling. De GI zal wel kijken of er ondersteuning kan worden geboden bij de overdrachtsmomenten van [minderjarige] , maar kan hierin niks beloven.
4.2.
De vader stemt in met het verzoek. Hij hoopt dat de moeder zich gaat inzetten voor het OSB-traject. Daar heeft hij echter weinig vertrouwen in, omdat de moeder zich volgens de vader niet erg meewerkend opstelt ten aanzien van het gezamenlijk gezag. Ook verlopen de overdrachtsmomenten nog steeds erg moeizaam en daar heeft [minderjarige] last van. Zo wil de moeder per se dat de opa en oma vaderszijde hierbij aanwezig zijn, terwijl dit niet door de rechtbank is bepaald. De opa en oma kunnen hierin niet meer voorzien. De vader wil dan ook graag dat de GI de ouders hierin meer ondersteunt. De rechtbank heeft immers bij beschikking van februari 2026 bepaald dat de regie ten aanzien van de invulling van de overdrachtsmomenten bij de GI ligt. De vader is tot slot van mening dat de GI zijn zorgen over het gedrag van [minderjarige] (ook) onvoldoende worden oppakt.
4.3.
Namens de moeder wordt ingestemd met het verzoek. De ouders hebben de afgelopen tijd al veel stappen gezet, maar zij zijn er nog niet. De communicatie van de ouders moet worden verbeterd en beide ouders hebben nog steeds hun kwetsbaarheden. Voor de moeder betekent dit dat zij nog steeds veel spanning ervaart tijdens de overdrachtsmomenten. De moeder begrijpt dat de opa en oma vaderszijde de overdrachten niet oneindig kunnen begeleiden. Hier moet een oplossing voor worden gevonden. Het is dan ook heel belangrijk dat het OSB-traject wordt ingezet. De moeder ziet de noodzaak van dit traject in en gaat zich hiervoor inzetten. Verder heeft de moeder ook zorgen over het gedrag van [minderjarige] . De moeder wil tot slot graag dat de bij haar betrokken hulpverlening vanuit [hulpverlening 1] betrokken blijft en niet wordt vervangen door de hulpverlening vanuit [hulpverlening 2] .

5.De beoordeling

Het juridisch kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
De inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de bovengenoemde voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Daarom zal de kinderrechter het verzoek van de GI toewijzen en de ondertoezichtstelling van de minderjarige [minderjarige] verlengen voor de verzochte duur van een jaar, met ingang van 4 juni 2026 en tot 4 juni 2027. De kinderrechter legt hieronder uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.4.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is het de kinderrechter gebleken dat [minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Er zijn nog steeds ernstige zorgen over [minderjarige] en zijn ontwikkeling, omdat de dynamiek tussen de ouders en hun onderlinge wantrouwen leidt tot spanningen in de opvoedingsomgevingen van beide ouders. [minderjarige] heeft daar last van. Hij lijkt in een loyaliteitsconflict te verkeren. Beide ouders maken zich ook zorgen over het gedrag dat [minderjarige] laat zien.
5.5.
De kinderrechter is verder van oordeel dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] op dit moment niet of onvoldoende kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Daartoe overweegt de kinderrechter dat de ouders onvoldoende met elkaar communiceren en dat het traject Parallel Solo Ouderschap vanuit [hulpverlening 1] onvoldoende resultaat heeft gehad. Er wordt nu op korte termijn een OSB-traject voor de ouders opgestart. Het is van groot belang voor [minderjarige] dat beide ouders zich hiervoor inzetten. Dit traject zal een jaar duren. Voor de komende tijd is het dus belangrijk dat de GI de regie blijft voeren. Daarbij merkt de kinderrechter op dat de ondertoezichtstelling is bedoeld om de ouders te begeleiden naar het op termijn weer zelf invulling geven aan de opvoeding en verzorging van [minderjarige] . De GI ondersteunt de ouders daarbij, maar het is niet de taak van de GI om alles voor de ouders op te lossen of te regelen. De ouders hebben nu nog de hulp en regie van de GI nodig, maar zullen dit uiteindelijk samen moeten doen. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de duur van een jaar, omdat de hulp en de regie van de GI nu nog nodig is. Hierbij merkt de kinderrechter nog op dat het aan de GI is om te bepalen welke hulpverlening er zal worden ingezet.
5.6.
Tot slot bepaalt de kinderrechter dat de komende tijd moet worden gewerkt aan de volgende doelen:
  • Het verbeteren van de communicatie tussen de ouders en het maken van afspraken (met de inzet van het OSB-traject), zodat de ouders de verzorging en opvoeding van [minderjarige] uiteindelijk weer zelf kunnen vormgeven;
  • Het vinden van een oplossing voor de overdrachtsmomenten van [minderjarige] tussen de ouders, waarbij de GI de regie voert, zoals is bepaald in de beschikking van de rechtbank van 11 februari 2026, onder r.o. 2.11;
  • Het bespreken van de zorgen die beide ouders hebben over het gedrag van [minderjarige] en bezien of hier nadere hulpverlening voor moet worden ingezet.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar, met ingang van 4 juni 2026 en tot 4 juni 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026 door mr. Hendriks, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Haas als griffier, en op schrift gesteld op 15 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.