ECLI:NL:RBZWB:2026:5701

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
C/02/438887 / FA RK 25-4246
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Dijkman
  • Verschoor-Bergsma
  • Van der Pols
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 BWArt. 1:247 lid 2 BWArt. 1:276 lid 1 BWArt. 8 EVRMArt. 2 Besluit Gezagsregisters
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag vader en benoeming voogd voor minderjarige

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 29 mei 2026 uitspraak gedaan in een zaak betreffende de beëindiging van het ouderlijk gezag van de vader over een minderjarige geboren in 2010. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om het gezag van de vader te beëindigen en de voogdij toe te wijzen aan de gecertificeerde instelling (GI). Tevens verzocht de GI om verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing.

De minderjarige groeit op in een situatie waarin haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. Zij is slachtoffer en getuige geweest van huiselijk geweld, heeft veel verlieservaringen en wisselde vaak van verblijfplaats. De vader is sinds 2024 niet meer betrokken bij haar verzorging en opvoeding en weigert praktische zaken te regelen. De moeder is niet in staat het gezag uit te oefenen en het contact tussen haar en de minderjarige verloopt moeizaam.

De rechtbank oordeelt dat het gezag van de vader beëindigd moet worden omdat hij niet in staat is zijn verantwoordelijkheid te dragen binnen een aanvaardbare termijn en het gezag schadelijk is voor de ontwikkeling van de minderjarige. De GI wordt benoemd tot voogd om de noodzakelijke hulpverlening te kunnen voortzetten. De verzoeken tot verlenging van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing worden afgewezen omdat de juridische situatie nu wordt aangepast aan de feitelijke situatie.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de griffier wordt verzocht de wijziging in het gezagsregister aan te brengen. De vader is veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording over het bewind over het vermogen van de minderjarige.

Uitkomst: Het ouderlijk gezag van de vader wordt beëindigd en de gecertificeerde instelling wordt benoemd tot voogd over de minderjarige.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummers:
  • C/02/438887 / FA RK 25-4246
  • C/02/446431 / JE RK 26-512
machtiging uithuisplaatsing)
Datum uitspraak: 29 mei 2026
(Nadere) Beschikking van de meervoudige kamer betreffende een gezagsbeëindiging en betreffende een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing
ten aanzien van C/02/438887 / FA RK 25-4246 op het verzoek van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
ten aanzien van C/02/446431 / JE RK 26-512 op het verzoek van
STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,gevestigd te Eindhoven, hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).
betreffende de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2010 te [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
Als belanghebbende in de beide zaken wordt aangemerkt:
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats] .
Als informant in de zaak met kenmerk C/02/446431 / JE RK 26-512 wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
Met betrekking tot de zaak met kenmerk C/02/438887 / FA RK 25-4246
- het op 14 augustus 2025 ingekomen verzoek tot gezagsbeëindiging, met bijlagen;
- de op 14 augustus 2025 ingekomen schriftelijke bereidverklaring van de GI van 29 juli 2025.
Met betrekking tot de zaak met kenmerk C/02/446431 / JE RK 26-512
- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 1 mei 2026 en alle daarin opgenomen en vermelde stukken.
1.2
De verzoeken zijn gelijktijdig mondeling behandeld op de zitting van 1 mei 2026. Daarbij zijn verschenen een vertegenwoordigster van de Raad en twee vertegenwoordigsters van de GI. Alhoewel correct en tijdig opgeroepen zijn de vader en de moeder niet verschenen.
1.3
De rechtbank heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. Zij heeft hierover een gesprek gevoerd met de rechtbank. Tijdens de zitting heeft de rechtbank samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2
Bij beschikking van 6 mei 2021 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 6 mei 2021 en tot 6 mei 2022. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij tussenbeschikking van 1 mei 2026, met ingang van 6 mei 2026 en tot 6 juli 2026, onder aanhouding van het restant.
2.3
Bij beschikking van 18 januari 2024 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten bij mevrouw [persoon 1] (en haar gezin), verleend, met ingang van 18 januari 2024 en tot 1 februari 2024, onder aanhouding van het restant.
2.4
Bij beschikking van 30 januari 2024 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten bij mevrouw [persoon 1] (en haar gezin), verleend, met ingang van 30 januari 2024 en tot 6 mei 2024. Het resterende deel van het spoedverzoek tot machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin is om die reden afgewezen. De machtiging is bij beschikking van 19 april 2024 verlengd met ingang van 6 mei 2024 en tot 6 mei 2025.
2.5
Bij beschikking van 4 september 2024 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend, met ingang van 4 september 2024 en tot 18 september 2024, onder aanhouding van het restant.
2.6
Bij beschikking van 16 september 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd, met ingang van 18 september 2024 en tot 6 januari 2025, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Het resterende deel van het spoedverzoek tot machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder is om die reden afgewezen.
2.7
Bij beschikking van 10 december 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 6 januari 2025 en tot 6 mei 2025. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij tussenbeschikking van 1 mei 2026, met ingang van 6 mei 2026 en tot 6 juli 2026, onder aanhouding van het restant.
2.8
Op grond van de laatstgenoemde beschikking verblijft [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

3.De (aangehouden) verzoeken

Met betrekking tot de zaak met kenmerk C/02/438887 / FA RK 25-4246
3.1
De Raad verzoekt het ouderlijk gezag van de vader over de minderjarige [minderjarige] te beëindigen en adviseert de GI te belasten met de voogdij over [minderjarige] . Daarbij verzoekt de Raad de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Met betrekking tot de zaak met kenmerk C/02/446431 / JE RK 26-512
3.2
De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.3
Bij beschikking van 1 mei 2026 zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd met ingang van 6 mei 2026 tot en met 6 juli 2026. Thans ligt dus nog ter beoordeling voor het verlengen van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de resterende duur, met ingang van 6 juli 2026 en tot 6 mei 2027.
3.4
Nu de beslissing op dit verzoek afhankelijk is van de beslissing op het verzoek tot gezagsbeëindiging zal de rechtbank eerst hierop ingaan.

4.De standpunten

4.1
[minderjarige] heeft in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat zij het begrijpt als het gezag van haar vader over haar wordt beëindigd. Haar vader neemt namelijk al lange tijd geen beslissingen over haar en weigert praktische zaken voor haar te regelen, zoals het openen van een bankrekening. Daardoor kan [minderjarige] nu geen baantje hebben, terwijl zij dat wel heel graag wil. [minderjarige] heeft ook al lange tijd geen contact meer met haar vader gehad. Daar zou zij wel voor openstaan, als haar vader normaal tegen haar kan doen. Wie er wel met het gezag over haar moet worden belast, weet [minderjarige] niet. Het lijkt haar geen goed idee als haar moeder het gezag over haar gaat uitoefenen, want de moeder en [minderjarige] botsen veel te veel. Daarom kan [minderjarige] ook niet bij haar moeder gaan wonen. Zij vindt het wel fijn om (weer) contact met haar moeder te hebben, ook al gaat het op en af, en haar moeder en zusje te zien. Tot slot vertelt [minderjarige] dat zij niet zo’n goede klik heeft met haar jeugdbeschermer. Zij vindt het niet fijn om zaken met de jeugdbeschermer te bespreken en loopt weg uit deze gesprekken, omdat zij er niet tegen kan.
4.2
De Raad handhaaft het verzoek tot gezagsbeëindiging en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het raadsrapport. Daaruit blijkt, kort samengevat, dat er nog steeds sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] . Zij heeft in haar nog jonge leven al veel verlieservaringen meegemaakt en is getuige en slachtoffer geweest van huiselijk geweld. Ook is [minderjarige] al vaak van verblijfplaats gewisseld. Daardoor heeft zij nog geen blijvend stabiele opvoedomgeving of perspectief ervaren en heeft zij nog niet kunnen werken aan haar hechtings- en loyaliteitsproblematiek. De voor [minderjarige] benodigde hulpverlening kan bovendien niet worden ingezet, stagneert of vertraagt, doordat de vader het contact met [minderjarige] en de instanties in 2024 heeft verbroken en hij sindsdien geen invulling meer geeft en wenst te geven aan zijn gezag. De vader is daardoor niet in staat om de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging van [minderjarige] binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn te dragen. De moeder is daar evenmin toe in staat. Haar gezag over [minderjarige] is in 2016 beëindigd. Het voortzetten van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing is derhalve niet meer passend nu er geen zicht is op een terug-thuisplaatsing van [minderjarige] bij haar vader. De Raad vindt het dan ook noodzakelijk om de juridische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke opvoedingssituatie van [minderjarige] , met als doel om daarmee rust te verkrijgen voor alle betrokkenen. De GI dient daarom met de voogdij over [minderjarige] te worden belast. Zo kan de benodigde hulpverlening worden ingezet en afgerond. De Raad benoemt tot slot dat het patroon van aantrekken en afstoten van [minderjarige] ook zichtbaar is in haar relatie met de jeugdbeschermer. Gelukkig zit daar nu een begeleider van het jeugdhuis tussen, met wie [minderjarige] wel een goede klik heeft.
4.3
De vader is niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd.
4.4
De GI sluit zich aan bij het verzoek van de Raad.

5.De beoordeling

Met betrekking tot de zaak met kenmerk C/02/438887 / FA RK 25-4246
5.1
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247 lid 2 BW Pro, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
5.2
Verder bepaalt artikel 8 lid 1 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) dat een ieder recht heeft op respect voor, onder andere, zijn familie- en gezinsleven. Een gezagsbeëindiging vormt onmiskenbaar een inbreuk op dit recht. Een dergelijke inmenging vanuit de overheid is volgens artikel 8 lid 2 EVRM Pro daarom alleen gerechtvaardigd als deze bij de wet is voorzien (in deze zaak: artikel 1:266 BW Pro). Daarnaast dient ingevolge dit artikel de beëindiging van het gezag van de ouder(s) in het belang van de minderjarige noodzakelijk te zijn. Iedere kinderbeschermingsmaatregel is in principe tijdelijk en moet als doel hebben om het kind weer terug naar thuis te laten keren. De overheid moet hulpverlening of andere ondersteuning inzetten die ervoor kan zorgen dat een kind weer terug naar huis kan en met het gezin wordt herenigd. De mogelijkheid van terugplaatsing moet serieus zijn overwogen en de ouders moeten in voldoende mate in het besluitvormingsproces zijn betrokken. Voor het beëindigen van het gezag is vereist dat de rechter een afweging maakt tussen de belangen van het kind en die van zijn ouder(s). Er kan echter slechts sprake zijn van beëindiging van het ouderlijk gezag wanneer de instandhouding van het gezag van het kind schadelijk is voor de gezondheid en ontwikkeling van het kind (vgl. onder meer ECLI:NL:GHSHE:2025:1987 en ECLI:NL:GHSHE:2025:860). Dit uitgangspunt brengt tevens mee dat het nagestreefde doel niet met een lichtere maatregel kan worden bereikt. Dit wordt ook wel het subsidiariteitsbeginsel genoemd. Tot slot moet er een redelijke verhouding bestaan tussen de inmenging en het daarmee beoogde doel. Dit wordt ook wel het proportionaliteitsbeginsel genoemd.
5.3
Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling is het de rechtbank gebleken dat [minderjarige] zodanig opgroeit dat zij ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd en dat de vader niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn. Ook is voldaan aan de vereisten die artikel 8 EVRM Pro stelt aan een gezagsbeëindiging. Naar het oordeel van de rechtbank wordt de ontwikkeling van [minderjarige] namelijk geschaad als de vader zijn gezag behoudt. De rechtbank zal uitleggen waarom zij tot dit oordeel komt.
5.4
Op basis van de overgelegde stukken en hetgeen is besproken ter zitting is het de rechtbank gebleken dat [minderjarige] reeds langdurig en ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] is een kwetsbaar meisje met forse problematiek. Zij is getuige en slachtoffer geweest van huiselijk geweld en heeft in haar jonge leven al veel verlieservaringen meegemaakt. Zo is [minderjarige] recent nog het contact met haar ex-stiefmoeder [persoon 2] , die voorheen een stabiel hechtingsfiguur voor haar was, verloren. Ook is [minderjarige] al ontzettend vaak van verblijfplaats gewisseld. Daardoor heeft zij nog geen blijvend stabiele opvoedomgeving of perspectief ervaren en heeft zij nog niet kunnen werken aan haar hechtings- en loyaliteitsproblematiek. Er vindt verder al lange tijd, sinds 2024, geen contact meer plaats tussen [minderjarige] en haar vader. Het contact tussen [minderjarige] en de moeder is sinds enige tijd weer opgestart en verloopt wisselend. De moeder en [minderjarige] botsen nog steeds veel en er blijft sprake van een patroon van aantrekken en afstoten tussen hen. Gelet op al het voorgaande is de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] nog onverminderd aanwezig.
5.5
Het is de rechtbank daarnaast gebleken dat de vader niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn. De vader is al sinds 2024 niet meer betrokken bij [minderjarige] en geeft sindsdien geen uitvoering meer aan zijn gezag over haar. Daardoor heeft hij geen zicht op de zorg- en opvoedbehoeften van [minderjarige] . De rechtbank overweegt in dat verband dat, naast dat er al lange tijd geen contact meer plaatsvindt tussen [minderjarige] en de vader, de vader ook al sinds 2024 het contact met de GI en de overige hulpverlenende instanties heeft verbroken. Daarbij heeft de vader steeds – inmiddels al twee jaar lang – aangegeven dat hij het gezag over [minderjarige] niet langer wenst uit te oefenen. De vader neemt ondertussen ook al lange tijd geen gezagsbeslissingen meer over [minderjarige] . Dit vindt de rechtbank een uiterst zorgelijke en onwenselijke situatie, niet in de laatste plaats omdat de voor [minderjarige] benodigde hulpverlening hierdoor niet kan worden ingezet, stagneert of vertraagt. Ook heeft [minderjarige] er veel last van dat haar vader met het gezag over haar is belast, maar hier geen uitvoering aan geeft. Zij zou bijvoorbeeld graag een baantje willen hebben, maar dat kan nu niet, omdat haar vader geen bankrekening voor haar opent. Het risico bestaat voorts dat hierdoor de benodigde gezagsbeslissingen over [minderjarige] niet in het vereiste tempo kunnen worden genomen, met alle gevolgen voor de ontwikkeling van [minderjarige] van dien. De instandhouding van het gezag van de vader acht de rechtbank dan ook niet in het belang van [minderjarige] en zelfs schadelijk voor haar verdere ontwikkeling. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank ook voldaan aan de eis die het EHRM aan de gezagsbeëindiging stelt. Er is bovendien geen zicht meer op een terug-thuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om deze situatie vanuit het vrijwillig kader voort te zetten, omdat de vader al lange tijd onbereikbaar is voor [minderjarige] , de GI en de overige hulpverlenende instanties en hij niet langer het gezag over [minderjarige] wenst uit te oefenen. Vanwege al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de aanvaardbare termijn van [minderjarige] – de termijn waarbinnen zij de huidige zorgelijke situatie kan verdragen – inmiddels is verstreken en de vader niet in staat wordt geacht om op korte termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen.
5.6
Al het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het verzoek tot beëindiging van het gezag van de vader over [minderjarige] dient te worden toegewezen. De vader is niet in de procedure verschenen en heeft hiertegen geen verweer gevoerd. De rechtbank hoopt dat deze beslissing [minderjarige] rust en duidelijkheid zal geven en ertoe zal leiden dat zij voortaan niet meer wordt gehinderd in haar eigen ontwikkelingstaken. Ook spreekt de rechtbank de hoop uit dat deze beslissing de vader de nodige rust en ruimte zal geven, waardoor er op termijn wellicht een vorm van contactherstel tussen [minderjarige] en de vader mogelijk wordt.
Voogdij
5.7
Omdat het gezag van de vader wordt beëindigd, moet er een voogd worden benoemd. Er moet namelijk iemand zijn die de belangrijke beslissingen over [minderjarige] kan nemen nu zij nog minderjarig is. De Raad heeft geadviseerd om de GI met de voogdij over [minderjarige] te belasten. De GI heeft verklaard daartoe bereid te zijn. De rechtbank vindt dit gezien het voorgaande het beste voor [minderjarige] . Het gezag van de moeder over [minderjarige] is reeds in 2016 beëindigd en de moeder is niet in staat gebleken om de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging van [minderjarige] alsnog te dragen. Daarom zal de rechtbank de GI met de voogdij over [minderjarige] belasten.
Rekening en verantwoording
5.8
Op grond van het bepaalde in artikel 1:276 lid 1 BW Pro wordt de ouder waarvan het gezag wordt beëindigd, er vanuit gaande dat hij het bewind voerde over het vermogen van de minderjarige, veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording daarover aan zijn opvolger in dit bewind.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.9
De beslissing zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard omdat het in het belang van [minderjarige] is dat de beslissing direct in werking zal treden, ongeacht een eventueel hoger beroep tegen de beslissing.
Gezagsregister
5.1
In verband met het bepaalde in artikel 2, aanhef en sub a, van het Besluit Gezagsregisters zal de rechtbank de griffier verzoeken een afschrift van deze beschikking te sturen aan het centraal gezagsregister om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezagssituatie.
Met betrekking tot de zaak met kenmerk C/02/446431 / JE RK 26-512
5.11
Nu het gezag van de vader zal worden beëindigd en de GI met de voogdij zal worden belast over [minderjarige] , zal het resterende deel van het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] worden afgewezen.

6.De beslissing

De rechtbank:
Met betrekking tot de zaak met kenmerk C/02/438887 / FA RK 25-4246
6.1
beëindigt het ouderlijk gezag van de vader:
[de vader] ,geboren op [geboortedag 2] 1986 te [geboorteplaats 2] ,
over de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2010 te [geboorteplaats 1] ;
6.2
benoemt tot voogd over voornoemde minderjarige, de Gecertificeerde Instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Eindhoven;
6.3
veroordeelt de vader tot het afleggen van rekening en verantwoording aan de GI over het gevoerde bewind;
6.4
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.5
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.
Met betrekking tot de zaak met kenmerk C/02/446431 / JE RK 26-512
6.6
wijst het verzoek van de GI voor het resterende deel af en beëindigt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] met ingang van de datum van deze beschikking.
Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, voorzitter tevens (kinder)rechter, mr. Verschoor-Bergsma en mr. Van der Pols (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026 in tegenwoordigheid van mr. R. de Haas, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.