ECLI:NL:RBZWB:2026:57

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
C/02/428894 FA RK 24-5389 en C/02/434953 FA RK 25-2266
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • mr. Bollen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenbeschikking echtscheiding en partneralimentatie met geschil over behoeftelijst en hofnorm

In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 5 januari 2026 uitspraak gedaan in een rekestprocedure betreffende de echtscheiding en partneralimentatie tussen een man en een vrouw, die op 1 december 2025 ter zitting zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De man en vrouw zijn op 1 januari 2001 in de gemeente Oosterhout met elkaar gehuwd en hebben twee meerderjarige kinderen. De man verzoekt om echtscheiding en afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, terwijl de vrouw ook echtscheiding verzoekt en een onderhoudsbijdrage van € 9.009 per maand. De rechtbank heeft vastgesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en heeft het verzoek tot echtscheiding toegewezen. Bij de beoordeling van de partneralimentatie heeft de rechtbank de behoefte van de vrouw vastgesteld op basis van de hofnorm, die 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen bedraagt. De rechtbank heeft de financiële situatie van beide partijen in kaart gebracht, waarbij de man een bruto dga-salaris van € 86.754 per jaar ontvangt en daarnaast dividend uit zijn holding. De rechtbank heeft de draagkracht van de man vastgesteld en bepaald dat hij in staat is om een bijdrage van € 7.686 per maand te betalen aan de vrouw. De verzoeken van de vrouw betreffende de huwelijkse vermogensrechtelijke afwikkeling zijn aangehouden tot een nadere zitting.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/428894 FA RK 24-5389 (echtscheiding) en C/02/434953 FA RK 25-2266 (huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling)
datum uitspraak: 5 januari 2026
beschikking betreffende echtscheiding
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. N.P.C.C. Langenberg,
en
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. P.J.W.M. Sliepenbeek.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 19 november 2024 ontvangen verzoekschrift;
- het op 11 maart 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek, met bijlagen;
- het op 1 mei 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek, tevens houdende een aanvullend verzoek, met bijlagen;
- het F9-formulier van mr. Langenberg van 2 april 2025, met bijlage;
- de brief van mr. Langenberg van 20 november 2025, met bijlagen;
- de brief van mr. Sliepenbeek van 20 november 2025, met bijlagen;
- de beschikking voorlopige voorzieningen van 14 november 2024.
1.2. De verzoeken betreffende echtscheiding en partneralimentatie zijn behandeld op de zitting van 1 december 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.

2.De feiten

2.1.
Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- zij zijn op [datum 1] 2001 in de gemeente Oosterhout met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden;
- uit hun huwelijk zijn twee reeds (jong)meerderjarige kinderen geboren ( [kind 1] en [kind 2] );
- zij hebben de Nederlandse nationaliteit.

3.De verzoeken

3.1.
De man verzoekt:
1. echtscheiding;
2. afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.
3.2.
De vrouw verzoekt:
I. echtscheiding;
II. te bepalen dat de man de door haar genoemde gegevens moet overleggen;
III. te bepalen dat de waarde van de in randnummers 11 en 12 van het verweerschrift van de vrouw genoemde onroerende zaken wordt bepaald conform productie 9;
IV. vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage ter hoogte van € 9.009,= per maand, althans een bijdrage die de rechtbank rechtens juist acht;
V. afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.

4.De beoordeling

Echtscheiding
4.1.
Tussen partijen staat vast dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Het verzoek tot echtscheiding zal daarom als op de wet gegrond en niet weersproken worden toegewezen.
Partneralimentatie
4.2.
De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat hij de financiële draagkracht heeft die te voldoen.
4.3.
De man is bereid een bijdrage aan de vrouw te voldoen, maar hij kan zich niet verenigen met de hoogte van het door de vrouw verzochte bedrag.
4.4.
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Huwelijksgerelateerde behoefte
4.5.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de huwelijksgerelateerde behoefte moet worden bepaald aan de hand van de hofnorm. Er zijn volgens haar geen relevante feiten en omstandigheden die maken dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. Toepassing van de hofnorm leidt volgens haar tevens tot een reële becijfering van haar behoefte. De huwelijksgerelateerde behoefte volgens de hofnorm bedraagt volgens de vrouw € 8.065,= per maand. Zij heeft hierbij rekening gehouden met de verschillende bronnen van inkomsten die partijen hadden, namelijk het salaris van zowel de man als de vrouw, dividend vanuit de onderneming van de man en verhuuropbrengsten. Daarnaast beschikte partijen ook over zwarte inkomsten. Er werden van contante gelden namelijk verschillende kosten van de huishouding voldaan, zoals de kosten van een vakantie naar Kaapverdië voor het gehele gezin waarvan ongeveer € 6.000,= contant is betaald. Van al deze inkomsten werd weliswaar een deel gespaard, maar volgens de vrouw is sparen ook welstandverhogend. Van het netto besteedbare gezinsinkomen (NBGI) moeten geen kosten van de kinderen worden afgetrokken. [kind 1] en [kind 2] wo(o)n(d)en nog wel thuis, maar zijn beiden al enkele jaren meerderjarig en werken allebei. Daarnaast verblijft [kind 2] hoofdzakelijk bij zijn vriendin. De kosten die partijen voor hen voldeden waren dus beperkt. Indien en voor zover de rechtbank beslist dat de hofnorm geen toepassing vindt in deze zaak stelt zij zich subsidiair op het standpunt dat haar behoefte op basis van de door haar geconcipieerde behoeftelijst € 6.125,= per maand bedraagt (productie 24).
4.6.
De man stelt zich primair op het standpunt dat de huwelijksgerelateerde behoefte moet worden bepaald aan de hand van een behoeftelijst. De hofnorm geeft volgens hem namelijk geen betrouwbaar beeld van de welstand waarin partijen hebben geleefd, omdat een groot deel van het inkomen van de man niet werd besteed aan de kosten van de huishouding. De man maakte wekelijks € 1.500,= vanaf de bankrekening van zijn onderneming over naar de en/of-rekening van partijen. Die bijdrage werd gevormd uit zijn netto dga-salaris en dividend. Van dat bedrag werden de kosten van de huishouding voldaan en werd een deel gespaard. Doordat een deel van het besteedbare inkomen werd gespaard, geeft de hofnorm al geen realistisch beeld meer. Verder zijn de inkomsten vanuit verhuur van de panden nimmer ter beschikking van het gezin gekomen. Deze inkomsten werden namelijk altijd gereserveerd op een aparte bankrekening. Met het geld op die bankrekening werden weer nieuwe investeringen gedaan. De man heeft op de zitting aangegeven dat hij de behoefte van de vrouw op basis van de door hem opgestelde behoeftelijst heeft becijferd op € 3.299,= per maand. De door de vrouw overgelegde behoeftelijst betwist hij. Deze behoeftelijst is volgens de man namelijk niet onderbouwd met stukken, zoals bankafschriften, en komt ook niet overeen met het feitelijke uitgavenpatroon van partijen zoals volgt uit de door hem overgelegde bankafschriften (producties 10 tot en met 12) en de door hem gemaakte optelling van uitgaven/kasopnames gedurende een periode van twaalf maanden, waaruit blijkt dat partijen veel minder geld uitgaven van de en/of-rekening dan daarop wekelijks binnenkwam. Indien en voor zover de rechtbank de behoefte van de vrouw zal berekenen volgens de hofnorm moet volgens de man ook rekening worden gehouden met de kosten van de kinderen die partijen ten tijde van de samenleving voldeden. Zij wonen allebei nog thuis en van één van de kinderen betalen partijen tot op heden de kosten van zijn studie. De man heeft deze kosten begroot op € 1.190,= per maand. De man betwist verder dat partijen tijdens het huwelijk zwarte inkomsten hadden.
4.7.
De rechtbank stelt voorop dat bij de bepaling van de behoefte aan een bijdrage in levensonderhoud rekening moet worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk. Daarin kan een aanwijzing worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd. Verder dient zoveel mogelijk rekening te worden gehouden met concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde. In de praktijk is als vuistregel om de huwelijksgerelateerde behoefte te bepalen de hofnorm ontwikkeld, inhoudende dat de behoefte kan worden vastgesteld op 60% van het gezamenlijk gezinsinkomen (minus de eventuele kosten van de kinderen) aan het einde van het huwelijk. De rechtbank zijn geen relevante omstandigheden gebleken die maken dat moet worden afgeweken van het hanteren van de hofnorm voor het vaststellen van de behoefte van de vrouw. Duidelijk is namelijk welk inkomen maandelijks op de en/of-rekening werd gestort en waar partijen van hebben geleefd. Op basis van dat inkomen kan met hantering van de hofnorm de behoefte van de vrouw worden vastgesteld die naar het oordeel van de rechtbank een reëel beeld geeft van wat zij nodig heeft om te voorzien in haar levensonderhoud. Het feit dat partijen hebben gespaard van het inkomen op de en/of-rekening maakt niet dat, zoals door de man aangevoerd, niet van de hofnorm kan worden uitgegaan. De rechtbank vindt sparen ook bijdragen aan de ervaren welstand tijdens het huwelijk.
4.8.
Voor de vaststelling van de behoefte van de vrouw volgens de hofnorm is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen. Het jaar 2023 is het laatste volledige kalenderjaar voor het uiteengaan van partijen.
4.9.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende duidelijk is geworden dat niet al het inkomen dat tijdens het huwelijk door partijen werd gegenereerd ter beschikking heeft gestaan voor de gezinsuitgaven van partijen. Zo is door de man onweersproken aangevoerd dat de inkomsten uit verhuur van onroerende zaken op een aparte bankrekening werden gestort, waarvan nieuwe investeringen werden gedaan. Deze inkomsten zijn dus niet aangewend voor de voldoening van de kosten van de huishouding en neemt de rechtbank niet mee bij de becijfering van het NBGI in het kader van de behoefte.
4.10.
Tussen partijen staat in ieder geval vast dat de man wekelijks een bedrag van € 1.500,= op de en/of-rekening stortte, bestaande uit een deel salaris en een deel dividenduitkering vanuit zijn onderneming. Partijen hadden dus (€ 1.500 x 52 / 12) € 6.500,= netto per maand beschikbaar voor hun gezinsuitgaven die betaald werden uit het saldo op de en/of-rekening. De rechtbank zal uitgaan van dat netto inkomen. De rechtbank zal daar niet het deel dat gespaard werd van aftrekken, ten eerste omdat sparen ook bijdraagt aan de welstand die partijen tijdens het huwelijk hebben ervaren en ten tweede omdat partijen in staat waren om in ruime mate te sparen, omdat zij zeer lage woonlasten hadden, terwijl de vrouw na het verbreken van de samenleving wel de gebruikelijke huurlasten heeft en zal hebben
4.11.
Tussen partijen staat verder vast dat in ieder geval (een deel van) de vakanties werden betaald van contant geld. Volgens de man betrof dit contant geld dat werd opgenomen van de en/of-rekening van partijen en was er geen sprake van nog extra zwarte inkomsten. Echter, uit de door de man overgelegde stukken (producties 11 en 12) en de toelichting van de man daarop, blijkt dat in de periode van 31 juli 2023 tot en met 31 juli 2024 voor een bedrag van in totaal € 5.000,= aan contante gelden van de en/of-rekening zijn opgenomen. Uit de stelling van de vrouw, die onvoldoende is weersproken, volgt dat deze gelden zijn aangewend voor de dagelijkse boodschappen en aankopen van bijvoorbeeld kleding en schoeisel. Uit de bankafschriften volgt dat dagelijkse boodschappen en zaken als kleding maar zeer beperkt giraal werden betaald. Dat partijen naast de uitgaven van dagelijkse boodschappen en kleding (voor vier gezinsleden) nog contant geld over hielden van de pinopnames om daarmee de vakanties contant te betalen (productie 19 van de vrouw), acht de rechtbank niet geloofwaardig. De rechtbank ziet in hetgeen is aangevoerd in samenhang met de overgelegde producties steun voor de stelling van de vrouw dat er ook nog contant geld beschikbaar was voor de voldoening van de kosten van de huishouding van partijen, dat afkomstig was uit een andere bron dan het salaris van partijen, dividend en inkomsten uit verhuur van onroerende zaken. Dit contante geld dient naar het oordeel van de rechtbank ook te worden meegenomen bij de berekening van het NBGI, aangezien dit ook werd besteed aan de kosten van het gezin van partijen. De rechtbank zal een schatting maken van de omvang van het contante geld uit andere bron dat op jaarbasis is aangewend voor de kosten van de huishouding, en baseert zich daarbij op de stellingen van partijen over de aard en frequentie van de gemaakte vakanties en dat tussen partijen vast staat dat voor de betaling van de reissom voor de vakantie naar Kaapverdië € 6.000,= in contanten is aangewend. De rechtbank schat de omvang van de contante inkomsten uit andere bron daarom op € 500,= per maand.
4.12.
Tot slot wordt bij de becijfering van het NBGI het inkomen aan de zijde van de vrouw meegenomen. Het inkomen uit arbeid dat zij ontving werd ook op de en/of-rekening gestort en was beschikbaar voor het gezin van partijen. De rechtbank gaat voor de becijfering van het netto besteedbaar inkomen (NBI) tijdens de samenleving uit van haar inkomen zoals volgt uit de door haar overgelegde aangifte inkomstenbelasting van 2023 (productie 13) ter hoogte van € 12.885,= bruto per jaar. Geen rekening wordt gehouden met het vermogen in box 3 zoals door de vrouw opgevoerd in haar berekening, nu gebleken is dat er geen inkomen uit vermogen aan haar zijde beschikbaar was voor het gezin van partijen tijdens de samenleving. In fiscaal opzicht wordt rekening gehouden met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de vrouw ten tijde van de samenleving op een bedrag van € 1.060,= per maand.
4.13.
Het NBGI van partijen ten tijde van de samenleving komt dan op (€ 6.500,= + € 500,= + € 1.060,=) € 8.060,= per maand.
4.14.
De rechtbank zal van dit NBGI de kosten af te halen die partijen voor hun (jong)meerderjarige kinderen voldeden tijdens hun samenleving. Deze kinderen maakten namelijk onderdeel uit van het gezin van partijen. Zij woonden in de woning en daarom zijn er door hen kosten gemaakt voor nutsvoorzieningen (gas, elektra, water) en isde rechtbank gebleken dat de studiekosten (collegegeld) voor het oudste kind van partijen van de en/of-rekening is voldaan. Verder is door de man onweersproken aangevoerd dat partijen ook in andere kosten van levensonderhoud van de kinderen voorzagen (eten, kleding, familievakanties etc.). De rechtbank gaat uit van een bedrag aan kosten van de kinderen zoals door de man aangevoerd ter hoogte van € 1.190,= per maand. Dit bedrag acht de rechtbank gelet op de welstand van partijen tijdens de samenleving aannemelijk.
4.15.
Het aandeel van de vrouw in het netto gezinsinkomen bedraagt de helft van het resterende bedrag van € 6.870,= per maand, zijnde € 3.435,= per maand. Omdat het voeren van twee gescheiden huishoudens duurder is dan het leven in gezinsverband, wordt bij dit aandeel een percentage van 20 opgeteld, zodat de rechtbank de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekent op € 4.122,= netto per maand. Rekening houdend met de wettelijke indexeringen (van 2023 naar 2025) bedraagt die behoefte nu € 4.662,= netto per maand.
Aanvullende behoefte van de vrouw
4.16.
Om te bepalen of, en zo ja, in welke mate de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man, beoordeelt de rechtbank welke eigen middelen zij heeft om in haar eigen levensonderhoud te voorzien en of, en zo ja, in welke mate, de vrouw redelijkerwijs in staat geacht moet worden om in aanvulling daarop (extra) middelen te verwerven waarmee zij zelf in haar eigen kosten van levensonderhoud kan voorzien.
4.17.
De vrouw stelt dat voor de becijfering van haar resterende behoefte uitgegaan moet worden het inkomen dat zij uit hoofde van een WIA-uitkering nu ontvangt, te weten een bedrag van € 767,= per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag. Op de zitting is namens de vrouw aangevoerd dat nu niet van haar verwacht kan worden dat zij aan het werk gaat en een hoger inkomen gaat verdienen dan haar huidige uitkering. Zij heeft vele jaren geleden een mbo2-diploma in de zorg behaald Maar de vrouw is tijdens het grootste deel van het huwelijk van partijen niet buitenshuis werkzaam geweest. Zij zorgde voor de kinderen en het huishouden, en zij maakte schoon in het garagebedrijf van de man. Pas in 2019 is de vrouw weer toegetreden tot de arbeidsmarkt en is zij in de zorg gaan werken, maar voor dit werk is zij nu lichamelijk afgekeurd. Zij heeft namelijk fibromyalgie. Daarnaast lukt het haar door de echtscheidingsperikelen nu mentaal ook niet om te werken. Anders dan de man aanvoert, heeft zij dus geen relevante kennis van of ervaring met administratief werk of om te werken met een computer. De vrouw heeft wel geprobeerd een nieuwe baan te vinden, maar werkgevers staan er niet voor open om haar aan te nemen, ook gelet op haar fysieke beperking. Verwezen wordt naar het door de vrouw overgelegde rapport van de arbeidsdeskundige (productie 2).
4.18.
De man stelt zich op het standpunt dat moet worden uitgegaan van een verdiencapaciteit van de vrouw waarmee zij volledig in haar eigen behoefte moet kunnen voorzien. Volgens hem beletten de fyieke klachten van de vrouw haar niet om administratief zittend werk te doen. Op de zitting is namens de man verder aangevoerd dat uit het door de vrouw overgelegde rapport niet volgt dat zij helemaal niet kan werken, maar dat dit mogelijk is in het geval dit werk passend kan worden opgebouwd en wordt getoetst of zij de belasting van de functie aankan. De vrouw moet volgens de man laten zien dat zij zich inspant om een baan te vinden en eigen inkomen te genereren. Hij kan zich niet voorstellen dat de vrouw onvoldoende vaardig is om administratieve werkzaamheden te verrichten op een computer. De man heeft verder aangevoerd dat, in het geval de rechtbank niet uit zal gaan van een verdiencapaciteit maar van het werkelijke inkomen van de vrouw, ook moet worden uitgegaan van de inkomsten uit de verhuur van onroerende zaken. Hoewel de man zich in het kader van de vermogensrechtelijke afwikkeling primair op het standpunt zal stellen dat de vrouw niet gerechtigd is tot de onroerende zaken die worden verhuurd (in de zin dat zij geen deelgenoot is in de zin van boek 3 titel 7 BW), is nog niet duidelijk of en hoe de beslissing van de rechtbank daarover en over de eventuele verdeling van die onroerende zaken zal uitvallen. Omdat de vrouw zich op het standpunt stelt voor een deel van 25% eigenaar te zijn van deze zaken, moet ervan uitgegaan worden dat de vrouw inkomsten uit dat vermogen genereert.
4.19.
De rechtbank is van oordeel dat, in het licht van de betwisting door man, door de vrouw voldoende is onderbouwd dat zij een dusdanige afstand tot de arbeidsmarkt heeft vanwege haar beperkte en verouderde scholing, leeftijd, beperkte arbeidservaring en fysieke klachten, dat van haar in redelijkheid niet kan worden verlangd dat zij inkomen verwerft uit arbeid dat hoger is dan haar huidige WIA-uitkering. De rechtbank neemt bij de bepaling van de resterende behoefte daarom haar huidige inkomen, zijnde de WIA-uitkering, in aanmerking. De hoogte van deze uitkering bedraagt € 767,= bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag. De rechtbank houdt geen rekening met inkomsten uit verhuur. Ter zitting is gebleken dat de vrouw noch in het verleden, noch op dit moment inkomsten uit verhuur van de onroerende zaken feitelijk tot haar beschikking heeft gehad en dat zij ook geen toegang heeft tot de bankrekening waarop die inkomsten binnenkomen. Zonder zich een oordeel te vormen over de vraag of de vrouw deelgenoot is ten aanzien van de onroerende zaken, stelt de rechtbank vast dat de vrouw nu en in de nabije toekomst niet feitelijk over inkomsten uit de verhuur van deze zaken kan beschikken. Mocht daar in de toekomst verandering in komen, dan kan dit te zijner tijd aanleiding vormen tot een heroverweging ten aanzien van de behoeftigheid. De rechtbank zal op die onzekere omstandigheid niet vooruitlopen. In fiscale zin houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde algemene heffingskorting en de verschuldigde inkomstenbelasting. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag van € 787,= per maand.
4.20.
De behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage bedraagt, gelet op haar eigen NBI, € 3.875,= netto per maand. Dit komt neer op € 7.348,= bruto per maand.
Draagkracht van de man
4.21.
De financiële draagkracht van de man om een bijdrage ten behoeve van de vrouw te betalen wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.
4.22.
De man is directeur en 100%-aandeelhouder van [de holding] B.V. (hierna: de holding). De holding houdt 50% van de aandelen van [B.V. 1] De andere 50% van de aandelen zijn van [B.V. 2] , waarvan de broer van de man 100% aandeelhouder is. [B.V. 1] houdt op haar beurt alle aandelen in [B.V. 3] In die vennootschap drijft de man samen met zijn broer een autogaragebedrijf.
4.23.
Tussen partijen staat vast dat de man gerechtigd is tot een bruto dga-salaris van € 86.754,= per jaar.
4.24.
Verder is tijdens de zitting en uit de stukken gebleken dat de holding op jaarlijkse basis dividend aan de man uitkeert. Deze dividenduitkering wordt volgens de man echter gebruikt om de rekening-courantschuld af te lossen en wordt dus niet gebruikt voor privéuitgaven. Uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, volgt dat de schuld in rekening-courant ontstaat omdat de man wekelijks meer dan zijn netto salaris vanuit de onderneming overmaakt naar de privé-rekening. Hetgeen hij meer dan het salaris overmaakt, wordt in de rekening-courantverhouding tussen de man en de holding als schuld geboekt. Die schuld wordt later weer ingelost door middel van een dividenduitkering. Feitelijk keert de man zich dus wekelijks een voorschot op het later uit te keren dividend uit. Het dividend is dus een bestendige inkomensbron voor de man en de rechtbank ziet daarin aanleiding om voor de becijfering van de draagkracht van de man een bedrag aan dividenduitkering in aanmerking te nemen. Namens de vrouw is onweersproken aangevoerd dat deze dividenduitkering € 36.700,= bruto per jaar bedraagt. De rechtbank zal dat volgen.
4.25.
Daarnaast is namens de vrouw aangevoerd dat de inkomsten uit vermogen in box 3 (waaronder de opbrengsten uit de verhuur van panden en garageboxen) moeten worden meegenomen bij de becijfering van de draagkracht van de man. In reactie hierop heeft de man toegelicht dat nog onzeker is hoe hoog die inkomsten zullen zijn gelet op de verdeling van de panden die nog moet plaatsvinden. Primair zal hij zich bij de vermogensrechtelijke afwikkeling echter op het standpunt stellen dat alleen hij als deelgenoot (voor 50%) gerechtigd is tot die panden en garageboxen. Gelet op dat standpunt en de huidige situatie waarbij uitsluitend de man toegang heeft tot de rekeningen waarop de aan hem - en mogelijk ook aan de vrouw – toekomende inkomsten uit verhuur worden gestort, zal de rechtbank rekening houden met de volledig door de vrouw opgevoerde inkomsten in box 3, zoals volgt uit haar berekening.
4.26.
Daarnaast zal de rechtbank ook bij de berekening van de draagkracht van de man rekening houden met netto inkomsten van € 6.000,= per jaar, onder verwijzing naar hetgeen over die inkomsten is overwogen in rechtsoverweging 4.11. De rechtbank gaat ervan uit dat de man ook in de toekomst zal beschikken over deze contante gelden uit andere bron dan dga-salaris, dividend en vermogen.
4.27.
In fiscale zin houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting. Verder is de op aanslag te betalen inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet in aanmerking genomen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man op een bedrag van € 11.245,= per maand.
4.28.
Namens de vrouw is tot slot onweersproken aangevoerd dat de werkelijke woonlasten van de man € 15,= per maand bedragen. De rechtbank zal dit volgen.
4.29.
De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 5.952,= netto per maand, oftewel € 10.020,= bruto per maand.
Conclusie
4.30.
Op grond van voormelde financiële omstandigheden en rekening houdend met alle fiscale gevolgen acht de rechtbank bij de man de draagkracht aanwezig om volledig in de aanvullende behoefte van de vrouw ter hoogte van € 7.348,= per maand te voldoen. De door de man te betalen partneralimentatie is geheel aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Het fiscale voordeel dat de man door deze aftrek geniet, komt geheel ten goede aan de vrouw. Nu bij de berekening van deze bijdrage is uitgegaan van de tarieven van 2025 en de verplichting tot betaling van die bijdrage zal ingaan in 2026, zal de rechtbank deze bijdrage verhogen met het indexeringspercentage als bedoeld in artikel 1:402a lid 1 BW en dat voor 2026 4,6% is. Dit leidt tot een bijdrage ter hoogte van € 7.686,= per maand. Dat brengt mee dat het verzoek van de vrouw in zoverre zal worden toegewezen. Het meer of anders verzochte wat betreft de partneralimentatie zal worden afgewezen.
Aanhechten van berekeningen
4.31.
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.
Verzoeken betreffende de huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling
4.32.
Zoals reeds aan partijen voorafgaand aan de zitting is medegedeeld en ook op de zitting is besproken, zullen de verzoeken die zien op de huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling (verzoek van de man onder 2 en verzoeken van de vrouw onder II., III, en V.) worden aangehouden tot een nadere zitting. Deze zitting zal plaatsvinden op de hierna genoemde datum en het genoemde tijdstip. De geplande behandeltijd bedraagt 180 minuten. De rechtbank verzoekt de advocaten van partijen om uiterlijk vier weken voor deze zitting de rechtbank schriftelijk te informeren over hun actuele standpunten wat betreft genoemde verzoeken, onder overlegging van een volledig ingevuld formulier verdelen en verrekenen (met onderliggende bewijsstukken). De rechtbank zal de in artikel 9.4. van het Procesreglement Scheiding (versie juli-december 2025) genoemde termijn buiten toepassing laten. Dit betekent dat alle op de nog resterende verzoeken betreffende (proces)stukken uiterlijk vier weken voor de zitting in het geding moeten zijn gebracht.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum 1] 2001, in de gemeente Oosterhout met elkaar gehuwd;
5.2.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man vanaf de dag dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw voor levensonderhoud bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 7.686,= (zevenduizend zeshonderdzesentachtig euro) per maand;
5.3.
houdt de behandeling van de verzoeken betreffende de huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling (verzoek van de man onder 2 en verzoeken van de vrouw onder II., III, en V) aan tot de zitting van
[datum 2] 2026 om [uur], bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, Stationslaan 10, 4815 GW. De behandelend rechter is mr. Bollen;
5.4.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor partijen en hun advocaten;
5.5.
verzoekt de advocaten van partijen om uiterlijk op
11 februari 2026de rechtbank schriftelijk te informeren over hun actuele standpunten wat betreft de verzoeken die zien op de huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling, onder overlegging van een volledig ingevuld formulier verdelen en verrekenen (met onderliggende bewijsstukken);
5.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Reijerse, griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.