ECLI:NL:RBZWB:2026:5695

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 juni 2026
Zaaknummer
C/02/447626 / JE RK 26-738
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Zuijdweg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArtikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en inzet systeemtherapie voor minderjarigen

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2013 en 2015, die bij hun moeder wonen. De ondertoezichtstelling was eerder vastgesteld van 10 juni 2025 tot 10 juni 2026. Tijdens de zitting op 28 mei 2026 zijn de minderjarigen gehoord en zijn de standpunten van beide ouders en de gecertificeerde instelling besproken.

De minderjarigen geven aan dat het contact met hun vader beperkt is tot wekelijkse telefoongesprekken, waarbij zij weinig interesse ervaren en geen behoefte hebben aan systeemtherapie, maar wel rust wensen. De gecertificeerde instelling benadrukt dat de ontwikkelingsbedreiging voortduurt door het ontbreken van onbelast contact met de vader en de gespannen relatie tussen de ouders. De vader is bereid tot systeemtherapie, terwijl de moeder van mening is dat er geen ontwikkelingsbedreiging is en dat de minderjarigen met rust gelaten moeten worden.

De kinderrechter constateert dat ondanks ogenschijnlijke rust de minderjarigen mogelijk diepere emoties ervaren en dat de situatie nog steeds belastend is. De ondertoezichtstelling wordt daarom verlengd voor zes maanden, met de inzet van systeemtherapie om patronen en belevingswereld in kaart te brengen en contactherstel te bevorderen. Het resterende deel van het verzoek wordt aangehouden tot 6 november 2026, waarna verdere stappen worden overwogen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en wordt geregistreerd in het gezagsregister.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarigen wordt verlengd voor zes maanden met inzet van systeemtherapie en nader onderzoek naar contactmogelijkheden met de vader.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/447626 / JE RK 26-738
Datum uitspraak: 28 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging van de ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (de GI),
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. F.C.M. Maat-Oldenhof te ’s-Heer Arendskerke,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. H. Mink uit Vlissingen.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 21 april 2026;
  • een brief van mr. Maat-Oldenhof met bijlage, ontvangen op 26 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 juni 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld met ingang van 10 juni 2025 en tot 10 juni 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
[minderjarige 1] heeft tijdens het kindgesprek verteld dat het thuis goed gaat. Ze belt nu één keer per week met haar vader en ze ervaart tijdens die gesprekken niet veel interesse vanuit hem. Bellen met de vader is meer dan genoeg. [minderjarige 1] heeft niet het gevoel dat de vader haar en haar zusje mist. [minderjarige 1] wil geen systeemtherapie. Ze wil rust. [minderjarige 1] zou graag willen dat er naar haar wordt geluisterd. Ze wordt verdrietig van de situatie.
4.2.
[minderjarige 2] heeft tijdens het kindgesprek verteld dat ze haar vader al een tijd niet heeft gezien. Zij belt wel éénmaal per week met hem. [minderjarige 2] vindt het niet erg dat ze alleen telefonisch contact heeft. In het verleden heeft de vader haar soms pijn gedaan, vader heeft hen geklapt en dat vond hij normaal. De gesprekken lopen wel moeilijk. [minderjarige 2] benadrukt dat ze graag rust wil en zij wil ook dat er naar haar mening wordt geluisterd. [minderjarige 2] wil niet naar de vader toe. Dan zou de nachtmerrie voortduren.
4.3.
De GI heeft tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. In het afgelopen jaar is beperkt gewerkt aan de gestelde doelen, omdat de zaak enerzijds langere tijd bij het instroomteam heeft gelegen en anderzijds doordat de gesprekken tussen de jeugdbeschermer en de minderjarigen spanning opriepen. Daarom zijn deze gesprekken opgebouwd. Na de start van de jeugdbeschermer is de eerste fase (kennismaking, matching en informatieverzameling) afgerond. Daarna is besloten om systeemtherapie in te zetten met als doel om zicht te krijgen op wat er speelt, zicht te krijgen op de interactie tussen de vader en de minderjarigen en duidelijk te krijgen wat er is gebeurd. Ook wordt de systeemtherapie nodig gevonden om zicht te kunnen krijgen op de aanwezige patronen en de belevingswereld van de minderjarigen. Verder is het nodig dat passende hulpverlening voor de minderjarigen wordt gevonden en hetgeen nodig is om contactherstel mogelijk te maken. Het ontbreken van het contact met de vader heeft invloed op de identiteitsontwikkeling van de minderjarigen. De inzet van systeemtherapie wordt daarom ook als waardevol gezien. Het gezin is inmiddels aangemeld. De GI realiseert zich overigens ook dat het voor de minderjarigen allemaal veel is en ook belastend kan zijn. Maar duidelijk is ook dat de kinderen klem zitten tussen de ouders. Gelet op de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen vindt de GI de inzet van systeemtherapie wel van belang.
4.4.
De vader heeft tijdens de zitting verteld dat er na een jaar ondertoezichtstelling nog niks is veranderd. Hij heeft het idee dat de boel stilstaat. De belmomenten met de minderjarigen duren gemiddeld zes minuten. Hij hoort de minderjarigen uitspraken doen waarvan de vader vermoedt dat deze niet vanuit hen zelf komen. Hij heeft het gevoel dat de minderjarigen worden belast met zaken waarmee ze niet zouden mogen worden belast. De vader is bereid om mee te werken aan de systeemtherapie. De communicatie met de moeder verloopt stroef.
4.5.
Namens de vader is het volgende naar voren gebracht. Het verzoek dient toegewezen te worden. Duidelijk is dat er veel zorgen zijn over de minderjarigen. Het afgelopen jaar zijn de zorgen, zoals ook in de vorige beschikking staan beschreven, niet weggenomen. Er wordt door de moeder niet meegewerkt aan de omgang tussen de vader en de minderjarigen en de vader wordt ondermijnd. Hij wil meegenomen worden in de beslissingen ten aanzien van de minderjarigen.
4.6.
De moeder heeft tijdens de zitting verklaard dat het goed gaat met de minderjarigen. Ze doen het allebei goed op school. Bellen met de vader is voor de minderjarigen nu het hoogst haalbare. De minderjarigen laten zelf ook blijken dat hoe harder zij gedwongen worden, des te meer weerstand zij voelen. De minderjarigen willen, net als hun klasgenootjes, gewoon normaal zijn. Zij ervaren de huidige situatie niet als normaal.
4.7.
Namens de moeder is tijdens de zitting naar voren gebracht dat het verzoek niet voor toewijzing gereed ligt. Er is het afgelopen jaar niks gebeurd. Het heeft tot januari jl. geduurd voordat een vaste jeugdbeschermer betrokken raakte bij de minderjarigen. De minderjarigen willen niemand meer in huis. Er zijn nu drie contactmomenten geweest met de GI. Na het kennismakingsgesprek is [minderjarige 2] in de auto erg verdrietig geworden. Ze wil het niet. De moeder is niet blij met de huidige situatie, ondanks dat dit beeld wel is ontstaan. De moeder wil niets liever dan dat het goed gaat met de minderjarigen. Er is al veel hulp ingezet en de minderjarigen willen het niet meer. Ze willen met rust gelaten worden. Er komt alleen maar meer weerstand als zij worden gedwongen om dingen te doen die zij niet willen. De moeder wil dat de minderjarigen weten dat zij altijd met alles bij haar terecht kunnen. Zij vindt dan ook dat het in stand houden van de relatie met hen belangrijker is dan dat ze zich verraden voelen, want de moeder heeft hen beloofd dat zij hun wensen en zorgen serieus zou nemen. De moeder is van mening dat er geen ontwikkelingsbedreiging is en daarom ook geen grond voor verlenging van de ondertoezichtstelling. Mogelijk kan het verzoek voor een korte periode worden aangehouden, zodat bezien kan worden of er nog meer mogelijkheden zijn om de situatie te veranderen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom. Allereerst wordt benadrukt dat het te betreuren valt dat in deze zaak pas ruim een half jaar na het uitspreken van de ondertoezichtstelling een vaste jeugdbeschermer beschikbaar is gekomen, waardoor het lang heeft geduurd voordat de zaak kon worden opgepakt. Hierdoor is de afgelopen periode nog niet gewerkt aan de doelen, teneinde de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen weg te kunnen nemen. Deze bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarigen is naar het oordeel van de kinderrechter nog steeds aanwezig. De minderjarigen hebben nog steeds geen contact met hun vader. Daarnaast is tussen de ouders nog steeds sprake van een moeizame en ingewikkelde verstandhouding, waarin sprake is van spanningen, wantrouwen en strijd. De tot nu toe ingezette hulpverlening heeft niet geleid tot het verbeteren van deze situatie. Als gevolg van deze strijd lijken de minderjarigen nog altijd klem te zitten tussen de ouders en wordt nog steeds een groot beroep gedaan op hun loyaliteit, nu zij geen onbelast contact kunnen ervaren met beide ouders. De minderjarigen weigeren het contact met de vader en vinden met hem bellen meer dan genoeg. De moeder ervaart geen ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen, nu zij van mening is dat het goed gaat met hen. Ter onderbouwing van dit standpunt is namens de moeder ook het (ongedateerde) stuk ‘advies [organisatie] ’ overgelegd waaruit blijkt dat [minderjarige 1] het goed doet op school.
5.2.
De kinderrechter heeft in deze situatie echter de indruk dat sprake is van ogenschijnlijke rust. Het lijkt aan de oppervlakte goed te gaan met de minderjarigen, maar mogelijk zit er dieper nog veel verdriet en boosheid. Dit beeld lijkt te worden versterkt door de uitspraken van de minderjarigen tijdens het kindgesprek. [minderjarige 2] heeft bijvoorbeeld tijdens het kindgesprek verteld dat de vader haar pijn heeft gedaan en [minderjarige 1] heeft verteld dat zij niet het idee heeft dat de vader haar en haar zusje mist. De minderjarigen willen met rust gelaten worden en zich weer normaal voelen.
5.3.
De kinderrechter realiseert zich dat de minderjarigen hebben aangegeven dat zij behoefte hebben aan rust, maar zij gunt het de minderjarigen dat wordt geprobeerd om de bestaande patronen te doorbreken en te werken aan een situatie waarin zij geen beroep meer hoeven te doen op hun loyaliteit. Daarbij komt dat het voor de identiteitsontwikkeling van de minderjarigen van belang is dat zij met beide ouders een onbelast contact kunnen hebben. De vader is en blijft hun vader. Hiervoor vindt de kinderrechter het belangrijk dat onderzocht wordt wat er mogelijk is in deze situatie en dat hierna vervolgens de hierop aansluitende vervolgstappen worden gezet, teneinde de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen weg te kunnen nemen. Daarvoor is het allereerst noodzakelijk dat zicht komt op de gebeurtenissen, de patronen en de belevingswereld van de minderjarigen. De beoogde systeemtherapie lijkt hiervoor een eerste goede stap te zijn, waarbij goed naar de draagkracht van de minderjarigen moet worden gekeken en naar hun stem moet worden geluisterd.
5.4.
Gelet op de ingewikkelde verstandhouding tussen de ouders heeft de kinderrechter niet de indruk dat deze hulpverlening vanuit het vrijwillig kader doorgang kan vinden. Dat, in combinatie met de aanwezige zorgen over de minderjarigen en hun ontwikkeling, maakt dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling nog steeds nodig vindt. Dit betekent dat het verzoek van de GI zal worden toegewezen voor de duur van zes maanden, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek tot de pro forma datum van 6 november 2026. De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk op voornoemde pro forma datum schriftelijk te rapporteren over de meest recente ontwikkelingen en haar standpunt te geven over het resterende deel van het verzoek. De kinderrechter zal daarna – indien nodig – een nieuwe zittingsdatum bepalen waarop het resterende deel van het verzoek zal worden besproken. De kinderrechter verzoekt de advocaten van beide ouders in dat verband alvast om ook uiterlijk op 6 november 2026 hun verhinderdata over te leggen voor de maand november 2026.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.6.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister [2] .
5.7.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 10 juni 2026 en tot 10 december 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt het resterende deel van het verzoek aan tot de pro forma datum van 6 november 2026 voor het geven van schriftelijke inlichtingen aan de zijde van de GI en het overleggen van verhinderdata door beide advocaten.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van Casant als griffier, en op schrift gesteld op 16 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.