ECLI:NL:RBZWB:2026:5694

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 juni 2026
Zaaknummer
C/02/447658 / JE RK 26-750
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Zuijdweg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging en onveilige thuissituatie

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2017, vanwege ernstige ontwikkelingsbedreiging veroorzaakt door het plotselinge vertrek van de moeder naar een geheim adres. Dit leidde tot een onstabiele en onveilige opvoedsituatie, waarbij de minderjarige ook getuige zou zijn geweest van huiselijk geweld tussen de ouders. De vader ontkende de zorgen en weigerde toestemming voor het opvragen van nadere informatie.

Tijdens de zitting waren de ouders en hun advocaten aanwezig, waarbij de moeder instemde met de ondertoezichtstelling en de vader primair verzocht het verzoek af te wijzen. De kinderrechter constateerde dat de minderjarige geen stabiele opvoedsituatie heeft, geen contact meer heeft met de vader sinds het vertrek van de moeder, en dat het kind het moeilijk heeft op school. De Raad en de gecertificeerde instelling benadrukten de noodzaak van zicht op de situatie en passende hulpverlening.

De kinderrechter oordeelde dat aan de voorwaarden voor ondertoezichtstelling is voldaan en stelde de minderjarige onder toezicht voor zes maanden, met de mogelijkheid tot verlenging. De beschikking bevatte doelen zoals het waarborgen van een veilige en voorspelbare thuissituatie, het voorkomen van confrontatie met huiselijk geweld, en het bevorderen van samenwerking tussen ouders. Tevens werden aanvullende doelen opgenomen, waaronder het informeren van de minderjarige over zijn biologische vader en het inzetten van trauma-sensitieve hulpverlening.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en wordt aangetekend in het gezagsregister. De ontwikkelingen worden over een half jaar opnieuw besproken, waarbij de gecertificeerde instelling en de Raad rapporteren over de voortgang. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht voor zes maanden vanwege ernstige ontwikkelingsbedreiging en onveilige thuissituatie.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/447658 / JE RK 26-750
Datum uitspraak: 28 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
locatie Middelburg,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. S.X. Scholten uit Vlissingen,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] .
Advoaat: mr. F.N. Bult te Schinnen.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder (via videobelverbinding) met haar advocaat;
  • de vader met zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om met de kinderrechter in gesprek te gaan of een brief te sturen.
1.4.
De vader heeft na het standpunt van de Raad de zittingszaal verlaten.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad constateert een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] . Dit wordt veroorzaakt door het plotselinge vertrek van de moeder naar een geheim adres. [minderjarige] is daardoor plotseling uit zijn vertrouwde omgeving gehaald en dit heeft impact op een kind. Daarnaast zijn er signalen van huiselijk geweld tussen de ouders, waarvan [minderjarige] zegt dat hij daar getuige van is geweest. Het lukt de moeder niet om te praten over hetgeen tussen haar en de vader is gebeurd. Hierdoor is er geen zicht ontstaan op wat er precies is gebeurd. De vader ontkent de zorgen over huiselijk geweld. Ook wordt door de vader ontkend dat bij hem sprake is van verward en ontregeld gedrag. De vader heeft de Raad geen toestemming gegeven om hier nadere informatie over op te vragen. De moeder vlucht en de vader ontkent. De ouders zijn niet open. Ook is geen toestemming verkregen om de minderjarige te spreken, hoewel eerder al wel een kindgesprek heeft plaatsgevonden. De Raad vindt de in de rapportage gestelde doelen van belang voor het komende jaar, waarbij het in het belang is van [minderjarige] dat hij onder toezicht wordt gesteld. De Raad wil zicht krijgen op de dynamiek en inzicht in wat er zich heeft afgespeeld. De Raad wil nog twee doelen toevoegen, te weten: trauma sensitieve hulpverlening inzetten en daarnaast dat [minderjarige] weet wie zijn biologische vader is.
4.2.
Namens de GI is verklaard dat er nu geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar is voor het gezin. Het instroomteam pakt de dingen op die nodig zijn. De GI begrijpt dat het de bedoeling is dat ingezet wordt op trauma en daarnaast dat ouderschapsbemiddeling wordt ingezet. De GI weet niet hoe dit haalbaar is binnen dit systeem, omdat de ouders niet met elkaar in gesprek kunnen. Daarnaast vraagt de GI zich af hoe zij met de moeder moet werken als niet duidelijk is waar zij verblijft. De GI begrijpt daarnaast niet wat er wordt bedoeld met trauma sensitieve therapie. Onduidelijk is of de moeder in staat is deze hulpverlening te accepteren. Het vergt veel van de ouders. Mogelijk kunnen niet al te grote doelen worden gesteld.
4.3.
Namens de moeder is tijdens de zitting naar voren gebracht dat [minderjarige] is aangemeld bij Mentaal Beter. De vader geeft hier echter zijn toestemming niet voor. Er is nu dus geen hulp voor hem. Naar omstandigheden doet [minderjarige] het redelijk goed. De moeder stemt in met de ondertoezichtstelling. Gedwongen hulpverlening is nodig, want de moeder komt er samen met de vader niet uit. De moeder wil wel duidelijkheid gaan geven over hetgeen is gebeurd tijdens de relatie, maar toen de Raad was betrokken was dat nog te snel. Het heeft tijd nodig. De moeder is ook aangemeld voor psychische hulp. De ondertoezichtstelling is nodig en de moeder doet haar best om hulp te zoeken.
4.4.
De moeder heeft tijdens de zitting verklaard dat [minderjarige] geen contact meer heeft gehad met de vader sinds haar vertrek. [minderjarige] mist de vader, maar de laatste tijd komen er ook allerlei dingen los bij hem die niet prettig zijn. De moeder is veel bezig met het stuk dat [minderjarige] niet weet wie zijn biologische vader is. Ze wil dit in elk geval nog dit jaar gaan vertellen. De moeder wil Mentaal Beter inzetten voor [minderjarige] . Het wordt hem momenteel te veel op school. Hij kan niet meer een hele dag school aan en krijgt al extra hulp. Zodra het woord “papa, mama” of “oma” valt gaat er een knop om bij hem en komt er niets meer binnen bij [minderjarige] . Zijn hoofd is overvol. De moeder hoopt dat de vader toestemming wil geven, zodat [minderjarige] bij Mentaal Beter kan starten.
4.5.
Namens de vader is tijdens de zitting primair verzocht om het verzoek af te wijzen. Een ondertoezichtstelling is een zwaar middel. De vader vraagt zich af waarom de moeder is vertrokken en hij herkent zich niet in de zorgen zoals deze geformuleerd staan in het raadsrapport. De vraag is of er ook is gekeken naar de mogelijkheden binnen het vrijwillig kader. Die mogelijkheden zijn nog niet onderzocht. Als de kinderrechter toch tot toewijzing komt, dan zou de vader willen verzoeken om dit te doen voor een periode van zes maanden. Het rapport lijkt ingegeven door het plotselinge vertrek van de moeder. Tegelijkertijd beseft de vader dat het voor de Raad noodzakelijk is om zicht te krijgen op de situatie, zodat bepaalde dingen helder worden.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom. [minderjarige] kent een belaste voorgeschiedenis. Hij is op 2 januari 2026 plotseling met de moeder en zijn broer [persoon] vertrokken naar een geheim adres en heeft vanaf dat moment ook geen contact meer met de vader en zijn halfbroer en -zus. [minderjarige] heeft ook plotseling zijn oude school achter zich moeten laten en is op een nieuwe basisschool moeten starten. Op school heeft [minderjarige] het moeilijk. Hij komt niet tot leren en het wordt hem allemaal te veel. [minderjarige] heeft verteld dat de ouders niet samen kunnen wonen. Er zijn zorgen dat [minderjarige] getuige is geweest van verbaal en fysiek geweld tussen de ouders. De moeder wil niet praten over de aanleiding van haar vlucht. De vader herkent zich niet in de zorgen zoals deze vanuit Veilig Thuis en de politie naar voren zijn gekomen, waaronder medicatiegebruik en de effecten daarvan, huiselijk geweld en zorgen over verward en ontregeld gedrag, maar wil de Raad tegelijkertijd ook geen toestemming geven om met professionele derden te praten zodat meer zicht kan komen op deze zorgen. Hoewel de vader zegt bereid te zijn om mee te werken met ouderschapsbemiddeling om de situatie te normaliseren, lukt het de ouders op moment niet om te overleggen en afspraken te maken, waaronder over vrijwillige hulpverlening voor [minderjarige] . Het lukt hen niet om op dit moment een voorspelbare en veilige opvoedingssituatie voor [minderjarige] te garanderen. [minderjarige] heeft op dit moment geen stabiele opvoedsituatie, want hij verblijft op een geheim adres en onduidelijk is wanneer de situatie zal normaliseren. Ook is onduidelijk wat er zich precies heeft afgespeeld in de thuissituatie en [minderjarige] weet niet wanneer hij weer contact kan hebben met zijn familie. De kinderrechter is gelet op deze zorgen van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is hij onder toezicht wordt gesteld. De in het kader van de ondertoezichtstelling betrokken jeugdbeschermer zal de belangen van [minderjarige] waarborgen, zicht proberen te verkrijgen op de situatie en de gebeurtenissen en van daaruit bezien wat [minderjarige] , maar ook de ouders kunnen betekenen voor [minderjarige] vanuit hun rol als opvoeder en hetgeen zij hier voor nodig hebben. De kinderrechter neemt hierbij de doelen, zoals geformuleerd in het onderzoek door de Raad over, te weten:
- [minderjarige] groeit op in een veilige, voorspelbare en gestructureerde
thuissituatie;
- [minderjarige] wordt niet geconfronteerd met huiselijk geweld tussen zijn ouders;
- Zicht op de dynamiek van de relatie tussen ouders;
- Vader en moeder zijn in staat om vanuit hun ouderrol samen te werken om ervoor te zorgen dat [minderjarige] een onbelast contact heeft met vader, moeder en zijn halfbroertjes en halfzusje;
- Vader en moeder zijn in staat om op een respectvolle manier met elkaar te communiceren;
- Indien er aanleiding voor is, heeft [minderjarige] hulpverlening voor de verwerking van zijn ingrijpende ervaringen in zijn thuissituatie;
- Ook de ouders hebben hulpverlening voor hun persoonlijke problematiek en/of ter verwerking van hun ingrijpende ervaringen;
- De ouders werken mee aan hulpverlening, gericht op het vergroten van hun onderlinge vertrouwen, het houden aan gemaakte afspraken, waarbij de ouders zich begeleidbaar opstellen;
- De ouders werken hiervoor alsnog mee aan noodzakelijk geachte hulpverlening, zoals ouderschapsbemiddeling.
5.2.
Daarnaast heeft de Raad tijdens de zitting verzocht om twee aanvullende doelen op te nemen in de beschikking, te weten: ‘ [minderjarige] weet wie zijn biologische vader is’ en ‘het inzetten van systemische trauma-sensitieve hulpverlening’. Het is algemeen bekend dat een kind baat heeft om te weten wie zijn biologische ouders zijn, gelet op (onder meer) de identiteitsontwikkeling van een kind. Dat zal bij [minderjarige] niet anders zijn. De kinderrechter begrijpt dat de moeder bezig is met dit proces. Dit proces dient naar het oordeel van de kinderrechter ook zorgvuldig te worden doorlopen, met daarbij oog voor het belang van [minderjarige] en wat hij hierin aankan. De kinderrechter verzoekt de GI derhalve om de moeder in dit proces te ondersteunen, zodat zij samen met de moeder tot een passende vervolgstap kan komen. Ten aanzien van het inzetten van trauma-sensitieve hulpverlening benadrukt de kinderrechter dat het belang van [minderjarige] centraal staat binnen de ondertoezichtstelling. Vaststaat dat van belang is dat wordt bezien welke hulpverlening de ouders nodig hebben om de situatie weer te kunnen normaliseren, maar de kinderrechter benadrukt dat de ouders verantwoordelijk zijn voor hun eigen traject. Zo nodig kan de GI de ouders daarin ondersteunen, maar het inzetten van trauma-sensitieve hulpverlening voor de ouders zal derhalve niet als apart doel worden opgenomen. Ten aanzien van [minderjarige] verwacht de kinderrechter dat de GI onderzoekt wat [minderjarige] nodig heeft om op een veilige en onbelaste manier verder op te kunnen groeien. Daar hoort zo nodig ook passende hulpverlening bij. 5.3. Gelet op de zorgen vindt de kinderrechter het noodzakelijk om vinger aan de pols te houden en de ontwikkelingen over een half jaar opnieuw ter zitting te bespreken. Dit betekent dat het verzoek tot ondertoezichtstelling zal worden toegewezen voor de duur van zes maanden, te weten met ingang van 28 mei 2026 en tot 28 november 2026 onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden tot de pro forma datum van vrijdag 5 november 2026. De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk op die datum te rapporteren over de meest recente ontwikkelingen. Aan de Raad wordt verzocht om uiterlijk op die datum het standpunt van de Raad te geven over het resterende deel van het verzoek. De kinderrechter zal daarna – indien nodig – een datum bepalen waarop het resterende deel van het verzoek zal worden besproken.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.5.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister [2] .
5.6.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 28 mei 2026 en tot 28 november 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt de beslissing op het resterende deel van het verzoek aan tot de pro forma datum van 5 november 2026 voor schriftelijke inlichtingen aan de zijde van de GI en de Raad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Zuijdweg, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026, in aanwezigheid van Casant als griffier en schriftelijk uitgewerkt op 12 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.
2.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters