ECLI:NL:RBZWB:2026:5683

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 juni 2026
Zaaknummer
C/02/445938 / JE RK 26-420
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Pellikaan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 lid 2 BWArtikel 7 lid 1 Brussel II-ter VerordeningArtikel 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging door gebrekkige oudercommunicatie

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2017, omdat zij ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd door het ontbreken van contact met haar vader. De ouders communiceren niet met elkaar en het hulpverleningstraject is zonder resultaat beëindigd. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit en de minderjarige woont bij haar.

De vader en moeder verschillen van mening over de noodzaak van een ondertoezichtstelling. De vader vindt het geen passend middel en pleit voor een omgangsregeling, terwijl de moeder stelt dat er geen ernstige bedreiging is en dat een ondertoezichtstelling meer spanningen zal veroorzaken. De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en acht ondertoezichtstelling noodzakelijk.

De kinderrechter stelt vast dat de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. Op grond van artikel 1:255 BW Pro wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd door het gebrek aan contact met de vader en de slechte communicatie tussen ouders. Vrijwillige hulpverlening faalde en een dwangmaatregel is noodzakelijk.

De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht van de gecertificeerde instelling voor de duur van 12 maanden en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Er wordt een strakke regievoering en gericht hulpverleningstraject verwacht om het contact tussen de minderjarige en haar vader te herstellen en de oudercommunicatie te verbeteren.

Uitkomst: De minderjarige wordt voor 12 maanden onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling wegens ernstige bedreiging van haar ontwikkeling door het ontbreken van contact met de vader.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445938 / JE RK 26-420
Datum uitspraak: 28 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
Raad voor de Kinderbescherming,
Regio Zeeland–West-Brabant, Locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. J.J.R. Albicher uit Roosendaal,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. R.G.J. van Kerkhof uit Gilze.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 10 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- twee vertegenwoordigsters van de Raad;
- twee vertegenwoordigsters van de GI (via een videobelverbinding).
1.3.
Gelet op de nauwe samenhang van het onderhavige door de Raad ingediende verzoek met de door partijen ingediende verzoeken in de zaak met kenmerk C/02/426009 / FA RK 24-3964 zijn deze verzoeken gezamenlijk mondeling behandeld. In onderhavige zaak wordt een beschikking gegeven. Aangezien de behandeling van de verzoeken in de procedure tussen partijen wordt aangehouden, wordt in die zaak een verkort proces-verbaal opgesteld.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
De moeder heeft de Poolse nationaliteit. [minderjarige] en de vader hebben de Nederlandse nationaliteit.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht van de GI te stellen voor de duur van 12 maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad heeft ter onderbouwing van het verzoek, samengevat, het volgende naar voren gebracht. [minderjarige] wordt ernstig in haar ontwikkeling bedreigd, omdat zij de afgelopen twee jaar nauwelijks contact heeft gehad met de vader. Zij heeft een duidelijke wens tot contact met de vader en mist hem erg. Het is de ouders ook met behulp van hulpverlening niet gelukt om tot verandering en verbetering van de situatie te komen. Binnen de module ‘Ouderschap bij Scheiden’ zijn er vier begeleide omgangsmomenten geweest. Het traject is daarna beëindigd. Bij de moeder werd onvoldoende motivatie en draagkracht gezien voor een dergelijk intensief hulpverleningstraject. De vader leek onvoldoende stuurbaar en leerbaar en had daarbij weinig geduld voor het hulpverleningstraject. De ouders hebben geen afspraken kunnen maken over de omgang na het afsluiten van het traject. Zij communiceren op geen enkele wijze met elkaar en het lukt niet om op ouderniveau met elkaar in gesprek te gaan. Wanneer er niets aan de huidige situatie verandert, is de Raad bezorgd dat [minderjarige] geen of nauwelijks contact kan hebben met de vader en dat dit negatieve gevolgen zal hebben voor haar identiteitsontwikkeling en hechtingsrelatie met de vader. De Raad verwacht niet dat [minderjarige] het later zal begrijpen dat zij geen contact heeft met de vader, haar nieuwsgierigheid zal waarschijnlijk alleen maar groter worden. Er is een risico dat [minderjarige] klem komt te zitten tussen de ouders. De Raad ziet onvoldoende mogelijkheden binnen het vrijwillig kader. De hulpverlening dient meer sturend te zijn, waarbij duidelijke kaders gelden waarbinnen het contact tussen [minderjarige] en de vader wordt opgebouwd. Eerder was de hulpverlening te vrijblijvend en het gaat de ouders niet lukken om er samen voor te zorgen dat er weer omgang komt tussen [minderjarige] en de vader.
4.2.
Door en namens de vader is, samengevat, aangevoerd dat [minderjarige] een duidelijke wens heeft tot contact. De vader is teleurgesteld dat het hulpverleningstraject nauwelijks van de grond is gekomen. [minderjarige] en de vader hebben ongeveer vijf fijne contactmomenten met elkaar gehad. Helaas is er inmiddels alweer vier maanden geen contact. Echter, een ondertoezichtstelling is niet het juiste middel om omgang tussen [minderjarige] en de vader tot stand te brengen, daarvoor is namelijk een definitieve opbouwende omgangsregeling of een voorlopige omgangsregeling nodig. Hoewel de vader van de moeder in de communicatie steeds nul op rekest krijgt, is hij nog steeds bereid om met de moeder in gesprek te gaan om zo de omgang samen onderling te regelen. De vader verzoekt primair om afwijzing van het verzoek. Mocht de kinderrechter een ondertoezichtstelling wel noodzakelijk achten dan is ook dan van belang dat er een voorlopige omgangsregeling wordt bepaald zodat het contact tussen [minderjarige] en de vader snel tot stand wordt gebracht. De GI dient ondanks wachtlijsten direct in te zetten op de aanmelding van de ouders bij hulpverlening.
4.3.
Door en namens de moeder is, samengevat, aangevoerd dat er geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Het gaat an sich goed met [minderjarige] . De zorgen liggen niet bij haar, maar bij de communicatie en samenwerking tussen de ouders. De moeder vindt het belangrijk dat [minderjarige] omgang heeft met de vader, maar denkt dat [minderjarige] later zal begrijpen waarom zij geen contact heeft met de vader. Dat er geen omgang is kan de moeder niet worden verweten. Zij heeft zich ten volle ingespannen voor de hulpverlening. De hulpverlening is gestagneerd doordat de vader zich niet liet sturen en onvoldoende leerbaar bleek. Een ondertoezichtstelling zal geen toegevoegde waarde hebben en juist leiden tot meer spanningen tussen de ouders en onzekerheid en teleurstelling voor [minderjarige] . Een ondertoezichtstelling is dan ook niet in het belang van [minderjarige] . De moeder verzoekt om afwijzing van het verzoek.
4.4.
De GI heeft, samengevat, naar voren gebracht dat zij de zorgen uit het raadsrapport deelt en een ondertoezichtstelling noodzakelijk acht. Hoewel er een wachtlijst is, kan door het monitoringsteam wel al hulpverlening worden ingezet.

5.De beoordeling

Internationaal privaatrecht
5.1.
Vanwege het feit dat de moeder de Poolse nationaliteit heeft, draagt deze zaak een internationaal karakter. Daarom dient de rechtbank ambtshalve vast te stellen of de rechtbank internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek, en zo ja, welk recht van toepassing is op het verzoek.
5.2.
De Nederlandse rechter is internationaal bevoegd om van het verzoek kennis te nemen aangezien [minderjarige] ten tijde van de indiening van het verzoek in Nederland woonde en daar ook haar gewone verblijfplaats heeft (artikel 7 lid 1 Brussel Pro II-ter Verordening). Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is, is op het verzoek het Nederlands recht van toepassing (artikel 15 lid 1 Haags Pro Kinderbeschermingsverdrag 1996).
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
Op grond van artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.4.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.5.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd. De kinderrechter vindt de situatie van [minderjarige] zeer zorgelijk. [minderjarige] heeft een duidelijke wens om contact te hebben met de vader. Door de strijd die ouders met elkaar voeren, heeft zij echter de afgelopen jaren slechts een gering aantal keer contact kunnen hebben met de vader. De communicatie tussen de ouders is slecht. Het lukt hen niet om op een constructieve manier met elkaar te communiceren en zij hebben geen vertrouwen in elkaar. [minderjarige] heeft daar nu al last van omdat zij hierdoor geen contact heeft met de vader. De kinderrechter maakt zich ook grote zorgen over de negatieve gevolgen voor de ontwikkeling van [minderjarige] in de toekomst. Zij ziet een groot risico dat [minderjarige] klem zal komen te zitten tussen de ouders. Daarnaast zijn er ook zorgen over ongeoorloofd schoolverzuim, al lijkt dit inmiddels beter te gaan.
5.6.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Hulpverlening in het vrijwillig kader is geprobeerd, maar was te vrijblijvend en is daardoor vroegtijdig beëindigd. Bovendien is er op dit moment geen enkele vorm van communicatie of samenwerking tussen de ouders. Met de Raad is de kinderrechter van oordeel dat regievoering van de GI daarom nodig is. De kinderrechter heeft er geen vertrouwen in dat de ouders zonder een dwangkader tot een oplossing van de tussen hen bestaande problemen kunnen komen.
5.7.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter zal [minderjarige] onder toezicht van de GI stellen voor de duur van een jaar. Gelet op de doelen waaraan binnen de ondertoezichtstelling moet worden gewerkt, is dit een passende periode.
5.8.
De kinderrechter verwacht ondanks de wachtlijsten strakke regievoering van de GI. Allereerst dient op zeer korte termijn te worden bezien welk hulpverleningstraject gericht op contactherstel passend is, wat de mogelijkheden zijn voor contact en hoe de eerste contactmomenten tussen [minderjarige] en de vader eruit moeten gaan zien. Ook dient er zicht te komen op beide opvoedsituaties. Voorts dient er hulpverlening voor de oudercommunicatie te worden ingezet.
5.9.
Als doelen waaraan binnen de ondertoezichtstelling gewerkt dient te worden, worden aangemerkt:
  • [minderjarige] heeft een prettig/positief, onbelast en structureel contact met de vader;
  • [minderjarige] krijgt vanuit beide ouders de ruimte en onvoorwaardelijke/ emotionele toestemming om een onbelast contact met haar beide ouders te onderhouden en ouders uiten zich respectvol over elkaar en accepteren ieders rol in het leven van [minderjarige] ;
  • [minderjarige] komt op tijd op school en heeft geen ongeoorloofd verzuim.
5.10.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant Etten-Leur met ingang van 28 mei 2026 tot 28 mei 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026 door
mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Noort als griffier, en op schrift gesteld op 11 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.