ECLI:NL:RBZWB:2026:5677

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 juni 2026
Zaaknummer
C/02/446156 / JE RK 26-460
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Van de Merbel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige bij grootmoeder

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling van de minderjarige voor twaalf maanden en een machtiging tot uithuisplaatsing bij de grootmoeder moederszijde voor zes maanden. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit, maar de minderjarige woont bij de grootmoeder. Er zijn ernstige zorgen over de opvoedsituatie, veiligheid en stabiliteit bij de moeder, die weinig meewerkt aan hulpverlening en geen stabiele woonplek heeft.

De kinderrechter constateert een ernstig bedreigde ontwikkeling van de minderjarige door onduidelijkheid over haar opvoedperspectief en verblijfplaats. De moeder is onvoldoende in staat om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen en er is weinig zicht op haar opvoedvaardigheden en functioneren. De grootmoeder biedt een stabiele en veilige omgeving waar de minderjarige al bijna vier jaar woont.

De beschikking wijst de ondertoezichtstelling toe voor de gevraagde duur van twaalf maanden en verleent de machtiging tot uithuisplaatsing bij de grootmoeder voor zes maanden. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De kinderrechter legt de nadruk op het herstellen van het contact tussen moeder en minderjarige via begeleide contactmomenten en het inzetten van gerichte hulpverlening om zicht te krijgen op de opvoedsituatie en het functioneren van de moeder.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht en verleent machtiging tot uithuisplaatsing bij grootmoeder wegens ernstige bedreiging van de ontwikkeling en onstabiele thuissituatie.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/446156 / JE RK 26-460
Datum uitspraak: 27 mei 2026
beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige] ,geboren op [geboortedag] 2022 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. M. de Houck te Terneuzen.
[oma (mz] ,grootmoeder moederszijde,
hierna te noemen: oma (mz),
wonende te [plaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
hierna te noemen de GI,
gevestigd te Eindhoven.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 12 maart 2026, ingekomen bij de griffie op 17 maart 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.

2.De feiten

2.1.
Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder.
2.2.
[minderjarige] woont bij oma (mz).

3.Het verzoek

3.1.
De Raad heeft de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verzocht voor de duur van twaalf maanden. Tevens is verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten bij oma (mz), voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek en stelt dat [minderjarige] al jarenlang opgroeit in een opvoedomgeving die ongrijpbaaris. Er zijn aanhoudende zorgen over de opvoedsituatie en veiligheid van [minderjarige] , zowel op korte als op lange termijn. Moeder heeft geen zicht op een stabiele woonplek en is moeilijk bereikbaar voor hulpverlening; het lukt niet om tot afspraken te komen met haar.. Moeder toont weinig tot geen bereidheid om samen te werken aan hulpverlening of om stappen te zetten om haar leven te stabiliseren. Moeder lijkt zichzelf voornamelijk te zien als benadeelde en schuift verantwoordelijkheid af naar hulpverlening. Wanneer zij geconfronteerd wordt met zorgen, kan moeder boos worden en ontkent ze de feiten en kan hierbij zichzelf opstellen als slachtoffer. Er kunnen geen concrete afspraken worden gemaakt over wat nodig is om [minderjarige] (en haar [halfzusje] )) (op termijn) thuis te laten wonen. Daarnaast zijn er zorgen over de leefomgeving van moeder, waaronder conflicten in de buurt, uitspraken over ernstige dreiging door de vader van [halfzusje] , financiële instabiliteit (geen werk), geen stabiele huisvesting, emotionele afwezigheid van moeder en het ontbreken van structurele interesse in de kinderen. Moeder lijkt de kinderen wel als ‘haar kinderen’ te zien, maar het is onduidelijk of er sprake is van emotionele verbondenheid. De grootste zorg is dat het huidige patroon van weinig openheid, minimale emotionele beschikbaarheid en het ontwijken van hulp ongewijzigd is gebleven. Een ondertoezichtstelling biedt een kader om zicht te creëren op moeder, de situatie te stabiliseren en regie te voeren op de veiligheid en hulpverlening. Er is dringend behoefte aan duidelijkheid, structuur en regie. Daarnaast dient er zicht te komen op de opvoedvaardigheden van moeder. Zonder dit zicht kunnen zorgen niet worden weggenomen en kan veiligheid niet worden geborgd. Moeder is namelijk de enige persoon met gezag over [minderjarige] . Tot slot is het nodig dat moeder aantoonbaar werkt aan stabiliteit in haar eigen leven, emotionele beschikbaarheid en samenwerking met hulpverlening. Zonder deze stappen blijven de zorgen bestaan en blijft het perspectief voor [minderjarige] (en [halfzusje] ) onzeker. De Raad vindt het noodzakelijk dat er iemand met een stevige regiefunctie komt die moeder op haar verantwoordelijkheid kan aanspreken en haar vooral meeneemt in de stappen die moeten worden genomen, dit in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] is gebaat bij een stabiele, voorspelbare en veilige opvoedplek waar zij langdurig kan opgroeien, zonder voortdurende onzekerheid over mogelijke veranderingen. Daarom dient binnen zes maanden onder regie van de jeugdbeschermer concreet te worden vastgesteld waar haar perspectief ligt. Dit vraagt om gericht onderzoek middels observaties in de opvoedsituatie van moeder, onder begeleiding van bijvoorbeeld Intensieve Pedagogische Thuishulp (IPT). Tijdens deze momenten kan worden gekeken welke opvoedvaardigheden moeder heeft, nog moet ontwikkelen en of zij hierin leerbaar is. Daarbij dient er ook aandacht te zijn voor sensitief –responsief moederschap, zoals door bijv. door middel van video interactie observaties. Daarnaast dient er een toetsing van de veiligheid en stabiliteit bij oma (mz). worden uitgevoerd en wat hierin nog te bereiken is. Daarnaast dienen heldere en toetsbare voorwaarden worden opgesteld waaraan moet worden voldaan, bijv. het nakomen van afspraken met de hulpverlening. Op basis van de bevindingen moet een expliciete en vastgelegde perspectiefbeslissing worden genomen, zodat voor [minderjarige] duidelijkheid, continuïteit en ontwikkelingszekerheid wordt gewaarborgd. Daarbij moet rekening worden gehouden met het feit dat moeder mogelijk ook de zorg krijgt voor [halfzusje] . Dit betekent in dat geval dat moeder in staat moet zijn om voor twee kinderen te zorgen. De Raad is van mening dat regievoering vanuit een jeugdbeschermer noodzakelijk is, zodat veiligheidsafspraken worden vastgelegd, gecontroleerd en nageleefd. [minderjarige] heeft volwassenen nodig die samenwerken, open communiceren en haar belangen centraal stellen. Ter zitting heeft de Raad nog naar voren gebracht dat er in april dit jaar een incident heeft plaatsgevonden waarbij moeder bij oma aan de deur stond om beide kinderen op te eisen. Oma was op dat moment niet thuis en op haar advies is moeder niet binnengelaten in de woning. Moeder heeft toen een raam ingeslagen en was mogelijk onder invloed van middelen. Sindsdien zijn er geen fysieke contacten meer geweest tussen [minderjarige] en de moeder.
4.2.
Door en namens de moeder wordt geen verweer gevoerd tegen het verzoek tot een ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing bij oma (mz). De moeder betreurt het incident in april dit jaar en stelt dat zij aan zichzelf heeft gewerkt en inmiddels een baan heeft en binnenkort ook een eigen woning zal betrekken. De moeder heeft alle vertrouwen in oma (mz) en zij weet dat er door haar goed voor beide kinderen wordt gezorgd. De moeder wenst wel dat [minderjarige] op termijn bij haar komt wonen. De moeder begrijpt dat de contacten tussen [minderjarige] en haar moeten worden opgebouwd en in eerste instantie begeleid zullen zijn.
4.3.
Door oma (mz) is desgevraagd ter zitting verklaard dat het belangrijkste voor haar de veiligheid van beide kinderen is. Ze wil dat beide kinderen onbezorgd kunnen opgroeien. Daarnaast wil ze er ook zijn voor haar eigen dochter. Oma (mz) wil het contact tussen moeder en de kinderen niet in de weg staan. Totdat [halfzusje] in augustus 2025 bij oma kwam wonen, verbleef [minderjarige] in de weekenden bij de moeder. Sinds april 2026 vindt er geen fysiek contact meer plaats tussen [minderjarige] en de moeder, alleen via videobellen. Oma (mz) stelt verder dat zij [minderjarige] heeft opgevoed vanaf dat zij vier maanden oud was en mede om die reden een speciale band met haar heeft. [minderjarige] noemt haar ook ‘mama’.
4.4.
De GI staat achter de verzoeken van de Raad, en kan als de ondertoezichtstelling wordt uitgesproken, direct starten.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De kinderrechter stelt allereerst vast dat sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] omdat er onduidelijkheid bestaat over haar opvoedperspectief en verblijfplaats. [minderjarige] heeft behoefte aan stabiliteit, duidelijkheid en continuïteit in haar opvoedsituatie. Op dit moment is er onzekerheid over de vraag of zij terug thuis geplaatst kan worden bij moeder, bij oma (mz) blijft wonen of dat zij in de toekomst elders zal opgroeien. Daarnaast is er weinig zicht op moeders mogelijkheden, echter zijn er zorgen over de opvoedmogelijkheden van moeder, haar persoonlijk functioneren en haar woonsituatie. Deze factoren maken dat nu niet kan worden vastgesteld dat [minderjarige] bij moeder veilig en stabiel kan opgroeien. Langdurige onzekerheid en wisselingen in perspectief kunnen schadelijk zijn voor haar emotionele ontwikkeling en hechtingsrelaties. De moeder van [minderjarige] is op dit moment onvoldoende in staat om onder eigen verantwoordelijkheid de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. In de afgelopen periode heeft er nauwelijks voortgang gezeten in de situatie van de moeder en duidelijk is dat de hulpverlening niet of nauwelijks van de grond is gekomen. Hulpverlening neemt onvoldoende positie in, en kan dit ook beperkt gezien het vrijwillig kader, en patronen blijven voortduren. Hierdoor blijven problemen bestaan en verandert er te weinig.
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat om de zorgen over het veilig opgroeien van [minderjarige] weg te nemen, tenminste de volgende door de Raad geformuleerde doelen dienen te worden behaald:
- [minderjarige] wordt niet belast met angst, spanning en onzekerheid maar ervaart rust en stabiliteit, zodat zij zich kan richten op haar ontwikkelingstaken;
- Er is duidelijkheid over het opvoedperspectief van [minderjarige] ;
- [minderjarige] is geen getuige van spanningen en ruzies tussen volwassenen;
- Er is zicht op de opvoedvaardigheden, responsiviteit en sensitiviteit als ook de veiligheid in de opvoedomgeving van moeder en oma (mz);
- De draaglast-draagkracht van moeder is in verhouding;
- Er is zicht op de veerkracht en het psychisch functioneren van moeder;
- Moeder en oma (mz) accepteren de nodige hulpverlening en geven openheid over hun zorgen.
5.4.
De kinderrechter vindt het belangrijk dat er de komende periode met de benodigde voortvarendheid aan de bovenstaande doelen wordt gewerkt om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. Verder is gebleken dat er na een incident in april dit jaar geen (fysiek) contact meer is tussen [minderjarige] en haar moeder. Dit contactverlies kan schadelijk zijn voor haar hechting en identiteitsontwikkeling. De kinderrechter acht het van belang dat het contact wordt hersteld en dat de contacten van [minderjarige] met haar moeder zo snel mogelijk terug van start gaan. Zoals ter zitting met partijen en de Raad is besproken dient dit in beginsel te gaan om begeleide (duurzame en veilige) korte contactmomenten van ongeveer een half uur, maximaal één uur en dan om te beginnen tweemaal per week, maar in ieder geval eenmaal per week. Omdat er nog veel stappen moeten worden gezet, zal de kinderrechter het verzoek toewijzen voor de volledige duur zoals verzocht. De kinderrechter geeft daarbij de opdracht aan de GI om regie te voeren in het proces en de belangen van [minderjarige] te bewaken.
5.5.
De kinderrechter zal gelet op het voorgaande [minderjarige] onder toezicht stellen voor de verzochte duur van een jaar.
5.6.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in haar belang. [2] [minderjarige] verblijft al vanaf dat zij vier maanden oud is (dus bijna vier jaar) bij oma (mz). Er zijn geen zorgen over het verblijf van [minderjarige] bij oma (mz). Moeder staat ook achter het verblijf bij oma (mz) en vindt dat in ieder geval op dit moment het meest in haar belang. Daarbij geldt volgens de Raad dat ten aanzien van oma (mz) een indicatie is afgegeven voor pleegzorg. De kinderrechter vindt het met de Raad in het belang van [minderjarige] dat de huidige situatie wordt geformaliseerd, ook gezien de stappen die nog moeten worden gezet in het kader van de ondertoezichtstelling. Gelet hierop zal de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen voor de verzochte duur van zes maanden. Het is van belang dat binnen deze periode gerichte hulpverlening wordt ingezet op het verkrijgen van zicht op de opvoedvaardigheden van moeder, het functioneren van moeder, en kan worden beoordeeld of zij voldoende vooruitgang boekt en of deze mogelijke vooruitgang voor langere tijd stabiel blijft. Ook kan in deze termijn worden geëvalueerd of de huidige verblijfplaats van [minderjarige] in haar belang is en blijft.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 27 mei 2026 en tot 27 mei 2027;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten oma moederszijde, met ingang van 27 mei 2026 en tot 27 november 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026 door mr. Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van De Pooter, griffier, en op schrift gesteld op 9 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.