ECLI:NL:RBZWB:2026:5675

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 juni 2026
Zaaknummer
C/02/448096 / JE RK 26-820
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Pellikaan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 lid 2 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van minderjarige kinderen wegens vermoedens van seksueel misbruik en bedreigde veiligheid

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen vanwege ernstige ontwikkelingsbedreiging. Er zijn vermoedens dat de vader seksueel grensoverschrijdend gedrag heeft gepleegd jegens een van de kinderen en haar meerderjarige zus. Dit heeft geleid tot grote zorgen over de veiligheid en het welzijn van de kinderen en ontregeling van het gezin.

Tijdens de zitting werden de ouders, de moeder en vader, gehoord evenals een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling. De vader heeft een incident toegegeven en is in behandeling bij een zorgaanbieder. De ouders zijn bereid tot hulpverlening, maar op dit moment onvoldoende in staat om de bedreiging weg te nemen. De moeder is overbelast en het gezin is ontregeld.

De kinderrechter concludeert dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en dat de ouders de situatie nog niet onder eigen verantwoordelijkheid kunnen oplossen. Daarom wordt het verzoek van de Raad toegewezen en worden de kinderen voor de duur van 12 maanden onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de doelen van de ondertoezichtstelling zijn gericht op veiligheid, verwerking van trauma's en respect voor seksuele grenzen.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige kinderen onder toezicht van de gecertificeerde instelling voor 12 maanden wegens ernstige zorgen over hun veiligheid en welzijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448096 / JE RK 26-820
Datum uitspraak: 27 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 7 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 mei 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
  • een vertegenwoordiger van de Raad;
  • de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 2] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. De kinderrechter heeft niet samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld, omdat [minderjarige 1] daar geen toestemming voor heeft gegeven.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun ouders.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van de GI te stellen voor de duur van 12 maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de Raad

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de Raad, samengevat, het volgende aan. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Op basis van verkregen informatie is [minderjarige 1] mogelijk slachtoffer van seksueel grensoverschrijdend gedrag door de vader. Ook de inmiddels meerderjarige zus van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zou slachtoffer zijn. De Raad maakt zich ernstige zorgen dat het seksueel misbruik het gevoel van veiligheid en vertrouwen van [minderjarige 1] heeft beschadigd. De vader is iemand die juist veiligheid zou moeten bieden vanuit zijn vertrouwensrelatie met [minderjarige 1] . De impact van het seksueel misbruik op [minderjarige 1] , maar ook op [minderjarige 2] , baart de Raad zorgen. Hun levens staan op zijn kop door de openbaring dat er seksueel misbruik heeft plaatsgevonden en de veiligheidsmaatregelen die sindsdien zijn genomen. De vader heeft toegegeven dat er één incident heeft plaatsgevonden, maar de Raad kan omwille van de veiligheid van de kinderen niet uitsluiten dat er verder misbruik heeft plaatsgevonden. Het hechte gezin is ontregeld en de moeder is overbelast geraakt. De Raad maakt zich ook zorgen over het vermogen van de ouders om de ernst van de situatie te begrijpen en de consequenties hiervan te overzien. waardoor de veiligheid en het welzijn van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedreigd wordt. Ook de situatie dat de kinderen voelen dat zij de ervaringen niet mogen delen is heel zorgelijk.
4.2.
De ouders zijn bereid, maar op dit moment onvoldoende in staat om onder eigenlijk verantwoordelijkheid de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Het staat niet ter discussie dat de vader een grens is overgegaan, maar het is onduidelijk of de vader het vermogen heeft te begrijpen waar hij de grens is overgegaan. Er is een behandeling gestart voor de vader bij [zorgaanbieder] . De ouders willen de problemen graag binnen het gezin houden en oplossen. De Raad is van mening dat intensieve systeemtherapie in de vorm van MST-CAN passend zou kunnen zijn. Er zijn veel krachten in het systeem en de Raad vreest dat als er niet wordt doorgepakt met hulpverlening, ook wat er nu wel goed gaat zal worden afgebroken. Ook moet worden bezien of de huidige veiligheidsafspraken nog steeds passend zijn.

5.De standpunten van de belanghebbenden

5.1.
De moeder heeft, samengevat, aangegeven dat [minderjarige 1] zich schaamt voor de situatie en een trauma heeft overgehouden aan het gesprek met Veilig Thuis. Dit gesprek duurde een aantal uur en [minderjarige 1] heeft veel gehuild. Het gaat nu wel beter met haar. De kinderen hebben gesprekken gehad bij [zorgaanbieder] . De moeder is blij dat de kinderen iemand hebben om in vertrouwen mee te praten. Zij heeft zelf contact met de praktijkondersteuner. De moeder vindt de situatie heel moeilijk. Zij begrijpt de veiligheidsafspraken, maar is blij dat het na een aantal maanden weer rustiger is. Iedereen heeft hard gewerkt om het gezin bij elkaar te houden. De ouders doen hun best voor de toekomst van de kinderen.
5.2.
Door de vader is, samengevat, naar voren gebracht dat hij begrijpt dat de ondertoezichtstelling nodig is, zodat in de gaten kan worden gehouden hoe het gaat en het gezin stapje voor stapje bij elkaar kan komen. De vader is gestart met een behandeling bij [zorgaanbieder] . De kinderen hebben daar ook gesprekken gehad. De vader hoopt dat de therapie het gezin zal redden. Hij is bang dat door de ondertoezichtstelling de hulpverlening dubbel zal plaatsvinden. De vader geeft aan dat hij weet wat zijn grenzen zijn, dat het nooit meer zal gebeuren en dat hij zijn lesje heeft geleerd.

6.Het standpunt van de GI

6.1.
Door de GI is, samengevat, naar voren gebracht dat de zaak als urgent is aangemerkt, maar dat dat niet betekent dat er direct een vaste jeugdbeschermer beschikbaar is. Er kan niets worden gezegd over de termijn waarbinnen dat wel het geval zal zijn. Het is de insteek van de GI om te voorkomen dat de hulpverlening dubbel plaatsvindt, maar aangezien [zorgaanbieder] al gestart is met therapie voor de kinderen zal wel moeten worden onderzocht of dit passende hulpverlening voor de kinderen is. Het zou dus kunnen dat de kinderen moeten overstappen naar een andere zorgaanbieder.

7.De beoordeling

7.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
7.2.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, blijkt dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Er bestaan grote zorgen over hun veiligheid en welzijn, gelet op de vermoedens dat er lange tijd sprake is geweest van seksueel misbruik van [minderjarige 1] en haar meerderjarige zus door de vader. Het naar buiten brengen hiervan heeft een grote impact op het hechte gezin. Moeder is overbelast geraakt. Er zijn veiligheidsafspraken gemaakt, in verband waarmee de vader momenteel niet thuis verblijft. Er bestaan ernstige zorgen dat het gevoel van veiligheid en vertrouwen van [minderjarige 1] is beschadigd en er bestaan zorgen dat [minderjarige 1] klem zit tussen enerzijds het feit dat zij wil dat het goed gaat met het gezin en anderzijds dat zij moet verwerken wat er is gebeurd. De vader heeft aangegeven zich inmiddels bewust te zijn van het feit dat hij een grens is overgegaan en hij krijgt inmiddels hulpverlening via [zorgaanbieder] . De ouders hebben eerder aangegeven de situatie graag binnen het gezin te willen houden. Mogelijk dat de kinderen hierdoor voelen dat zij hun ervaringen niet mogen delen.
7.3.
De ouders zijn bereid, maar op dit moment onvoldoende in staat om onder eigenlijk verantwoordelijkheid de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Zo is het de vader niet altijd gelukt zich aan de veiligheidsafspraken te houden en is het de vraag of de ouders de ernst van de situatie begrijpen en de consequenties hiervan overzien. De verwachting is dat de ouders de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] binnen een voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aanvaardbare termijn weer zelf kunnen dragen.
7.4.
Gezien het voorgaande zal de kinderrechter het niet weersproken verzoek van de Raad toewijzen en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van de GI stellen voor de duur van 12 maanden. Gezien de complexe situatie en de doelen waaraan binnen de ondertoezichtstelling moet worden gewerkt, wordt dit een passende termijn geacht.
7.5.
De doelen waaraan tijdens de ondertoezichtstelling gewerkt moet worden, zijn:
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op in een veilige omgeving waar hun grenzen gerespecteerd worden;
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in staat/in de gelegenheid om hun gedachten en gevoelens te delen, ze zitten goed in hun vel (ontspannen en vertrouwen in zichzelf);
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben traumatische gebeurtenissen een plek gegeven;
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben ouders die hun seksuele grenzen respecteren. Daarnaast zijn zij bewust van de grenzen met betrekking tot seksualiteit en intimiteit. En weten wat waarden en normen zijn met betrekking tot seksualiteit en intimiteit. Dit betekent dat zij weten wat goed is voor hen en wat zij niet willen of fijn vinden. Tot slot, weten de kinderen bij wie ze hulp kunnen zoeken.
7.6.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7.7.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

8.De beslissing

De kinderrechter:
8.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant Etten-Leur met ingang van 27 mei 2026 tot 27 mei 2027;
8.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026 door mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 10 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.