ECLI:NL:RBZWB:2026:5665

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 juni 2026
Zaaknummer
C/02/414613 FA RK 23-4676
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Hopmans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking over co-ouderschapsregeling en hoofdverblijf minderjarige kinderen

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 27 mei 2026 een zaak over de zorg- en hoofdverblijfregeling van drie minderjarige kinderen van gescheiden ouders. De man verzocht om een 50-50 co-ouderschapsregeling met gelijke verdeling van zorg en verblijf, waarbij de kinderen wekelijks wisselen tussen beide ouders. Tevens verzocht hij om vaststelling van het hoofdverblijf per kind en wijziging van de inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP).

De vrouw verzocht afwijzing van deze verzoeken en stelde dat de kinderen liever meer tijd bij haar doorbrengen, dat de man de co-ouderschapsregeling niet aankan en dat het hoofdverblijf bij haar moet blijven. De gecertificeerde instelling (GI) en de Raad voor de Kinderbescherming adviseerden de rechtbank om de 50-50 regeling vast te stellen en geen hoofdverblijf toe te wijzen, omdat er geen contra-indicaties waren en de regeling goed functioneerde.

De rechtbank oordeelde dat de 50-50 regeling in het belang van de kinderen is en dat de bezwaren van de vrouw onvoldoende zijn onderbouwd. De verzoeken tot vaststelling van het hoofdverblijf en wijziging van de inschrijving in de BRP werden afgewezen, mede omdat het wijzigen van het inschrijfadres niet noodzakelijk was en mogelijk tot nieuwe conflicten zou leiden. De rechtbank stelde de zorgregeling vast met wekelijkse wisseling en gelijke verdeling van schoolvakanties en feestdagen, en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank stelt een 50-50 co-ouderschapsregeling vast en wijst verzoeken tot vaststelling hoofdverblijf en wijziging inschrijving BRP af.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/414613 FA RK 23-4676
datum uitspraak 27 mei 2026
beschikking betreffende hoofdverblijf en zorgregeling
in de zaak van
[de man],
wonende te [plaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. W. Tiggelaar, kantoorhoudende te Middelburg,
en
[de vrouw],
wonende te [plaats 2] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. M. Krijger, kantoorhoudende te Goes.
Ouders van de navolgende minderjarige kinderen:
  • [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2013;
  • [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 2] 2015;
  • [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2018.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
Stichting Jeugdbescherming West Zeeland,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1 Het verdere procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking d.d. 28 oktober 2025 en alle daarin genoemde stukken;
- de brief d.d. 27 november 2025 van de GI;
- de brief d.d. 16 december 2025 van mr. Tiggelaar met bijlage;
- de brief d.d. 16 december 2025 van mr. Krijger met bijlage;
- het F9-formulier d.d. 18 december 2025 van mr. Tiggelaar met bijlage;
- het F9-formulier d.d. 30 maart 2026 van mr. Tiggelaar met bijlagen;
- het F9-formulier d.d. 31 maart 2026 van mr. Tiggelaar met bijlagen;
- het aanvullend verweerschrift tevens houdende nader zelfstandig verzoek van de vrouw met bijlagen, ingekomen ter griffie op 30 maart 2026.
1.2 De zaak is nader mondeling behandeld op de zitting van 9 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens waren aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad en twee vertegenwoordigers van de GI.
1.3 Na te noemen minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Op 7 april 2026 is ingekomen ter griffie het keuzeformulier van [minderjarige 2] . De minderjarigen hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om in gesprek met de kinderrechter te gaan.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij genoemde beschikking d.d. 28 oktober 2025 is de zaak betreffende de beslissing op de verzoeken tot het vaststellen van het hoofdverblijf en de zorgregeling aangehouden tot de familiekamerrol van 16 december 2025 in afwachting van schriftelijk verslag van de GI en de reactie van de advocaten van partijen daarop en hun standpunt ten aanzien van het verdere procesverloop.
Aan de orde zijn thans nog het hoofdverblijf en de zorgregeling.
2.2.
Uit de na voornoemde beschikking ingekomen stukken volgt dat de kinderrechter van deze rechtbank de ondertoezichtstelling van de minderjarigen heeft verlengd van
11 december 2025 tot 11 december 2026.
Zorgregeling en hoofdverblijf
2.3.
De man verzoekt thans een gelijkwaardige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te leggen in die zin dat een co-ouderschapsregeling geldt van 50-50, waarbij de minderjarigen de ene week van vrijdag tot vrijdag bij de man en de andere week van vrijdag tot vrijdag bij de vrouw verblijven. Voor wat betreft het hoofdverblijf heeft de man verzocht te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben en [minderjarige 3] bij de man. Hij heeft daartoe, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Vanaf afgelopen januari is de 50-50 regeling van kracht. Die regeling loopt goed en prettig. Bij de man hebben de minderjarigen niet aangegeven dat zij liever een andere regeling hebben waarbij zij meer tijd met de vrouw doorbrengen. Er is door de GI toegewerkt naar de 50-50 regeling en iedere uitbreiding is eerst door de GI met de minderjarigen besproken. Uit alle evaluaties en het eindverslag van de IPT volgt dat er geen zorgen zijn die in de weg staan aan een 50-50 regeling. De wijze waarop partijen met elkaar communiceren is niet zodanig dat een wijziging in de 50-50 regeling moet plaatsvinden. Bovendien zou dat de situatie ook niet veranderen. De vrouw wijst op de boosheid van de man maar onderbouwt dat niet. De IPT heeft geen boosheid geconstateerd. Ook is dit niet naar voren gekomen in het kindtraject dat de minderjarigen hebben doorlopen. De juridische geschillen tussen partijen zijn opgelost nu de hoger beroepen door beide partijen zijn ingetrokken. De man belast de minderjarigen niet met volwassenzaken zoals de vrouw stelt. De man is in staat om de helft van de tijd voor de minderjarigen te zorgen; hij doet dit nu al een aantal maanden. Ook tijdens het huwelijk gingen de minderjarigen in deze frequentie naar de BSO. Er moet in de regeling geen uitzondering op de woensdagmiddag voor [minderjarige 1] worden gemaakt; dit zou een signaal richting de minderjarigen kunnen afgeven dat er continu geschoven kan worden. Partijen kunnen dit eventueel onderling afstemmen. Tijdens de zitting heeft de man aangegeven dat, als men zuiver kijkt, geen hoofdverblijf dient te worden vastgesteld bij een co-ouderschap. Vastleggen van de minderjarigen waar zij zijn ingeschreven zou wel een mogelijkheid zijn. Dat is voor de minderjarigen ook niet merkbaar maar voor partijen is het wel van emotionele betekenis. De man is door de vrouw ook regelmatig buiten spel gezet. Ook is er een financieel belang. Beide partijen dienen dan in ieder geval één van de minderjarigen op zijn dan wel haar adres ingeschreven te hebben. Nu [minderjarige 3] in [plaats 1] naar school gaat, ligt het voor de hand dat hij op het adres van de man wordt ingeschreven.
2.4.
De vrouw verzoekt thans, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de man omtrent de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen af te wijzen en te bepalen dat de minderjarigen hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben. Voorts verzoekt zij de door de man verzochte zorgregeling af te wijzen en te bepalen dat de man de zorg draagt voor de minderjarigen van vrijdagmiddag na schooltijd tot woensdagochtend aanvang schooltijd, alsmede gedurende de helft van de reguliere schoolvakanties, dan wel een zodanige zorgregeling te bepalen als de rechtbank in goede justitie het meest in het belang van de minderjarigen acht. Zij heeft daartoe, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Tijdens de vorige zitting was het uitgangspunt van de rechter dat toegewerkt moest worden naar een 50-50 regeling. Namens de GI is toen aangegeven dat dat het uitgangspunt was maar dat dit wel afhankelijk was van wat de minderjarigen aangaven. De minderjarigen hebben aangegeven liever meer tijd bij de vrouw dan bij de man door te willen brengen. De jeugdbeschermer heeft aangegeven daarmee niets te kunnen doen nu de minderjarigen hun standpunt niet konden onderbouwen. De minderjarigen weten niet hoe ze het moeten zeggen, daarbij speelt angst voor de boosheid van de man een rol.
De minderjarigen worden dan ook niet gehoord en niet gevoeld. De IPT was niet volwaardig nu er slechts drie observaties zijn geweest terwijl er genoeg stressvolle situaties zijn geweest. De boosheid van de man in relatie met het contact tussen de minderjarigen wordt daarin niet genoemd. De man kan de co-ouderschapsregeling niet aan, hij belast de minderjarigen met volwassenproblematiek, spreekt negatief over de vrouw en er zijn diverse gezag geschillen tussen partijen. Ook kunnen partijen geen gezamenlijke beslissingen nemen. De man wil thans, in het kader van de ouderschapsbemiddeling, alleen gesprekken met Juvent voeren. Ook de wisselmomenten van de minderjarigen op school op de vrijdag leveren moeilijkheden op. Verder voert de vrouw aan dat zij het meest beschikbaar is voor de minderjarigen. Gelet op voornoemde contra-indicaties is een 50-50 regeling niet in het belang van de minderjarigen, aldus de vrouw.
Het hoofdverblijf dient, juist omdat er zoveel discussie tussen partijen is, bij de vrouw te zijn. Partijen kunnen over het financieel voordeel dat daaruit voortvloeit samen afspraken maken; de vrouw staat daarvoor open.
2.5.
Namens de GI is tijdens de zitting, samengevat, het volgende aangevoerd. De IPT is na drie sessies afgesloten omdat er geen zorgen waren over de man. De 50-50 regeling lijkt goed te lopen en partijen houden zich eraan. Wel zijn er soms onduidelijkheden op de vrijdag (het wisselmoment); partijen hebben daarover wel afspraken gemaakt maar het is aan de ouderschapsbemiddeling om daar definitieve afspraken over te maken. Met de minderjarigen is vóór iedere uitbreiding van de zorgregeling gesproken; daarbij is met iedere minderjarige apart gesproken. Zij gaven bij iedere uitbreiding aan dat zij liever bij hun moeder zijn maar dat ze het bij hun vader ook fijn vinden. Ze gaven daarbij geen reden aan waarom zij liever bij hun moeder zijn. [minderjarige 1] gaf aan haar moeder te missen. Loyaliteit speelt mee bij de minderjarigen. Er zijn geen redenen of signalen dat het niet goed zou gaan met de minderjarigen bij de man. De school heeft aangegeven geen verschil in het gedrag van de minderjarigen te zien als zij bij de man of bij de vrouw verblijven. De GI ziet geen reden om de 50-50 regeling niet vast te leggen.
2.6.
Namens de Raad is tijdens de zitting, samengevat, het volgende aangevoerd. De lijn die de GI aangeeft, moet worden gevolgd en de regeling moet niet worden aangepast. Er zijn onvoldoende gewijzigde omstandigheden of contra-indicaties waarom de 50-50 regeling niet gehandhaafd kan blijven. De verhalen van de minderjarigen zijn onvoldoende terug te vinden in de evaluaties kindtraject maart 2026. In het verslag over [minderjarige 1] is juist terug te lezen dat zij er last van heeft dat de ouders negatief over elkaar praten. In het verslag over [minderjarige 2] is te lezen dat zij hoopt dat ouders ooit minder boos op elkaar zijn. De minderjarigen hebben veel last van loyaliteitsproblemen; er is ter zake werk te verrichten voor de ouders in de ouderschapsbemiddeling. Als ouders leren op een andere manier met elkaar samen te werken en de strijdbijl te begraven, zal dit de minderjarigen rust geven waaraan zij behoefte hebben. De lijn zoals die er nu is moet worden gevolgd. De Raad doet daarbij een beroep op ouders dat zij samen aan de slag gaan.
Bij een dergelijke co-ouderschapsregeling ziet de Raad geen reden om een hoofdverblijf te bepalen. Het gaat om de inschrijving van de minderjarigen. Als ouders het goed kunnen regelen, ook voor wat betreft de financiën, ziet de Raad geen reden om daarin nu een wijziging aan te brengen.
Zorgregeling
2.7.
De rechtbank overweegt als volgt. Evenals de GI en de Raad ziet de rechtbank geen contra-indicaties om de 50-50 zorgregeling waarbij de minderjarigen de ene week van vrijdag tot vrijdag bij de man verblijven en de andere week bij de vrouw vast te leggen. Deze regeling loopt reeds vanaf januari jl. en onvoldoende is gebleken dat deze regeling niet in het belang van de minderjarigen is.
De door de vrouw gestelde bezwaren gelegen in de persoon van de man, die de man betwist, blijken niet uit de overgelegde stukken en zijn door de vrouw verder niet op andere wijze onderbouwd. Uit het eindrapport betreffende de minderjarigen van Goed Genoeg Opvoederschap, waarbij IPT is ingezet, blijkt juist dat sprake is van een fysiek veilig en emotioneel warm opvoedklimaat bij de man waarin alle minderjarigen worden voorzien in hun behoeften en dat het opvoederschap van de man als goed genoeg wordt bevonden.
De vrouw wordt niet gevolgd in haar standpunt dat de IPT niet volwaardig is geweest nu er ‘slechts’ drie observatiemomenten zijn geweest. De hulpverlenende instantie heeft drie observatiemomenten voldoende geacht om een goed beeld van de thuissituatie te verkrijgen en de rechtbank ziet geen aanleiding om aan de deskundigheid van de hulpverlenende instantie te twijfelen. Derhalve wordt uitgegaan van de juistheid van voornoemd eindrapport.
De gezag geschillen waarop de vrouw wijst, staan los van de (omvang van de) zorgregeling. Daarbij komt dat gezag geschillen de verantwoordelijkheid van beide partijen zijn.
Anders dan de vrouw stelt, is er naar het oordeel van de rechtbank wel voldoende naar de mening van de minderjarigen geluisterd. Zo staat vast dat de minderjarigen in voldoende mate door de GI zijn betrokken in de uitbreiding van de regeling nu de GI steeds voorafgaand aan een uitbreiding met de minderjarigen daarover heeft gesproken. Daarbij komt dat, zoals de Raad heeft aangegeven, uit de evaluatie kindtraject van maart jl. - welk traject is gestart op 11 september 2025 en inmiddels is afgesloten - niet blijkt dat de minderjarigen daar hebben aangegeven dat zij liever meer tijd bij de vrouw dan bij de man door te willen brengen. Weliswaar hebben de minderjarigen bij de GI aangegeven dat zij liever bij de vrouw dan bij de man zijn, hetgeen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] eerder ten behoeve van de vorige zitting in juli 2025 ook bij de rechtbank hebben aangegeven, maar daarbij hebben zij, zoals door de GI tijdens de zitting van 9 april jl. onweersproken is aangegeven, bij de GI voor de uitbreidingen die hebben geleid tot de 50-50 regeling aangegeven het bij de man ook fijn te vinden. Daar komt bij dat uit de evaluaties kindtraject maart 2026 volgt dat, zoals de Raad ook onweersproken heeft aangegeven, de minderjarigen behoefte hebben aan rust, dat beide ouders goed met elkaar omgaan en de strijdbijl begraven, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank eveneens uit het ten behoeve van de zitting in juli 2025 gevoerde gesprek met [minderjarige 1] en de in dat kader overgelegde brief van [minderjarige 2] volgt. Voorts sluit de rechtbank niet uit dat de minderjarigen in een loyaliteitsconflict verkeren, zulks gelet op de inhoud van de evaluaties kindtraject maart 2026 en hetgeen de Raad daarover, zoals hierboven uiteen is gezet, heeft aangegeven tijdens de zitting. Gezien het vorenoverwogene ziet de rechtbank in hetgeen de minderjarigen hebben aangegeven dat zij het bij de vrouw fijner vinden dan bij de man, geen doorslaggevende factor om geen 50-50 regeling vast te stellen.
Partijen hebben verder nog praktische bezwaren aangevoerd zoals met betrekking tot het wisselmoment op de vrijdag en de omstandigheid dat [minderjarige 1] op de woensdagmiddag in de week waarin zij bij de man verblijft naar de vrouw wil. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen deze problemen bij de ouderschapsbemiddeling aan de orde stellen en hieromtrent met behulp van de ouderschapsbemiddeling tot afspraken komen.
2.8.
Gelet op het vorenstaande zal de door de man verzochte co-ouderschapsregeling worden vastgesteld. Daarbij zal, nu partijen het daarover eens zijn, worden bepaald dat de reguliere schoolvakanties tussen partijen bij helfte worden verdeeld. Voorts zal worden bepaald dat de feestdagen tussen partijen bij helfte worden verdeeld, zoals de man heeft verzocht en de vrouw niet heeft weersproken. Het meer of anders verzochte omtrent de zorgregeling zal worden afgewezen.
Hoofdverblijf en/of inschrijving BRP
2.9.
Gezien het vorenstaande is sprake van een co-ouderschap waarbij de minderjarigen ongeveer evenveel tijd bij de man als bij de vrouw doorbrengen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om te bepalen dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij één van de ouders. Dat doet namelijk geen recht aan de gelijkwaardige rol die de ouders in geval van een co-ouderschap vervullen. De rechtbank vindt het dan ook niet in het belang van de minderjarigen om de hoofdverblijfplaats bij één van de ouders te bepalen; de verzoeken van partijen hieromtrent zullen dan ook worden afgewezen.
2.10.
Voor zover de verzoeken van de man moeten worden begrepen als tevens een verzoek tot inschrijving van de minderjarigen op een BRP-adres, in die zin dat [minderjarige 3] op zijn adres wordt ingeschreven, zal de rechtbank dit verzoek afwijzen. De minderjarigen zijn op dit moment op het adres van de vrouw ingeschreven en gesteld noch gebleken is dat dit tot problemen leidt. De rechtbank ziet in hetgeen de man heeft aangevoerd geen aanleiding om het inschrijfadres van [minderjarige 3] te wijzigen in die zin dat hij op het adres van de man wordt ingeschreven. De financiële redenen - de kinderbijslag en het kindgebonden budget (kgb) - die de man aanvoert, acht de rechtbank onvoldoende om tot een wijziging van het inschrijfadres te komen. Deze financiën hangen niet aan een inschrijfadres omdat bij een co-ouderschap partijen afspraken kunnen maken over wie de kinderbijslag en het kgb ontvangt en de vrouw heeft tijdens de zitting aangegeven ervoor open te staan om over deze financiële voordelen afspraken met de man te maken. Zij heeft voorgesteld dit in het traject van de ouderschapsbemiddeling op te pakken. Ook het emotionele belang dat de man heeft aangevoerd is hier niet doorslaggevend. Voorts is anderszins gesteld noch gebleken dat een wijziging in het inschrijfadres in het belang van [minderjarige 3] noodzakelijk is. Verder is niet uitgesloten dat een overschrijving van [minderjarige 3] naar het adres van de man, gelet op hun moeizame relatie, tot nieuwe problemen in de verhoudingen tussen partijen leiden, hetgeen niet in het belang van de minderjarigen is.

3.De beslissing

De rechtbank:
stelt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt vast:
de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2013,
[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 2] 2015 en
[minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2018,
verblijven de ene week van vrijdag tot vrijdag bij de man en de andere week van vrijdag tot vrijdag bij de vrouw, waarbij het wisselmoment op de vrijdag na schooltijd is;
bepaalt dat de reguliere schoolvakanties en feestdagen tussen partijen bij helfte worden verdeeld;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hopmans, rechter, tevens kinderrechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Krijger-de Keuning, griffier, in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.