ECLI:NL:RBZWB:2026:566

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
26/8 en 26/137
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning bouw woning

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen twee omgevingsvergunningen voor de bouw van een woning in de gemeente Hulst, omdat de bouwactiviteiten al zijn gestart zonder benodigde vergunningen en onderzoeken. De cascowoning is inmiddels gerealiseerd, en de resterende werkzaamheden betreffen vooral afwerking zoals gevelbekleding en kozijnen.

De voorzieningenrechter overweegt dat de voorlopige voorzieningenprocedure bedoeld is voor situaties met onverwijlde spoed. Hoewel verzoeker stelt dat de resterende werkzaamheden onomkeerbare gevolgen hebben, oordeelt de rechter dat deze werkzaamheden relatief eenvoudig ongedaan kunnen worden gemaakt en dat de impact op brandveiligheid en het straatbeeld beperkt is. Ook is niet gebleken dat de omgevingsvergunningen betrekking hebben op ophoging van het maaiveld.

Gezien de vergevorderde bouwfase, de beperkte ingrijpende aard van de resterende werkzaamheden en de verwachting dat de bezwaarprocedure spoedig wordt afgerond, is het spoedeisend belang onvoldoende aannemelijk gemaakt. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunningen voor bouw woning wordt afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 26/8 en 26/137

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. M.P.M. de Rooij),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst, het college.

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [vergunninghouder] uit [plaats] (vergunninghouder).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening van verzoeker tegen twee omgevingsvergunningen voor het bouwen van een woning op de locatie [adres] (gemeente Hulst). Het verzoek is gericht tegen de omgevingsvergunning van 16 september 2025 (voor een omgevingsplanactiviteit) en de omgevingsvergunning van 19 september 2025 (voor een technische bouwactiviteit).
1.1.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.
2.2.
Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift toegelicht dat het spoedeisend belang evident is omdat de bouwactiviteiten zijn aangevangen en onverminderd doorgaan waardoor een onomkeerbare situatie ontstaat. De situatie is juridisch en feitelijk onzeker omdat een vergunning van het waterschap ontbreekt, omdat een nulmeting conform het peil ontbreekt, omdat geen archeologisch onderzoek is verricht en omdat geen voorafgaande risicobeoordeling bij het heiwerk is uitgevoerd.
2.3.
Vergunninghouder heeft telefonisch toegelicht dat de bouw van de woning in een vergevorderd stadium bevindt omdat de casco woning inmiddels is gerealiseerd. Volgens de planning zouden alleen nog de bekleding en de gevels moeten worden geplaatst. Gelet op deze toelichting, heeft de rechtbank verzoeker in de gelegenheid gesteld om zijn spoedeisend belang verder toe te lichten.
2.4.
Verzoeker heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. In zijn reactie beaamt verzoeker dat de cascowoning inmiddels is gerealiseerd en dat in de huidige fase de woning verder af wordt gebouwd voor ingebruikname met achtereenvolgens het realiseren van het metselwerk en de gevelbekleding, het plaatsen van de kozijnen en ramen, het wind- en waterdicht maken van het gebouw en de aanleg van installaties (waaronder elektra, water en ventilatie).
Verzoeker stelt in de reactie dat ingrijpen na deze werkzaamheden in de huidige fase niet meer reëel is zodat bezwaar of beroep niet kan worden afgewacht. Het aanbrengen van de gevels en bekleding van de kozijnen is in de eerste plaats bepalend voor de finale verschijningsvorm en de ruimtelijke impact van het bouwwerk. Het gaat namelijk om niet ondergeschikte afwerkingsdetails die moeilijk herstelbaar zijn. Ten tweede is na het aanbrengen van de gevels en kozijnen het aanpassen van brandwerende voorzieningen of het wijzigen van gevelopeningen nauwelijks nog mogelijk. Gezien de geringe afstand tot de naastgelegen woning zijn de gevelopbouw, materiaalkeuze en de positie en omvang van ramen en deuren van direct belang voor de beoordeling van het risico op brandoverslag. Ten derde leidt de ophoging van het maaiveld en de verhoogde fundering tot blijvende gevolgen voor het straatbeeld, de waterafvoer en de relatie met omliggende percelen. Zodra het terrein verder wordt ingericht en afgewerkt, is herstel of aanpassing van het maaiveld feitelijk uitgesloten. Ten slotte vindt verzoeker dat hem niet kan worden tegengeworpen dat het verzoek is ingediend tijdens een vergevorderd stadium van de uitvoeringsfase. Dit is namelijk een gevolg van de feitelijke en procedurele gang van zaken. De verwachting dat binnen enkele weken op het bezwaar zal worden beslist, biedt onvoldoende zekerheid om het spoedeisend belang te ontkennen.
2.5.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een voldoende spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening heeft. Niet in geschil is dat in de huidige fase van het project alleen nog de afronding van de bouwwerkzaamheden aan de orde is, namelijk het plaatsen van de bekleding en de gevels. Dat betekent dat vaststaat dat met schorsing van de omgevingsvergunningen alleen het plaatsen van de bekleding, kozijnen en de gevels (en het realiseren van de aansluitingen) kan worden voorkomen.
Anders dan verzoeker, zijn deze werkzaamheden naar oordeel van de voorzieningenrechter niet zo ingrijpend zodat moet worden aangenomen dat het niet reëel is om deze nog ongedaan te maken. De voorzieningenrechter overweegt dat de impact van de ramen en kozijnen op de uitstraling ondergeschikt is aan de reeds gerealiseerde cascowoning. Bovendien zijn de werkzaamheden die nog moeten gebeuren relatief eenvoudiger ongedaan te maken dan de werkzaamheden die al zijn voltooid. Van (onomkeerbare) gevolgen voor de brandveiligheid is dus ook geen sprake. Voor het ophogen van het maaiveld constateert de voorzieningenrechter verder dat de omgevingsvergunningen niet zien op een ophoging van het maaiveld. De omstandigheid dat de gevolgen van de nog uit te voeren werkzaamheden beperkt zijn, de omstandigheid dat zij relatief eenvoudiger ongedaan kunnen worden gemaakt, een en ander gecombineerd met de verwachting van het college dat de beslissing op bezwaar op korte termijn zal worden genomen en reeds een hoorzitting heeft plaatsgevonden, maakt dat er een onvoldoende spoedeisend belang is bij het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 2 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.