ECLI:NL:RBZWB:2026:5655

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 juni 2026
Zaaknummer
C/02/445783 / JE RK 26-395
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 282 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding verzoek ondertoezichtstelling minderjarigen en opdracht tot raadsonderzoek

De moeder verzoekt de kinderrechter om haar twee minderjarige kinderen onder toezicht te stellen vanwege ernstige bedreiging van hun ontwikkeling, met name door het langdurig ontbreken van contact tussen moeder en kinderen en het ontbreken van communicatie tussen ouders.

De vader woont met de kinderen en voert verweer tegen het verzoek. Hij ontkent agressie en geweld en stelt dat hulpverlening in een vrijwillig kader kan worden ingezet. Hij verzoekt tevens om wijziging van het hoofdverblijf van een van de kinderen en opschorting van de huidige zorg- en contactregeling.

De Raad voor de Kinderbescherming is bereid een onderzoek te starten naar de zorgregeling, het gezag en de noodzaak van een beschermingsmaatregel. De kinderrechter oordeelt dat er onvoldoende informatie is om het verzoek te beoordelen en houdt de zaak aan. De Raad wordt verzocht een onderzoek te doen en hierover te rapporteren. Totdat een beslissing is genomen, wordt een van de kinderen voorlopig aan de vader toevertrouwd.

Uitkomst: Het verzoek tot ondertoezichtstelling wordt aangehouden en de Raad voor de Kinderbescherming wordt verzocht een onderzoek te doen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445783 / JE RK 26-395
Datum uitspraak: 27 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. B.H.S Brinkman uit Heerlen.
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. M.A. Breewel-Witteveen uit Goes.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT,locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 maart 2026.
  • het verweerschrift met bijlagen van vader, ontvangen op 7 mei 2026.
  • de door mr. Brinkman ter zitting overgelegde pleitnota.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hier geen gebruik van gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun vader.

3.Het verzoek

3.1.
De moeder verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder wordt aangevoerd dat de moeder haar verzoek handhaaft. De moeder staat, subsidiair, ook achter een raadsonderzoek. Primair wordt de ontwikkeling van de kinderen dermate ernstig bedreigd dat een ondertoezichtstelling nodig is. De grootste zorg is dat de moeder al meer dan een jaar geen contact heeft met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Er is daarnaast geen enkele vorm van communicatie tussen de ouders, ook niet over de kinderen. Alle gerechtelijke procedures hebben niet geholpen om deze impasse te doorbrengen. Het gedwongen kader is nodig om hulpverlening voor de kinderen in te zetten en om te werken aan contactherstel. De moeder is bang van de vader, hetgeen maakt dat een neutrale derde partij nodig is om de overdrachten van de kinderen te begeleiden. Verder dienen de door vader ingediende zelfstandige verzoeken niet-ontvankelijk verklaard te worden, nu artikel 282 Rechtsvordering Pro enkel toestaat dat een zelfstandig verzoek kan worden ingediend mits dit betrekking heeft op het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek. De verzoeken van de vader over het hoofdverblijf en de opschorting van de omgang hebben geen betrekking op de ondertoezichtstelling.
4.2.
Door en namens de vader wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder. De vader verwijst voor de onderbouwing van zijn verweer naar het verweerschrift van 13 mei 2026. Twee jaar geleden bleek er geen grond te zijn voor een ondertoezichtstelling. De moeder heeft sindsdien op geen enkele wijze getoond bereid te zijn om afspraken te maken. Het is de vader niet gelukt om contact te krijgen met de moeder. De vader herkent zich niet in de door moeder gestelde agressie en geweld van de vader richting de moeder; dit is bovendien nooit aangetoond. De vader staat ervoor open dat de moeder weer omgang krijgt met de kinderen. Daarvoor zijn duidelijkheid en structuur noodzakelijk. De vader bepleit daarom om te starten met begeleide omgang. Er is hulpverlening nodig, maar dit kan in het vrijwillig kader worden ingezet. De vader verzoekt de rechtbank een wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige 2] naar de vader, de opschorting van de huidige zorg- en contactregeling en een raadsonderzoek naar het gezag en de omgang, de omgangsregeling en een kinderbeschermingsmaatregel. De verzoeken hebben betrekking op dezelfde partijen en feiten als het verzoek van de ondertoezichtstelling en zorgen er bovendien voor dat de juridische situatie overeen zal komen met de feitelijke.
4.3.
De Raad geeft aan dat zij bereid is een onderzoek te starten. In dit onderzoek zullen de zorgregeling, het gezag en een beschermingsmaatregel meegenomen worden. De ernstige ontwikkelingsbedreiging lijkt met name te zitten in het ontbreken van contact tussen de moeder en de kinderen. Feit blijft echter dat de afstand tussen de moeder en de kinderen te groot is om te overbruggen voor de weekendregeling. Dit is in eerdere beschikkingen al vastgelegd. De moeder moet terugverhuizen naar minimaal [plaats] . Deze patstelling wordt niet opgelost met een onderzoek of een ondertoezichtstelling. Verder adviseert de Raad een vorm van ouderschapsbemiddeling.

5.De beoordeling

Ontvankelijkheid
5.1.
Op grond van artikel 1:255, tweede lid Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming of het openbaar ministerie. Tevens zijn een ouder en degene die niet de ouder is en de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt bevoegd tot het doen van het verzoek indien de Raad voor de Kinderbescherming niet tot indiening van het verzoek overgaat.
5.2.
Op de zitting heeft de Raad nog geen standpunt ingenomen over het overnemen van het verzoek voor een ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Nu de Raad gaat onderzoeken of een ondertoezichtstelling in tegenstelling tot eerdere bevindingen noodzakelijk is, zal de kinderrechter het verzoek van de moeder aanhouden.
Wettelijk kader
5.3.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van Pro het BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige.
Inhoudelijke beoordeling
5.4.
De kinderrechter heeft op dit moment te weinig informatie om een beslissing te kunnen geven op het verzoek van de moeder tot een ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De Raad zal daarom worden verzocht om een onderzoek te doen naar de volgende vragen:
  • Is een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ?
  • Welk hoofdverblijf komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige 2] ?
  • Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders past het beste bij de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ?
  • Bestaat er, als de ouders samen het gezag houden een onacceptabel risico dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erg klem komen te zitten tussen de ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd voldoende zal verbeteren of is het om een andere reden in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?
  • Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om in de rapportage te vermelden?
5.5.
In afwachting van de rapportage van de Raad zal de behandeling van de zaak worden aangehouden. De kinderrechter verzoekt de (advocaat van de) vader om zijn verzoeken betreffende een wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige 2] naar de vader en de opschorting van de huidige zorg- en contactregeling als zelfstandige verzoeken in te dienen bij de rechtbank, zodat deze verzoeken een nieuw zaaknummer krijgen of in te dienen als een verweer bij het verzoek van de moeder tot wijziging zorgregeling waarvan de advocaat zegt dat dat is ingediend. Daarnaast verzoekt de kinderrechter de (advocaat van de) vader om het nieuwe zaaknummer terug te koppelen aan de Raad, zodat de Raad haar rapportage ook in die zaak kan indienen. Tot slot oordeelt de kinderrechter dat, totdat op het hoofdverblijf is besloten, [minderjarige 2] voorlopig toevertrouwd dient te worden aan de vader. Dit geeft duidelijkheid totdat over het hoofdverblijf definitief is beslist.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Middelburg, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport vóór hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;
6.2.
vertrouwt [minderjarige 2] voorlopig toe aan de vader totdat op het hoofdverblijf is besloten;
6.3.
houdt de behandeling van deze zaak tot
vrijdag 30 oktober 2026 PRO FORMA,zulks in afwachting van de rapportage van de Raad.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026, in aanwezigheid van mr. Den Boer, griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.