ECLI:NL:RBZWB:2026:5649

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 juni 2026
Zaaknummer
C/02/448406 / JE RK 26-880
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Van de Merbel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige kinderen in gezinsgerichte voorziening

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) om de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen te verlengen. De kinderen zijn onder toezicht gesteld en verblijven momenteel in een gezinsgerichte voorziening. De moeder, belast met het ouderlijk gezag, is niet verschenen op de zitting en heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om haar mening te geven.

De kinderrechter constateert dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die aanleiding geven tot herroeping van de eerder verleende spoedmachtiging. Er zijn ernstige zorgen over de ontwikkeling van de kinderen en de opvoedomgeving bij de moeder, waaronder schoolverzuim, gebrek aan structuur, psychische belastbaarheid van de moeder en hygiënische omstandigheden. De moeder heeft het contact met de GI verbroken en weigert rechtsbijstand.

Hoewel de GI een brede machtiging tot uithuisplaatsing bij de grootmoeder moederszijde verzoekt, wijst de kinderrechter dit af omdat dit verzoek niet schriftelijk is ingediend en de moeder zich niet over deze wijziging heeft kunnen uitlaten. De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing in de gezinsgerichte voorziening tot 18 juli 2026, de einddatum van de ondertoezichtstelling. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard om directe uitvoering te waarborgen.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige kinderen wordt verlengd tot 18 juli 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448406 / JE RK 26-880
Datum uitspraak: 27 mei 2026
(nadere) beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, gevestigd te Eindhoven,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 21 mei 2026 en alle daarin vermelde stukken.
1.2.
Op 27 mei 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
1.3.
De kinderrechter stelt vast dat de moeder op een juiste wijze is opgeroepen, maar niet ter zitting is verschenen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om hun mening aan de kinderrechter te vertellen.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
Bij beschikking van 18 juli 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 18 juli 2025 en tot 18 juli 2026.
2.4.
Bij beschikking van 21 mei 2026 is een machtiging verleend om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 21 mei 2026 en tot 4 juni 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van vier weken en de beslissing
uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de
belanghebbenden te horen. De GI verzoekt aansluitend, uitvoerbaar bij voorraad, een
machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van een jaar.
3.2.
Ter beoordeling ligt nog voor het verzoek van de GI om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen met ingang van 4 juni 2026 en voor de duur van een jaar.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek. Op dit moment verblijven de kinderen bij [jeugdzorginstelling] in [plaats] en daar gaat het goed met ze. Oma moederszijde heeft aangegeven dat ze toch open staat voor het laten verblijven van de kinderen bij haar. De GI zou om die reden graag een brede machtiging willen. Ook is het de bedoeling dat er een perspectiefonderzoek wordt verricht en dat oma wordt gescreend alvorens een plaatsing bij haar overwogen zal worden.
[minderjarige 1] verbleef eerst in Suriname en is teruggekeerd. De GI heeft hem na de uithuisplaatsing nog niet kunnen spreken en weet niet wat zijn wens is.
De GI vermoedt dat er vanuit de kinderen weinig vertrouwen is in de overheid en het rechtssysteem. Dit hebben zij van de moeder meegekregen. Zo gaat de moeder bijvoorbeeld ook niet naar de huisarts en heeft zij geen vertrouwen in het schoolsysteem.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.2.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Nieuwe feiten en/of omstandigheden
5.3.
Ter beoordeling ligt voor of sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven voor herroeping van de afgegeven spoedbeslissing met ingang van heden, alsmede het resterende deel van het verzoek.
5.4.
De kinderrechter is van oordeel dat niet gebleken is dat er sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven voor herroeping van de afgegeven spoedbeslissing met ingang van heden.
Inhoudelijke beoordeling
5.5.
Op basis van de stukken en wat er op de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter licht dit als volgt toe.
5.6.
Er zijn grote zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Er zijn ernstige zorgen over de ontwikkeling van de kinderen en de opvoedomgeving bij de moeder. Er is sprake van veelvuldig schoolverzuim of zelfs helemaal geen schoolgang, er is een gebrek aan structuur in de opvoedomgeving bij de moeder en er zijn zorgen over de psychische belastbaarheid van de moeder en haar beperkte beschikbaarheid voor de kinderen. In de thuissituatie van de moeder was er bovendien sprake van een gebrek aan hygiëne. De moeder wilde thuisonderwijs geven en zij is – toen dit niet mogelijk bleek – uit contact met de GI gegaan. De moeder is niet alleen uit contact met de GI, zij ook niet op zitting verschenen en heeft aan de pilotadvocaat doorgegeven geen rechtsbijstand te willen. Hierdoor is het zicht op de kinderen en de opvoedsituatie bij de moeder komen te ontbreken, terwijl de zorgen groot zijn. De kinderrechter begrijpt dat de GI graag zicht wil krijgen op de situatie van en bij de moeder gelet op het vermoeden dat bij de moeder sprake is van soeverein gedachtegoed.
5.7.
Alhoewel oma moederszijde eerst aangegeven had dat de kinderen niet bij haar konden verblijven, is dit inmiddels weer anders. De moeder zou hier volgens de GI ook achter staan, al heeft volgens de GI de moeder eerder tegen oma gezegd dat zij aan de GI door moest geven dat ze de kinderen niet wilde.
5.8.
De kinderrechter zal geen brede machtiging of een machtiging tot uithuisplaatsing bij oma afgeven, zoals door de GI op de zitting is gevraagd. Deze verzoeken zijn anders dan het in het verzoekschrift genoemde verzoek. Nu de moeder niet op zitting is verschenen en zich niet over deze wijziging heeft uit kunnen laten, zal de kinderrechter enkel beslissen op het schriftelijke verzoek dat voorligt.
5.9.
Daar komt nog bij dat het van belang is dat eerst zeker wordt of de kinderen bij oma kunnen verblijven en voor hoe lang. Als dit slechts een tijdelijke situatie betreft, is het de vraag of een wijziging van hun verblijf in hun belang is. De GI zal het perspectief van deze kinderen zorgvuldig in het oog moeten houden en zo snel mogelijk moeten onderzoeken wat voor deze kinderen het best passend is, ook met het oog op hun toekomst.
5.10.
De kinderrechter is daarom van oordeel dat het resterende deel van het verzoek – te weten een machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening – van de GI tot aan 18 juli 2026 dient te worden toegewezen. Nu de ondertoezichtstelling slechts tot 18 juli 2026 loopt, kan de kinderrechter geen beslissing nemen over een eventuele machtiging tot uithuisplaatsing van na die datum. Het meer of anders verzochte zal om die reden afgewezen worden.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.11.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 4 juni 2026 en tot 18 juli 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026 door mr. Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Pooter, griffier, en op schrift gesteld op 10 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.