ECLI:NL:RBZWB:2026:5606

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
12079998AZ VERZ 26-10 (E)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Van Dam
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:668 lid 4 BWArt. 7:668a lid 1 sub b BWArt. 7:691 lid 8 sub c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voortzetting dienstverband en uitbetaling vakantie-uren uitzendkracht

Werknemer trad op 2 augustus 2023 in dienst bij Deinco Uitzendgroep BV op basis van opeenvolgende uitzendovereenkomsten volgens de NBBU-CAO. Na afloop van de laatste overeenkomst op 30 juni 2025 heeft werknemer stilzwijgend doorgewerkt zonder nieuwe overeenkomst. Deinco beëindigde het dienstverband per 31 december 2025 vanwege vermindering van het werkaanbod.

Werknemer verzocht de kantonrechter om voortzetting van het dienstverband en uitbetaling van niet-genoten vakantie-uren. De kantonrechter stelde vast dat de cao een afwijkende ketenregeling bevat, waardoor geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan ondanks de voortzetting na drie contracten. De cao staat maximaal zes contracten toe in fase 3, en werknemer had slechts drie fase 3 contracten.

De kantonrechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd per 31 december 2025 en dat het verzoek tot voortzetting daarom wordt afgewezen. Ook de vordering tot uitbetaling van vakantie-uren werd afgewezen omdat werknemer onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij door werkgever was gedwongen deze uren op te nemen. De proceskosten werden aan werknemer opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek tot voortzetting van het dienstverband en uitbetaling van vakantie-uren wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer / rekestnummer: 12079998 \ AZ VERZ 26-10
Beschikking van 3 juni 2026
in de zaak van
[werknemer],
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
procederend in persoon,
tegen
DEINCO UITZENDGROEP BV,
te Vlissingen,
verwerende partij,
hierna te noemen: Deinco,
vertegenwoordigd door dhr. [gemachtigde] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, met producties,
- het verweerschrift, met producties,
- de pleitnota en aanvullende producties van de zijde van [werknemer] ,
- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 6 mei 2026.
1.2.
[werknemer] heeft op 7 mei 2026 een e-mail gestuurd naar de rechtbank. Omdat dit bericht na sluiting van de mondelinge behandeling is gestuurd, is deze niet bij de beoordeling van de zaak betrokken.
1.3.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[werknemer] is per 2 augustus 2023 als uitzendkracht in dienst getreden bij Deinco op basis van een uitzendovereenkomst fase 1/2(A) voor de duur van 52 gewerkte weken, welke van rechtswege is geëindigd op 22 september 2024.
2.2.
Op 23 september 2024 zijn partijen een uitzendovereenkomst fase 3 (B) aangegaan, welke van rechtswege is geëindigd op 31 december 2024.
2.3.
Op 1 januari 2025 zijn partijen opnieuw een uitzendovereenkomst fase 3 (B) aangegaan, welke van rechtswege is geëindigd op 30 juni 2025.
2.4.
Na het verlopen van de laatste uitzendovereenkomst op 30 juni 2025 heeft [werknemer] zijn werkzaamheden stilzwijgend voortgezet. Een opvolgende uitzendovereenkomst tussen partijen is niet ondertekend.
2.5.
Op de arbeidsovereenkomsten is de NBBU-CAO voor uitzendkrachten van toepassing (hierna: de cao). In artikel 10 van Pro deze cao zijn, voor zover van belang, de volgende bepalingen opgenomen:
“(…)
2. Fase 3
a. De uitzendkracht is werkzaam in fase 3 zodra de uitzendovereenkomst na voltooiing van fase 1-2 wordt voortgezet, of binnen een periode van zes maanden na voltooiing van fase 1-2 een nieuwe uitzendovereenkomst met dezelfde uitzendonderneming wordt aangegaan.
b. Fase 3 duurt maximaal drie jaar en in deze fase kunnen maximaal zes uitzendovereenkomsten zonder uitzendbeding worden overeengekomen.
c. In fase 3 is de uitzendkracht steeds werkzaam op basis van een uitzendovereenkomst zonder uitzendbeding voor bepaalde tijd, tenzij uitdrukkelijk een uitzendovereenkomst zonder uitzendbeding voor onbepaalde tijd is overeengekomen.”
2.6.
Per brief van 28 november 2025 heeft Deinco de arbeidsovereenkomst met [werknemer] beëindigd. De inhoud van de brief luidt als volgt:
“Hierbij bevestigen wij dat jouw arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd eindigt op 31-12-
2025. Door een vermindering van het werkaanbod kunnen wij het contract helaas niet
verlengen.
Je ontvangt uiteraard de nog openstaande loonbetalingen en eventuele vakantiedagen
worden conform de wettelijke bepalingen uitbetaald. Mocht je vragen hebben over de
afrekening (loon, reserveringen of overige vergoedingen), dan kun je uiteraard contact
met ons opnemen.
Wij bedanken je voor je inzet in de afgelopen periode en wensen je veel succes in je
verdere loopbaan.”

3.Het verzoek

3.1.
[werknemer] verzoekt de kantonrechter, na wijziging van het verzoek, Deinco te veroordelen tot voortzetting van het dienstverband en tot uitbetaling van vakantie-uren.
3.2.
Deinco verzet zich tegen toewijzing van het verzoek.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen partijen hebben drie schriftelijke arbeidsovereenkomsten bestaan, waarvan de laatste door partijen stilzwijgend is vervolgd. In zo’n geval wordt de arbeidsovereenkomst geacht voor dezelfde tijd, op de vroegere voorwaarden te zijn voortgezet. [1] Hoewel partijen daartoe geen schriftelijke overeenkomst hebben ondertekend, kan worden vastgesteld dat tussen hen een vierde arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen, gelijk aan de voorwaarden van de derde arbeidsovereenkomst. De vierde arbeidsovereenkomst gold daarmee voor de duur van zes maanden, en wel voor de periode van 1 juli tot en met 31 december 2025.
4.2.
[werknemer] heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de ketenregeling zoals opgenomen in artikel 7:668a BW, met de voortzetting van de arbeidsovereenkomst na afloop van zijn derde contract een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan.
Deinco weerspreekt dit en verwijst naar de afwijkende regeling zoals deze is opgenomen in de cao.
4.3.
Het uitgangspunt bij een arbeidsovereenkomst is dat vanaf de dag dat tussen dezelfde partijen meer dan drie aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van ten hoogte zes maanden, de laatste arbeidsovereenkomst geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd. [2] Bij een uitzendovereenkomst kan dat anders zijn. In dat geval kan bij collectieve arbeidsovereenkomst het aantal van drie worden verhoogd naar ten hoogste zes. [3]
4.4.
In de tussen partijen geldende cao is een afwijkende regeling opgenomen, inhoudende dat fase 3 maximaal drie jaar duurt, waarin maximaal zes uitzendovereenkomsten kunnen worden overeengekomen. Voor de arbeidsovereenkomst(en) tussen partijen geldt dat fase 3 heeft geduurd van 23 september 2024 tot en met 31 december 2025 en dat er, na het verstrijken van het fase 1/2 contract, in totaal drie fase 3 contracten hebben bestaan. Gelet op de hiervoor besproken regeling, is daarmee geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand gekomen. De laatste arbeidsovereenkomst is door Deinco tijdig opgezegd. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 31 december 2025 is geëindigd. De door [werknemer] verzochte werkhervatting zal daarom worden afgewezen.
4.5.
Hetzelfde geldt voor de door [werknemer] verzochte vergoeding van vakantie-uren. [werknemer] heeft zijn stelling dat Deinco hem heeft gedwongen deze uren op te nemen, na betwisting hiervan door Deinco, niet nader onderbouwd. Dit betekent dat niet vast is komen te staan dat de uren nog uitbetaald moeten worden.
4.6.
De proceskosten komen voor rekening van [werknemer] , omdat [werknemer] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van Deinco worden vastgesteld op € 50,00 aan reis- en verletkosten.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst het verzochte af,
5.2.
veroordeelt [werknemer] in de proceskosten, aan de zijde van Deinco vastgesteld op € 50,00.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.

Voetnoten

1.Art. 7:668 lid 4 BW Pro.
2.Art. 7:668a lid 1 sub b BW.
3.Art. 7:691 lid 8 sub c BW Pro.