ECLI:NL:RBZWB:2026:5597

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
02-126493-26
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80 SvArt. 2.5.27 Wetboek van StrafvorderingArt. 1 Wet op de identificatieplicht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing voorlopige hechtenis wegens onvoldoende geschokte rechtsorde bij handel in harddrugs

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 24 juni 2026 besloten de voorlopige hechtenis van verdachte, die als bestuurder van een auto met 4,8 kg cocaïne en 3,9 kg heroïne werd aangehouden, te schorsen. De rechtbank overweegt dat het doel van voorlopige hechtenis niet gelijk is aan dat van een straf en dat het uitgangspunt is dat een verdachte in vrijheid zijn proces mag afwachten.

De rechtbank stelt dat de 12-jaarsgrond, met name de geschokte rechtsorde, niet langer als grondslag kan dienen zonder concrete aanwijzingen van maatschappelijke onrust. Dit sluit aan bij recente wetgeving en kritiek vanuit Straatsburg. Hoewel de recidivegrond nog geldt vanwege de hoeveelheid harddrugs, kan dit volgens de rechtbank worden afgedekt met schorsingsvoorwaarden.

De rechtbank weegt het persoonlijk belang van de verdachte zwaarder dan het strafvorderlijk belang en acht de gestelde voorwaarden voldoende om de doelen van voorlopige hechtenis te waarborgen. De verdachte heeft zich bereid verklaard deze voorwaarden na te leven, waaronder medewerking aan identificatie, het niet plegen van strafbare feiten en het verschijnen op oproepen.

De voorlopige hechtenis wordt met ingang van 25 juni 2026 geschorst onder deze voorwaarden. Dit besluit is genomen door de raadkamer van de rechtbank in Breda, met mr. C.H.W.M. Sterk als voorzitter en mr. F.L. Donders en mr. P.K.J. van der Wal als rechters.

Uitkomst: De voorlopige hechtenis van verdachte wordt geschorst onder strikte voorwaarden wegens het ontbreken van concrete aanwijzingen voor een geschokte rechtsorde.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-126493-26

bevel schorsing voorlopige hechtenis van de raadkamer d.d. 24 juni 2026

(artikel 80 Wetboek Pro van Strafvordering)

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] (Sovjet-Unie),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in P.I. [plaats].
Raadsman mr. G.V. van der Bom.

Procedure

Op 13 mei 2026 heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen. Op 15 juni 2026 is op griffie van de rechtbank een verzoekschrift ingekomen dat strekt tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier en heeft de officier van justitie, de verdachte en de raadsman gehoord.

Beoordeling

Verdachte was de bestuurder van de auto waarin 4,8 kg cocaïne en 3,9 kg heroïne zijn aangetroffen in een verborgen ruimte. De verdachte reed richting Duitsland.
De rechtbank legt niet langer de 12-jaarsgrond ten grondslag aan het beslissing en overweegt daartoe als volgt. Het doel van voorlopige hechtenis is niet gelijk aan het doel van een op te leggen straf. Het uitgangspunt is dat iemand in vrijheid zijn berechting mag afwachting. Er is momenteel kritiek vanuit Straatsburg dat Nederland de 12-jaarsgrond en met name de geschokte rechtsgrond te abstract invult. Niet elk 12-jaarsfeit levert immers ook een geschokte rechtsorde op. Er moeten concrete aanwijzingen zijn dat er sprake is van maatschappelijk onrust op het moment dat de verdachte zijn proces in vrijheid mag afwachten. Daarvan is de rechtbank in dit geval niet gebleken.
Dit strookt ook met uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever blijkens de op 13 maart 2026 gepubliceerde regeling in het nieuwe wetboek van strafvordering hieromtrent. Deze regeling luidt dat een bevel tot voorlopige hechtenis alleen kan worden gegeven indien dit bevel strikt noodzakelijk is, gelet op de gedragingen, feiten of omstandigheden waaronder de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, en indien sprake is van een direct gevaar dat de vrijlating van de verdachte, die wordt verdacht van een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer is gesteld, tot een ernstige verstoring van de openbare orde zal leiden. [1]
De recidivegrond geldt gelet op de hoeveelheid aangetroffen harddrugs, nog steeds, maar kan naar het oordeel van de rechtbank voldoende worden ondervangen met schorsingsvoorwaarden.
De rechtbank is van oordeel dat het persoonlijk belang van de verdachte zwaarder weegt dan het strafvorderlijk belang. Daarbij komt dat de doelen die met de voorlopige hechtenis worden nagestreefd door het stellen van voorwaarden aan een schorsing ook kunnen worden bereikt.
De verdachte heeft zich bereid verklaard tot nakoming van de hieronder vermelde schorsingsvoorwaarden.

Beslissing

De rechtbank:
schorst de voorlopige hechtenis met ingang van
25 juni 2026 te 16.00 uur, onder de volgende voorwaarden.
1. De verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis onttrekken, indien de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen.
2. Indien de verdachte wegens het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen tot andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zal de verdachte zich niet onttrekken aan de tenuitvoerlegging daarvan.
3. De verdachte zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of zal een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden.
4. De verdachte zal zich niet aan een strafbaar feit schuldig maken.
5. De verdachte zal verschijnen op iedere oproep van politie en justitie.
6. De verdachte zal bij wijziging van zijn of haar adres het nieuwe adres schriftelijk doorgeven aan de officier van justitie.
7. De verdachte zal bij de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak op de terechtzitting aanwezig zijn.
Dit bevel is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 24 juni 2026 door:
mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter,
mr. F.L. Donders en mr. P.K.J. van der Wal, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.T. Jonker, griffier.

Voetnoten

1.Artikel 2.5.27, eerste lid, sub c van het nieuwe Wetboek van Strafvordering.