ECLI:NL:RBZWB:2026:5564

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/2561
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtArt. 2.2 WhtArt. 2.3 WhtArt. 5.2 WhtArt. 3 Instellingsregeling
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aanvullende compensatie werkelijke schade kinderopvangtoeslag hersteloperatie

Eiseres, gedupeerde van de toeslagenaffaire, vordert een hogere aanvullende compensatie voor werkelijke schade dan door Dienst Toeslagen toegekend in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag. Na bezwaar en een hoger beroep beoordeelt de rechtbank de hoogte van de compensatie aan de hand van het Schadekader van de Commissie Werkelijke Schade (CWS).

De rechtbank oordeelt dat Dienst Toeslagen de immateriële schadevergoeding van € 40.000,- passend heeft vastgesteld, waarbij de verschillende bouwstenen en factoren zorgvuldig zijn toegepast. Motiveringsgebreken in het bestreden besluit worden gepasseerd vanwege nadere toelichting en het ontbreken van benadeling van eiseres. Materiële schadevergoeding wordt niet verhoogd omdat eerdere compensaties reeds toereikend zijn.

Ten aanzien van de inkomensschade van eiseres wordt een proportionele aansprakelijkheid van 25% gehanteerd vanwege onzekerheid over het causale verband met de toeslagenproblematiek, wat leidt tot geen aanvullende uitkering. Schadeposten van de partner en overige schadeclaims worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing of causaal verband. De rechtbank veroordeelt Dienst Toeslagen tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de aanvullende compensatie door Dienst Toeslagen wordt bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2561

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Akça-Altun),
en

Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), verweerder.

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de hoogte van de aan haar toegekende aanvullende compensatie voor de werkelijke schade in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat Dienst Toeslagen de hoogte van de aanvullende compensatie voor de werkelijke schade correct heeft vastgesteld. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. In het besluit van 26 juli 2022 is aan eiseres in het kader van de hersteloperatie toeslagen een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade toegekend. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.
2.1.
In het besluit van 1 april 2025 (bestreden besluit) is het bezwaar gegrond verklaard en is de aanvullende compensatie voor de werkelijke schade hoger vastgesteld.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en namens Dienst Toeslagen mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] .
2.5.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om Dienst Toeslagen in de gelegenheid te stellen een nieuwe berekening van het schadebedrag te maken aan de hand van het op 22 december 2025 aangepaste en op de website van de CWS gepubliceerde schadekader.
2.6.
Op 27 maart 2026 heeft Dienst Toeslagen een nieuwe berekening ingezonden. Eiseres heeft op 23 april 2026 gereageerd.
2.7.
Het onderzoek is vervolgens op 12 mei 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten
3. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft voor de jaren 2010 en 2011 een tegemoetkoming ontvangen op grond van de opzet/grove schuld (O/GS)-regeling van € 2.181,-. Verder heeft zij voor de jaren 2008 en 2009 bij besluit van 10 maart 2021 een compensatiebedrag ontvangen van in totaal € 79.818,-. Tegen dat besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt, waarna het uiteindelijke compensatiebedrag van de integrale beoordeling bij besluit van 24 juni 2022 is vastgesteld op € 82.343,-.
3.1.
Eiseres heeft een verzoek om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade ingediend bij de CWS.
3.2.
Bij het besluit van 26 juli 2022 (primair besluit) heeft Dienst Toeslagen aan eiseres, conform het advies van de CWS van 16 juni 2022, een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade toegekend van € 7.392,-. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.
3.3.
Naar aanleiding van het bezwaar heeft de CWS op 6 december 2023 een aanvullend advies uitgebracht.
3.4.
De Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen (BAC) heeft Dienst Toeslagen op 30 december 2024 geadviseerd het bezwaar deels gegrond te verklaren.
Bestreden besluit
4. Met het bestreden besluit van 1 april 2025 heeft Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. De immateriële schadevergoeding van € 39.750,- is (naar boven afgerond) op € 40.000,- vastgesteld. Verder is € 500,- toegekend voor het voeren van een procedure bij de CWS. Omdat eiseres bij de integrale beoordeling en het primaire besluit reeds immateriële schadevergoeding is toegekend zal nog een aanvullende immateriële schadevergoeding van € 17.000,- worden uitgekeerd. Er wordt geen aanvullende materiële schadevergoeding toegekend, naast de bij de integrale beoordeling al toegekende materiële schadevergoeding.
Beroepsgronden
5. Eiseres stelt - samengevat - dat de toegekende compensatie voor de werkelijke schade te laag is. Dienst Toeslagen had ten aanzien van de in het Schadekader van de CWS van juli 2024 genoemde bouwstenen een hoger bedrag aan immateriële schadevergoeding moeten toekennen. Ten aanzien van de materiële schade stelt eiseres dat bij de inkomensschade geen sprake is van een proportionele aansprakelijkheid van slechts 25%. Zij heeft onderbouwd dat zij ziek is geworden als gevolg van de toeslagenaffaire. Dienst Toeslagen heeft ten aanzien van de partner van eiseres ten onrechte geen schadevergoeding toegekend voor geleden inkomens- en pensioenschade.
Eiseres wijst erop dat bepaalde schadeposten, waaronder het moeten verkopen van sieraden, het moeten maken van zorgkosten, het niet kunnen onderhouden van de woning en het moeten aangaan van geldleningen in het geheel niet zijn meegenomen in de beslissing op bezwaar. Dit is in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel.
Tot slot stelt eiseres dat zij recht heeft op een schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.
Toetsingskader
6. In artikel 2.1, derde lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), is bepaald dat aan een aanvrager van compensatie die aannemelijk maakt dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan een bedrag als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid tot en met zevende lid, op aanvraag door Dienst Toeslagen aanvullende compensatie voor de werkelijke schade wordt toegekend.
In de bijlage bij deze uitspraak is de relevante wet- en regelgeving opgenomen.
6.1.
De aanvrager van de compensatie hoeft zijn schade niet te bewijzen, maar moet wel aannemelijk en concreet maken dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade het toegekende compensatiebedrag te boven gaat. Als hij daarin slaagt heeft hij op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wht in beginsel recht op door hem aangevraagde aanvullende compensatie voor de werkelijke schade. Dienst Toeslagen dient bij zijn besluit op de aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade aansluiting te zoeken bij het civiele schadevergoedingsrecht. Hetzelfde geldt voor de bestuursrechter bij de toetsing van een dergelijk besluit. Dat betekent dat de bestuursrechter de aansprakelijkheid voor de schade en de omvang daarvan ten volle toetst, uitgaande van wat daarover tussen Dienst Toeslagen en de aanvrager in geschil is. [1]
6.2.
Ten aanzien van besluiten over aanvullende compensatie is de CWS aangewezen als adviserende commissie. [2] Aan de CWS is onder meer de taak opgedragen om schadekaders ten behoeve van haar adviestaak op te stellen en aan te passen. [3] Het schadekader dat sinds juli 2024 wordt toegepast door de CWS, en ook in het bestreden besluit is gehanteerd, is neergelegd in ‘De werkwijze en het schadekader van de Commissie werkelijke Schade’ [4] (hierna: Schadekader CWS). In dit document is aangegeven hoe de immateriële schade en materiële schade aan de hand van diverse bouwstenen en kostenposten wordt berekend.
6.3.
Op 22 december 2025 is het Schadekader CWS aangepast. [5] Na vragen daarover van de rechtbank en op verzoek van eiseres heeft de Dienst Toeslagen, na schorsing van de behandeling van het beroep, beoordeeld tot welk bedrag aan schadevergoeding dit aangepaste schadekader zou leiden. Nadat uit de berekening van Dienst Toeslagen bleek dat de compensatie in dat geval lager zou uitvallen, heeft eiseres het verzoek om het aangepaste schadekader toe te passen ingetrokken.
Te beoordelen schadeposten
7. Hierna zullen de schadeposten worden beoordeeld waarvoor volgens eiseres geen of te weinig schadevergoeding is toegekend.
Immateriële schadevergoeding
8. Dienst Toeslagen heeft erkend dat eiseres en haar gezin door de problemen met de kinderopvangtoeslag veel stress en verdriet hebben ervaren, zodat vergoeding daarvan op zijn plaats is. De immateriële schadevergoeding in het bestreden besluit is vastgesteld op (afgerond) € 40.000,- aan de hand van het Schadekader CWS van juli 2024.
Om duidelijk te maken hoe de immateriële schadevergoeding is berekend, wordt in dit schadekader gewerkt met vijf bouwstenen. Per bouwsteen weegt een aantal factoren mee bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding. Eiseres heeft gronden gericht tegen vier bouwstenen (bouwstenen A tot en met D).
Bouwsteen A, aantasting in de persoon, van de eer en goede naam
9. Deze bouwsteen ziet op het emotionele leed van de ouder en/of toeslagpartner. Bij deze bouwsteen weegt de CWS in ieder geval 22 nader omschreven factoren mee.
9.1.
Er zijn volgens Dienst Toeslagen in totaal twaalf factoren van toepassing, waarbij ten aanzien van elf factoren voor zowel eiseres als haar partner een bedrag van € 750,- en ten aanzien van één factor uitsluitend voor eiseres een bedrag van € 750,- is toegekend. De totale immateriële schadevergoeding ten aanzien van bouwsteen A bedraagt volgens Dienst Toeslagen daarmee (23 x € 750,- is) € 17.250,-.
9.2.
Eiseres stelt zich allereerst op het standpunt dat Dienst Toeslagen niet goed heeft uitgelegd waarom voor een bedrag van € 750,- per factor is gekozen en niet voor een hoger bedrag.
9.2.1.
In het Schadekader CWS is ten aanzien van het bepalen van de hoogte van dit bedrag uitgelegd dat dit afhankelijk is van hoe zwaar de factor meeweegt, gelet op de concrete omstandigheden van het geval. Op basis van de situatie waarin eiseres en haar gezin zich bevonden, heeft Dienst Toeslagen in het bestreden besluit de factoren benoemd en de schadevergoeding berekend. In het verweerschrift is nader toegelicht dat de CWS op basis van algemene richtlijnen uit de schadepraktijk en eigen expertise, voor de meest voorkomende (complexe) situaties een gewogen gemiddelde bepaalt dat per factor geldt. Het gewogen gemiddelde (richtbedrag) bedroeg tot 1 juli 2024 € 500,- per factor en is daarna uit ruimhartigheid verhoogd naar € 750,- per factor. Zonder afbreuk te doen aan het leed van het gezin van eiseres, kan de situatie van haar gezin worden ingedeeld in de categorie van veelvoorkomende (complexe) situaties binnen de toeslagaffaire. Daarom geldt het richtbedrag van € 750,- per factor. In uitzonderlijk schrijnende situaties kan de CWS hiervan afwijken, bijvoorbeeld bij zeer hoge terugvorderingen. De situatie van eiseres en haar gezin valt volgens Dienst Toeslagen niet als zodanig aan te merken.
9.2.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft Dienst Toeslagen in het bestreden besluit, in samenhang gelezen met de in het Schadekader CWS gegeven toelichting, dit punt voldoende gemotiveerd. In het verweerschrift is dit nog verder verduidelijkt. Eiseres heeft niet gesteld dat sprake is van een zodanig schrijnende situatie dat in haar geval van dit richtbedrag zou moeten worden afgeweken.
9.3.
Eiseres stelt verder dat Dienst Toeslagen ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat zij bij de gemeente Breda werkzaam is, zich schaamde toen zij bij de Kredietbank moest aankloppen en haar collega een huisbezoek aflegde om te kijken wat er verkocht kon worden. Ook is geen rekening gehouden met de langdurige financiële problemen binnen het gezin. Verder meent eiseres dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de medische situatie van haar partner en zoon. Tot slot stelt eiseres dat zij noodgedwongen sieraden heeft verkocht.
9.3.1.
De rechtbank stelt vast dat Dienst Toeslagen ten aanzien van de factor ‘gevoel van eigen waarde/identiteit’ een compensatie van € 750,- voor zowel eiseres als haar partner heeft toegekend. Dat Dienst Toeslagen geen rekening heeft gehouden met de schaamte die eiseres heeft gevoeld in de werksfeer, volgt de rechtbank daarom niet. Deze omstandigheid heeft de CWS in het advies van 16 juni 2022 expliciet in de beoordeling betrokken.
9.3.2.
Anders dan eiseres meent, heeft Dienst Toeslagen ook rekening gehouden met de langdurige financiële problemen binnen het gezin. Voor de factor ‘moeilijke financiële omstandigheden’ is namelijk tweemaal een bedrag van € 750,- toegekend.
9.3.3.
Ook is rekening gehouden met de medische situatie van haar partner. Bij de factor ‘medische component’ is immers tweemaal een compensatiebedrag van € 750,- toegekend, voor zowel eiseres als haar partner.
Voor zover eiseres betoogt dat ook ten aanzien van haar zoon een bedrag had moeten worden toegekend in verband met zijn medische situatie, overweegt de rechtbank dat Dienst Toeslagen heeft toegelicht dat eiseres niet heeft onderbouwd dat zijn medische situatie verband hield met de problemen rondom de kinderopvangtoeslag. Daarom is hier geen extra compensatie voor toegekend. De rechtbank kan deze toelichting volgen.
9.3.4.
Ten aanzien van de gedwongen verkoop van sieraden heeft Dienst Toeslagen aangegeven dat eiseres geen nadere onderbouwing van deze verkoop heeft gegeven. Zij heeft geen informatie verstrekt over de aankoopprijs van de sieraden, het aantal sieraden dat zou zijn verkocht, de ouderdom en de kwaliteit van de sieraden. Ook heeft zij geen stukken overgelegd waaruit kan worden opgemaakt wat de opbrengst van de verkoop is geweest. De rechtbank volgt het standpunt van Dienst Toeslagen dat vanwege het ontbreken van een onderbouwing voor de gedwongen verkoop van de sieraden geen compensatiebedrag van
€ 750,- wordt toegekend.
9.4.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat Dienst Toeslagen afdoende heeft toegelicht dat voor bouwsteen A een bedrag van 23 x € 750,- is € 17.250,- aan immateriële schadevergoeding is toegekend.
Bouwsteen B, gezinssamenstelling
10. In het Schadekader CWS wordt ervan uitgegaan dat ook de kinderen in het gezin in meer of mindere mate emotioneel leed hebben ervaren als gevolg van de problemen met de kinderopvangtoeslag. Hieraan wordt door de CWS een bedrag tussen de € 1.500,- en € 3.000,- per kind verbonden, afhankelijk van de impact van de problemen op de kinderen.
Om te bepalen of er immateriële schade is, kijkt de CWS naar de volgende factoren: materiele impact, sociale impact, jeugdbeschermingsmaatregelen en dak- of thuisloosheid.
10.1.
Voor bouwsteen B heeft Dienst Toeslagen een bedrag van € 4.500- aan immateriële schadevergoeding toegekend (€ 2.250,- per kind).
10.2.
Eiseres stelt dat de impact van de toeslagenproblematiek op de kinderen zodanig groot was, dat Dienst Toeslagen met een bedrag van € 3.000,- voor ieder kind had moeten rekenen.
10.3.
De rechtbank stelt vast dat het Schadekader CWS uitgaat van een bedrag tussen de € 1.500,- en € 3.000,- per kind. Niet wordt betwist dat twee van de vier in het Schadekader CWS genoemde factoren van toepassing zijn op de situatie van het gezin van eiseres (te weten de materiële impact en sociale impact). Daarmee heeft Dienst Toeslagen voldoende inzichtelijk gemaakt waarom voor het bedrag per kind, gelegen in het midden van de in het Schadekader CWS gegeven bandbreedte, is gekozen. Van een motiveringsgebrek is geen sprake.
Bouwsteen C, het inkomen van de ouders in relatie tot de teruggevorderde kinderopvangtoeslag
11. In het Schadekader CWS is aangegeven dat ouders met een laag inkomen vaak veel kinderopvangtoeslag moesten terugbetalen. Voor hen was de schok extra groot toen ze met de terugvordering(en) werden geconfronteerd. In bouwsteen C wordt recht gedaan aan de verhouding tussen de totaal teruggevorderde kinderopvangtoeslag en het (bruto) jaarinkomen van de ouder/het huishouden in het jaar/de jaren waarin de ouder (en de toeslagpartner) met de terugvordering(en) werd(en) geconfronteerd. De hoogte van deze immateriële schadepost berekent de CWS door de totaal teruggevorderde kinderopvangtoeslag te delen door het totale (gezamenlijke) jaarinkomen in het confrontatiejaar/de confrontatiejaren. Afhankelijk van de uitkomst kan het bedrag variëren tussen de € 500,- en € 3.000,-.
11.1.
Dienst Toeslagen heeft voor deze bouwsteen een schadevergoeding toegekend van € 1.500,-.
11.2.
Eiseres stelt dat Dienst Toeslagen niet heeft gemotiveerd waarom is gekozen voor een vergoeding van € 1.500,-. De vergoeding moet volgens eiseres hoger zijn.
11.3.
De rechtbank stelt vast dat Dienst Toeslagen in het bestreden besluit niet heeft toegelicht waarom bij de toepassing van bouwsteen C voor een bedrag van € 1.500,- is gekozen. Aan het bestreden besluit kleeft daarom een motiveringsgebrek.
In het verweerschrift heeft Dienst Toeslagen toegelicht dat een bedrag van € 42.704,- is teruggevorderd. In de toeslagjaren 2008 en 2009 bedroeg het bruto jaarinkomen van eiseres en haar partner € 76.035,-. De terugvordering maakte daarmee 56% uit van het bruto jaarinkomen. In dat licht is volgens het verweerschrift gekozen voor een vergoeding van
€ 1.500,-.
Ter zitting heeft de gemachtigde van Dienst Toeslagen nader toegelicht dat intern wordt gewerkt met een staffel. Indien het terugvorderingsbedrag 50% tot 75% van het bruto jaarinkomen was, wordt een vergoeding van € 1.500,- toegekend. Bij situaties waarbij de terugvordering meer dan 75% van het bruto jaarinkomen was, wordt een vergoeding van de hoogste categorie toegekend. In de situatie van eiseres bedroeg de terugvordering 56% van het jaarinkomen over 2008 en 2009. Omdat dit valt in de categorie tussen de 50% en 75%, ontvangt zij hiervoor een schadevergoeding van € 1.500,-.
11.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft Dienst Toeslagen pas ter zitting voldoende toegelicht waarom voor bouwsteen C een schadevergoeding van € 1.500,- wordt toegekend. De rechtbank zal gelet op deze nadere toelichting het geconstateerde motiveringsgebrek passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Aannemelijk is immers dat eiseres door deze schending niet is benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou op dit punt een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen.
Bouwsteen D, onterecht geen recht op kinderopvangtoeslag
12. In het Schadekader CWS wordt voor elk (deel van een) jaar dat de ouder als gevolg van problemen met de kinderopvangtoeslag geen kinderopvangtoeslag heeft ontvangen of aangevraagd terwijl daar wel recht op bestond, een bedrag van € 500,- toegekend.
12.1.
In het bestreden besluit is aangegeven dat voor deze bouwsteen geen schade-vergoeding wordt toegekend omdat niet is gebleken dat in de jaren na de terugvordering ten onrechte het recht op kinderopvangtoeslag is ontzegd.
In het verweerschrift heeft Dienst Toeslagen verder toegelicht dat eiseres aannemelijk moet maken dat zij in de jaren na de terugvordering recht had op kinderopvangtoeslag en dat dit recht haar ten onrechte is ontzegd en/of dat zij uit angst geen kinderopvangtoeslag meer heeft aangevraagd. Daarvan is volgens Dienst Toeslagen geen sprake. Niet is gebleken dat de partner van eiseres, na beëindiging van zijn arbeidscontract eind 2013, bij een nieuwe werkgever aan de slag is gegaan of eiseres en haar partner anderszins als doelgroeper zijn aangemerkt, waardoor in beginsel recht kon bestaan op kinderopvangtoeslag. Eiseres heeft ook niet met stukken haar stelling onderbouwd dat de kinderen vervangende opvang hebben genoten en dat daarvoor kosten zijn gemaakt. Eiseres heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat zij in de jaren na de terugvordering recht op kinderopvangtoeslag had en haar dat recht is ontzegd.
12.2.
Ter zitting heeft eiseres erkend dat zij na de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag geen nieuwe aanvraag heeft ingediend. Zij refereert zich ten aanzien van bouwsteen D aan het oordeel van de rechtbank.
Na schorsing van de behandeling heeft eiseres (ongevraagd) een overzicht van het arbeidsverleden van haar partner overgelegd.
12.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft Dienst Toeslagen, gelet op de gegeven toelichting, terecht geen schadevergoeding toegekend voor bouwsteen D. Het door eiseres overgelegde overzicht van het arbeidsverleden van haar partner maakt dat niet anders. Hoewel daaruit wel kan worden afgeleid dat haar partner in de jaren na 2013 heeft gewerkt, blijft nog altijd staan dat niet aannemelijk is gemaakt dat de kinderen vervangende opvang hebben genoten en dat daarvoor kosten zijn gemaakt. Van een situatie waarin wel recht op kinderopvangtoeslag bestond, terwijl geen kinderopvangtoeslag is verkregen, is daarom niet gebleken.
13. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat Dienst Toeslagen de immateriële schadevergoeding juist heeft vastgesteld.
Materiële schadevergoeding
14. Dienst Toeslagen heeft in het bestreden besluit aan eiseres geen aanvullende schadevergoeding toegekend voor de geleden materiële schade, omdat de vastgestelde materiele schadevergoeding niet hoger is dan de bij de integrale beoordeling al toegekende materiële schadevergoeding.
Volgens eiseres heeft Dienst Toeslagen de inkomensschade van eiseres niet juist berekend, de inkomensschade van haar partner ten onrechte afgewezen en zijn overige schadeposten ten onrechte niet in het bestreden besluit opgenomen.
Schadepost inkomensschade eiseres
15. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres over de jaren 2014 tot en met 2021 schade heeft geleden, omdat zij door ziekte € 8.215,- minder inkomen heeft gehad. Wel in geschil is of deze schade in causaal verband staat met de problematiek van de kinderopvangtoeslag. Daarover heeft de CWS medisch advies ingewonnen. Medisch adviseur [persoon] heeft op 26 oktober 2023 geconcludeerd dat er naast de problemen met de kinderopvangtoeslag meerdere stressoren zijn aan te wijzen die haar medische klachten hebben veroorzaakt. Gewezen is op een auto-ongeval uit 2017 met langdurige pijn en een uitgebreid revalidatietraject, de zorg voor een ziek kind, relatieproblemen en de coronacrisis. Het is volgens de medisch adviseur niet goed aan te geven of (en zo ja, in hoeverre) bepaalde beperkingen er ook zouden zijn geweest als de problemen met de kinderopvangtoeslag zich niet zouden hebben voorgedaan.
Dienst Toeslagen stelt dat er sprake is van een onzeker causaal verband en heeft onder verwijzing naar het Schadekader CWS aangegeven dat moet worden uitgegaan van 25% proportionele aansprakelijkheid.
Eiseres merkt terecht op dat in het Schadekader CWS niet wordt gesproken over percentages met betrekking tot proportionele aansprakelijkheid. In het bestreden besluit is ook niet gemotiveerd hoe tot het percentage van 25% is gekomen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre lijdt aan een motiveringsgebrek.
15.1.
In de Notitie Causaliteit die op de website van het CWS is geplaatst is aangegeven dat in de gevallen van een onzeker causaal verband de CWS kan adviseren om een proportionele aansprakelijkheid aan te nemen. Er wordt hierbij de volgende staffel gehanteerd:
  • als onzekerheid is over de vraag of de gestelde schade volledig is veroorzaakt door de kinderopvangproblematiek, wordt 75% toegerekend aan de kinderopvangtoeslagproblemen en wordt dit percentage toegepast bij de schadebegroting;
  • als er grote onzekerheid is over de vraag of de gestelde schade volledig is veroorzaakt door de kinderopvangproblematiek, wordt 50% toegerekend aan de kinderopvangtoeslagproblemen en wordt dit percentage toegepast bij de schadebegroting;
  • als er zeer grote onzekerheid is over de vraag of de gestelde schade volledig is veroorzaakt door de kinderopvangproblematiek, wordt 25% toegerekend aan de kinderopvangtoeslagproblemen en wordt dit percentage toegepast bij de schadebegroting.
15.2.
De rechtbank volgt het standpunt van Dienst Toeslagen dat er een zeer grote onzekerheid bestaat of de gestelde schade volledig is veroorzaakt door de kinderopvangproblematiek, gelet op de in het rapport van de medisch adviseur genoemde, ten tijde in geding spelende stressoren. Dat betekent volgens de in de Notitie Causaliteit uiteengezette staffel dat 25% van de schade wordt toegerekend aan de kinderopvangtoeslagproblemen.
Een proportionele aansprakelijkheid van 25% van de inkomensschade van € 8.215,- bruto zou leiden tot een toe te kennen schadebedrag van € 2.053,75 bruto. Omdat eiseres reeds eerder bij de integrale beoordeling een compensatie voor materiële schade heeft ontvangen van € 10.677,-, volgt terecht geen nabetaling.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het in overweging 15 geconstateerde motiveringsgebrek worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. Aannemelijk is immers dat eiseres door deze schending niet is benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou op dit punt een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen en zou eiseres geen aanvullende schadevergoeding vanwege inkomensschade hebben ontvangen.
15.3.
De door eiseres aangehaalde omstandigheid dat de BAC Dienst Toeslagen heeft geadviseerd bij het aannemen van proportionele aansprakelijkheid in overleg te treden met eiseres maar dat dit overleg niet heeft plaatsgevonden, maak dit niet anders. Dienst Toeslagen heeft in het bestreden besluit aangegeven dat geen mogelijkheid wordt gezien tot een aanvullende materiële schadevergoeding. Daarom wordt het niet opportuun geacht om hierover met eiseres in gesprek te gaan. De rechtbank kan dit gemotiveerde standpunt volgen.
Schadepost inkomensschade en pensioenschade partner van eiseres
16. De rechtbank stelt vast dat de arbeidsovereenkomst van de partner van eiseres is beëindigd per 1 december 2013. Eiseres stelt dat sprake is van geleden schade omdat bij het verkrijgen van een vaste aanstelling sprake zou zijn geweest van een hoger loon en voortzetting van pensioenopbouw. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar stelling verwezen naar een beoordelingsformulier van de toenmalige werkgever van haar partner. Volgens Dienst Toeslagen heeft eiseres niet onderbouwd waarop is gebaseerd dat de partner een vaste aanstelling zou krijgen en is daarom geen sprake van geleden schade.
16.1 De rechtbank constateert dat uit het overgelegde beoordelingsformulier van januari 2013 weliswaar volgt dat de partner van eiseres over het algemeen goed functioneerde, maar dat hij bij gelijkblijvend functioneren een vaste aanstelling zou hebben gekregen valt niet op te maken uit het beoordelingsformulier. Andere stukken die aanknopingspunten voor het verkrijgen van een vaste aanstelling bevatten, ontbreken. Dienst Toeslagen heeft naar het oordeel van de rechtbank daarom kunnen concluderen dat onvoldoende is onderbouwd dat het verkrijgen van een vaste aanstelling in de lijn van de verwachting lag. Het is daarom onvoldoende aannemelijk geworden dat sprake is van geleden inkomens- en pensioenschade van de partner van eiseres.
Omdat deze schade niet voldoende aannemelijk wordt geacht, wordt niet toegekomen aan de beoordeling van het causale verband tussen de gestelde inkomens- en pensioenschade van de partner en de problemen rondom de kinderopvangtoeslag. De overgelegde informatie van de huisarts, waarmee eiseres wil aantonen dat dit causale verband bestaat, behoeft daarom geen bespreking.
16.2.
Omdat niet wordt toegekomen aan de beoordeling van het causale verband tussen de inkomensschade bij de partner van eiseres en de problemen met de kinderopvangtoeslag, was ook geen aanleiding aanwezig om hierover medisch advies in te winnen. De grond van eiseres dat ten onrechte geen medisch advies is gevraagd, slaagt daarom niet.
16.3.
Op grond van het voorgaande komt eiseres voor deze schadepost niet in aanmerking voor aanvullende schadevergoeding.
Overige schadeposten
17. Eiseres heeft aangeven dat een aantal schadeposten ten onrechte niet is beoordeeld, te weten de verkoop van sieraden, de zorgkosten, de onderhoudskosten van de woning, de geldleningen bij Tinka (Wehkamp) en Interbank en het niet vrijelijk kunnen besteden over de kinderbijslag. Deze schadeposten zijn niet opgenomen in de beslissing op bezwaar, wat volgens eiseres in strijd is met het motiveringsbeginsel en zorgvuldigheids-beginsel. Volgens eiseres heeft zij recht op vergoeding van deze schadeposten.
17.1.
De rechtbank overweegt dat in het advies van de BAC, dat Dienst Toeslagen ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit, wel op deze schadeposten is ingegaan. De BAC heeft aangegeven dat er geen aanleiding is om te adviseren dat Dienst Toeslagen ten onrechte het advies van de CWS op deze punten heeft gevolgd. Omdat Dienst Toeslagen daarmee wel is ingegaan op de door eiseres genoemde schadeposten, is er in zoverre geen sprake van strijd met het motiverings- of zorgvuldigheidsbeginsel.
Schadepost verkoop van sieraden
18. Eiseres heeft betoogd dat de sieraden die zij heeft moeten verkopen een waarde hadden van € 3.000,-. De sieraden heeft zij onder deze waarde moeten verkopen, namelijk voor een bedrag van € 1.500,-, waardoor een schade van € 1.500,- is geleden.
18.1.
Zoals hiervoor al onder 9.3.4. is overwogen over de immateriële schade vanwege de gestelde verkoop van sieraden, volgt de rechtbank ook bij de materiële schadepost Dienst Toeslagen in het standpunt dat eiseres niet heeft onderbouwd dat zij sieraden heeft moeten verkopen of welk bedrag zij hiervoor heeft ontvangen. Om die reden kan ook geen materiële schadevergoeding worden toegekend voor de verkoop van de sieraden.
Schadepost zorgkosten
19. Eiseres heeft op het verzoekformulier aangegeven dat zij en haar partner door haar psychische problemen en gezondheidsklachten van haar partner ‘veel eigen risico’ hebben betaald aan de zorgverzekering. Eiseres wijst voor de klachten van haar partner op een bericht van de huisarts van 15 februari 2022 waarin een depressie in juli 2013 is vermeld en nekklachten, een depressie en diabetes in maart 2018. Ook zijn diverse overzichten van zorgkosten overgelegd.
19.1.
In haar advies van 16 juni 2022 heeft de CWS aangegeven dat het enkele feit dat eiseres en partner over langere periode een eigen bijdrage of eigen risico hebben betaald nog niet meebrengt dat sprake is van schade veroorzaakt door de problemen verband houdende met de kinderopvangtoeslag. Eiseres heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat en welke kosten, die door de zorgverzekering zijn vergoed, te maken hadden met de kinderopvangtoeslagproblematiek. De CWS kan ook niet vaststellen dat de vergoedingen van de zorgverzekering hebben geleid tot betaling van een (verplicht) eigen risico of eigen bijdrage. Dienst Toeslagen heeft voor wat betreft de motivering van het besluit aangesloten bij het advies van de CWS.
De rechtbank kan het gemotiveerde standpunt van Dienst Toeslagen dat eiseres op dit punt niet in aanmerking komt voor aanvullende schadevergoeding volgen.
Schadepost kosten onderhoud woning
20. Eiseres heeft aangevoerd dat zij door de problemen met de kinderopvangtoeslag jarenlang haar woning niet heeft kunnen onderhouden. Zij heeft een factuur overgelegd van [bedrijf] van € 895,60 en twee offertes van Hornbach van € 966,50 en Praxis van
€ 977,68 voor onderhoud van een vloer. Deze bedragen wil eiseres vergoed zien.
20.1.
De CWS heeft in haar advies van 16 juni 2022 aangegeven dat eiseres niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van schade veroorzaakt door achterstallig onderhoud en dat dit achterstallig onderhoud is veroorzaakt door de problemen rondom de kinderopvangtoeslag. Alleen eventuele meerkosten die zijn ontstaan door de problemen rondom de kinderopvangtoeslag komen voor compensatie in aanmerking. Met de door eiseres overgelegde factuur en offertes is niet aannemelijk gemaakt dat hiervan sprake is. De rechtbank is van oordeel dat Dienst Toeslagen dit standpunt van de CWS op goede gronden heeft overgenomen. Dat betekent dat eiseres niet in aanmerking komt voor aanvullende schadevergoeding in verband met kosten voor onderhoud van haar woning.
Schadepost geldleningen
21. Volgens eiseres heeft Dienst Toeslagen de schadeposten geldlening bij Tinka (Wehkamp) en rente bij Interbank ten onrechte afgewezen.
21.1.
De rechtbank stelt voorop dat bij de schadepost ‘leningen’ volgens het Schadekader CWS de hoofdsom van leningen of schulden niet als schade is aan te merken en daarom ook niet voor vergoeding in aanmerking komt. De bijkomende kosten als rente en administratieve kosten kunnen wel voor vergoeding in aanmerking komen. Er moet dan een verband zijn tussen het ontstaan van de bijkomende kosten en de problemen met de kinderopvangtoeslag. Er hoeft geen causaal verband te bestaan tussen het aangaan van de lening of het ontstaan van de schuld en de problemen met de kinderopvangtoeslag.
Geldlening Tinka (Wehkamp)
21.2.
Vast staat dat eiseres diverse aankopen of afbetaling heeft gedaan bij Tinka/Wehkamp waardoor zij rente heeft moeten betalen. Volgens eiseres zijn deze verplichtingen noodgedwongen aangegaan door de problemen met de kinderopvangtoeslag. Zij benoemt geen schadebedrag, maar heeft wel een overzicht van rentebetalingen en aflossingen op dit consumptief krediet overgelegd. Er staan aankopen op als make-up, parfum en kleding.
Conform het Schadekader CWS heeft de CWS de uitgaven zelf niet als schade gekwalificeerd en is onderzocht of de rentebetalingen wel voor vergoeding in aanmerking komen. Daartoe is (onder meer) vereist dat de aankopen op afbetaling moesten worden gedaan door de problemen met de kinderopvangtoeslag. Volgens de CWS heeft eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij geen andere mogelijkheid had dan deze aankopen op afbetaling bij Tinka (Wehkamp) te doen door de problemen met de kinderopvangtoeslag. De door de aankoop op afbetaling verschuldigde rente komt al daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Dienst Toeslagen dit gemotiveerde standpunt van de CWS kunnen overnemen.
Geldlening Interbank
21.3.
Eiseres heeft op 1 maart 2012 een bedrag van € 47.500,- geleend bij Interbank. Op 26 februari 2013 is een bedrag van € 13.000,- op deze lening afgelost. De rentebetalingen over de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2021 bedragen afgerond
€ 13.138,-. Eiseres vraagt om vergoeding van deze rente.
21.4.
In het advies van de CWS van 16 juni 2022, dat door Dienst Toeslagen is gevolgd, is aangegeven dat niet aannemelijk is gemaakt dat de schade is ontstaan door problemen rond de kinderopvangtoeslag. Niet is toegelicht waarvoor de lening is aangegaan, zodat onduidelijk is of de aangegane verplichting tot het betalen van rente is veroorzaakt door de problematiek van de kinderopvangtoeslag. Volgens de CWS is niet aannemelijk dat eiseres de lening en bijkomende verplichtingen is aangegaan om de toeslagschulden over 2008 tot en met 2012 af te lossen. Terugbetaling over 2009 had immers al plaatsgevonden in de vorm van een verrekening en was in februari 2011 voltooid. Met terugbetaling van de kinderopvangtoeslag over 2008 is eiseres pas in mei 2013 en dus veel later begonnen dan de datum waarop de lening is aangegaan. Van de kinderopvangtoeslag over 2010 moest eiseres € 262,- terugbetalen, wat zij in maandelijkse termijnen van € 20,- tot € 62,- heeft gedaan. Over het jaar 2011 moest eiseres weliswaar € 7.007,- terugbetalen., maar een groot deel daarvan is in 2011 al afgeboekt. Het restant (€ 1.419,-) werd in deelbetalingen van € 60,- afbetaald in de periode van april 2011 tot maart 2013.
21.5.
De rechtbank is van oordeel dat op grond van het voorgaande niet aannemelijk is geworden dat er een verband bestaat tussen het ontstaan van de bijkomende kosten, in dit geval de betaalde rente, en de problemen met de kinderopvangtoeslag. Hiermee wordt niet voldaan aan de voorwaarden die in het Schadekader CWS staan om een schadevergoeding toe te kennen voor bijkomende kosten, zoals rente, verbonden aan een lening. Eiseres heeft nog betoogd dat zij het geld bij Interbank heeft moeten lenen om lopende leningen te herfinancieren. Of hiermee wel aannemelijk is dat aan het vereiste causale verband is voldaan, kan niet worden vastgesteld, omdat eiseres dit standpunt niet met nadere stukken heeft onderbouwd. Er is dan ook op goede gronden geen schadevergoeding toegekend.
Schadepost niet kunnen sparen kinderbijslag
22. Eiseres stelt dat zij de kinderbijslag heeft gebruikt om schulden af te lossen en dat zij zonder de problemen met de kinderopvangtoeslag de ontvangen kinderbijslag zou hebben kunnen sparen voor de kinderen. Zij heeft hierdoor vakanties, verjaardagsfeesten en offerfeesten misgelopen.
22.1.
De CWS heeft in het door Dienst Toeslagen gevolgde advies van 16 juni 2022 aangegeven dat gemiste vakanties, verjaardagsfeesten en offerfeesten geen materiële schade opleveren. Eiseres wordt hierdoor namelijk niet direct benadeeld in haar vermogen of inkomen. Het geestelijk leed of verdriet dat eiseres hierdoor heeft ervaren kan wel worden betrokken bij de beoordeling van de immateriële schade. Dat is ook gebeurd en heeft tot schadevergoeding geleid (in bouwsteen A). De CWS heeft verder aangegeven dat ook het aanwenden van inkomsten om financiële gaten te vullen geen materiële schade oplevert. Dit geldt ook voor de inkomsten als kinderbijslag. Eiseres is hierdoor niet negatief benadeeld in haar inkomen of vermogen. Dat de ouder de kinderbijslag niet op de door haar gewenste manier heeft kunnen aanwenden, maakt dat volgens de CWS niet anders.
De rechtbank kan deze motivering volgen. Eiseres komt voor deze schadepost niet in aanmerking voor schadevergoeding.
Overschrijding redelijke termijn
23. Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn van de procedure.
23.1.
De redelijke termijn is voor een procedure in twee instanties in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Van dergelijke omstandigheden is in dit geval niet gebleken.
23.2.
Het bezwaarschrift van eiseres is door Dienst Toeslagen ontvangen op 3 augustus 2022. Vanaf de datum van de ontvangst van het bezwaarschrift door Dienst Toeslagen tot de datum van deze uitspraak is (ruim) 3 jaar en 10 maanden verstreken. De redelijke termijn is dus met (ruim) 1 jaar en 10 maanden overschreden.
23.3.
In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden. Dit leidt in dit geval tot een schadevergoeding van € 2.000,-. Omdat de gehele overschrijding binnen de bezwaarfase is gelegen, komt deze schadevergoeding voor rekening van Dienst Toeslagen.

Conclusie en gevolgen

24. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat er voor eiseres niets verandert. Omdat sprake was van meerdere motiveringsgebreken en artikel 6:22 van Pro de Awb is toegepast moet Dienst Toeslagen het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres een vergoeding voor haar proceskosten.
Verder zal Dienst Toeslagen worden veroordeeld tot betaling van immateriële schadevergoeding voor een bedrag van € 2.000,- vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
24.1.
De proceskostenvergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1, en 1 punt voor het indienen van het schadeverzoek, met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor van 0,5 [6] ).

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt Dienst Toeslagen tot het betalen aan eiseres van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 2.000,-;
  • bepaalt dat Dienst Toeslagen het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt Dienst Toeslagen tot betaling aan eiseres van een bedrag van € 2.335,- aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzitter, en mr. J. van Alphen en mr. A.G.J.M. de Weert, leden, in aanwezigheid van mr. E.A. Vermunt, griffier, op 23 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: relevante wet- en regelgeving

Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 2.1 eerste en derde lid
1. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:
a. voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of
b. de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
3. Aan een aanvrager van compensatie die aannemelijk maakt dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan een bedrag als bedoeld in artikel 2.3, eerste tot en met zevende lid, wordt door de Dienst Toeslagen op aanvraag aanvullende compensatie voor de werkelijke schade toegekend.
Artikel 2.2
De compensatie bestaat uit:
a. een bedrag vanwege een beschikking tot het verminderen of niet toekennen van een kinderopvangtoeslag of het beëindigen van voorschotverlening voor een kinderopvangtoeslag die een direct gevolg is van institutionele vooringenomenheid als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, of de hardheid, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, vermeerderd met een bedrag voor de rente die is begrepen in een beschikking tot terugvordering;
b. een bedrag voor een bestuurlijke boete die is opgelegd op grond van artikel 40 of Pro 41 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen voor een verzuim of vergrijp betreffende de kinderopvangtoeslag;
c. een bedrag voor materiële schade;
d. een bedrag voor immateriële schade;
e. een bedrag voor invorderingskosten;
f. een bedrag voor proceskosten;
g. een rentevergoeding voor het niet uitgekeerde bedrag vanwege het verminderen of niet toekennen van de kinderopvangtoeslag of het beëindigen van de voorschotverlening kinderopvangtoeslag.
Artikel 2.3
1. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, is gelijk aan het bedrag dat als gevolg van de beschikking niet is toegekend of is teruggevorderd, vermeerderd met het bedrag van de rente die is begrepen in een beschikking tot terugvordering en verminderd, maar niet verder dan tot nihil, met:
a. een nog niet betaald bedrag van de terugvordering en van de rente; of
b. een alsnog toegekende kinderopvangtoeslag of een verhoging daarvan met betrekking tot het berekeningsjaar waarop de compensatie betrekking heeft.
2. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel b, is gelijk aan het bedrag van de bestuurlijke boete dat is betaald.
3. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel c, is gelijk aan de som van 25% van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, zonder de verminderingen, en 25% van het bedrag van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel b.
4. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel d, is ongeacht het aantal berekeningsjaren waarop de compensatie betrekking heeft, gelijk aan € 500 voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van een eerste beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, en de dagtekening van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie, waarbij een deel van een half jaar naar boven wordt afgerond op een half jaar, met dien verstande dat het bedrag niet hoger is dan de som van de bedragen die overeenkomstig het eerste lid voor de berekeningsjaren zijn vastgesteld, zonder de verminderingen.
5. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel e, is gelijk aan de kosten die door de Dienst Toeslagen in rekening zijn gebracht en zijn betaald voor invorderingshandelingen in verband met de beschikking, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, met inbegrip van betaalde invorderingsrente.
6. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel f, is een forfaitair bedrag voor de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende en aan de belanghebbende in rekening gebrachte rechtsbijstand met betrekking tot een beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, dat is vastgesteld overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht, met wegingsfactor 2, waarbij wordt aangenomen dat er geen sprake is van samenhangende zaken, verminderd met een reeds toegekende of nog te toe te kennen proceskostenvergoeding.
7. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel g, wordt berekend over het bedrag, bedoeld in het eerste lid, zonder de verminderingen, met overeenkomstige toepassing van artikel 27 van Pro de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en verminderd met rente die is vergoed op grond van een alsnog toegekende kinderopvangtoeslag of een verhoging daarvan.
8. De bedragen, bedoeld in het eerste tot en met zevende lid, worden vermeerderd met 1%.
9. Het bedrag van de aanvullende compensatie voor de werkelijke schade is de aanvullende werkelijke schade, bedoeld in artikel 2.1, derde lid, vermeerderd met 1%.
Artikel 5.2, eerste lid
1. Bij ministeriële regeling stelt Onze Minister commissies in met het oog op de uitvoering van de artikelen 2.1 tot en met 2.6 (…).
Deze ministeriële regeling is de Instellingsregeling Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade (Instellingsregeling)
Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Instellingsregeling
2. De commissie is een adviseur als bedoeld in artikel 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht en heeft tot taak:
e. het opstellen en aanpassen van een schadebeoordelingskader ten behoeve van de
uitoefening van de adviestaak van de commissie.

Voetnoten

1.Zie ECLI:NL:RVS:2023:3620, overweging 15.3.
2.Artikel 5.2 van de Wht en de Instellingsregeling Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade Instellingsregeling.
3.Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Instellingsregeling.
4.Te raadplegen via www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2023/02/03/de-werkwijze-en-het-beoordelingskader-van-de-cws.
5.Het aangepaste schadekader is te raadplegen via www.werkelijkeschade.nl/documenten.