ECLI:NL:RBZWB:2026:5561

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/659 V
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 8:1 AwbArt. 1:3 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep Woo-verzoeken ongegrond verklaard

Opposant heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 12 januari 2026, waarin de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het feit dat het college op 31 januari 2025 alsnog op de Woo-verzoeken heeft beslist.

De rechtbank heeft het verzet op 8 juni 2026 behandeld, waarbij opposant aanwezig was en het college niet. Opposant stelde dat niet op alle Woo-verzoeken was beslist en dat documenten onleesbaar of niet beschikbaar waren, en dat hij niet kon controleren of het externe WOO-bureau alle documenten ontving.

De rechtbank oordeelt dat het beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard omdat het college op 31 januari 2025 een besluit heeft genomen dat alle verzoeken omvat. Opposant heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er nog openstaande verzoeken zijn. Feitelijke handelingen zoals het niet tijdig verstrekken van documenten vallen buiten de bestuursrechterlijke toetsing.

Het verzet wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van 12 januari 2026 blijft in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/659 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2026 op het verzet van

[opposant], uit [woonplaats] , opposant [1] ,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 12 januari 2026 in het geding tussen
opposant
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarle-Nassau.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 12 januari 2026 [2] waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
Opposant heeft op 20 februari 2026 een verzetschrift tegen de uitspraak ingediend. Opposant heeft verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft het verzet op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft opposant deelgenomen en vanuit het college heeft er niemand deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 12 januari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [3] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitspraak van 12 januari 2026
4. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het college op 31 januari 2025 alsnog op de aanvragen (Woo-verzoeken) heeft beslist. De rechtbank heeft het beroepschrift daarnaast ter behandeling als bezwaarschrift doorgezonden aan het college en het college opgedragen dit als zodanig in behandeling te nemen.
4.1.
Opposant voert tegen de uitspraak aan dat er hierin voorbij is gegaan aan het feit dat er op meerdere aanvragen – die geen betrekking hebben op permanente bewoning op recreatieparken – geen besluiten zijn genomen. De stelling dat het college op alle Woo-verzoeken heeft besloten is bezijden de waarheid. Verder worden er documenten niet op het “platform” geplaatst, zijn documenten onleesbaar, onbruikbaar, “opgeschort” of niet te vinden. Ook geeft opposant aan dat hij niet weet hoe hij kan controleren of het externe WOO-bureau wel alle documenten toegezonden krijgt van de gemeente.
Beoordeling van het verzet
5. Artikel 6:2, onderdeel b, in samenhang met artikel 8:1 van Pro de Awb bepaalt dat een belanghebbende tegen het niet op tijd nemen van een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is een handeling die op rechtsgevolg is gericht. Er is sprake van rechtsgevolg als er rechten, plichten, aanspraken, verplichtingen, een bevoegdheid en/of een juridische status worden gecreëerd of teniet gedaan. Dit betekent dat feitelijke handelingen en privaatrechtelijke rechtshandelingen in beginsel buiten de bevoegdheid van de bestuursrechter vallen.
5.1.
De verzetrechter oordeelt dat opposant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij nog procesbelang heeft bij het beroep niet tijdelijk beslissen. De verzetrechter stelt vast dat het college immers op 31 januari 2025 een besluit heeft genomen op zijn aanvragen op grond van de Woo. Tijdens de zitting en in het verzetschrift benoemt opposant concrete kenmerken van zijn verzoeken waar volgens hem nog niet op is besloten. De verzoeken die hij bedoelt, zijn op verschillende data ingediend. De data van de verzoeken worden in het verweerschrift van 7 november 2025 gekoppeld aan verschillende zaaknummers van het college. De verzetrechter stelt vast dat de verzoeken – die opposant in verzet heeft genoemd –, onder de zaaknummers die het college aan de verzoeken heeft toegekend, in de bijlage van het besluit van 31 januari 2025 zijn opgenomen. Opposant heeft niet voldoende aannemelijk gemaakt dat, ondanks dat de betrokken zaaknummers zijn opgenomen in het besluit, er niet op deze verzoeken is besloten. Als opposant het inhoudelijk niet eens is met het een besluit, omdat er naar zijn mening nog niet volledig is besloten op zijn aanvragen, heeft hij de mogelijkheid (gehad) om bezwaar te maken tegen het besluit van 31 januari 2025. Deze verzetgrond slaagt niet.
5.2.
Voor zover opposant het niet eens is met de feitelijke uitvoering van een besluit, leidt dit niet tot een gegrondverklaring van het verzet. Het gevolg geven aan een besluit door de daarin genoemde documenten onvoldoende leesbaar of (nog) niet aan hem te versturen is een feitelijke handeling van het college. Dit valt buiten de strekking van de uitspraak van 12 januari 2026. Deze verzetgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 12 januari 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 25 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
3.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).