Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5559

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
201965525
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 287 SrArt. 314a SvArt. 38z SrArt. 6:2:10 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag op partner met ernstig blijvend letsel

Op 18 januari 2025 werd het slachtoffer met ernstig letsel aangetroffen in haar woning, waarna zij in zorgelijke toestand werd opgenomen in het ziekenhuis. Forensisch medisch onderzoek toonde aan dat het letsel door geweld was toegebracht. Verdachte heeft het slachtoffer meermalen met kracht in de buik en het lichaam geslagen, wat een aanmerkelijke kans op overlijden met zich meebracht.

De verdediging voerde aan dat het letsel het gevolg was van een val door een vermeende evenwichtsstoornis bij het slachtoffer, maar de rechtbank achtte dit niet aannemelijk. De verklaring van een getuige en andere bewijsmiddelen ondersteunden de bewezenverklaring van poging tot doodslag met voorwaardelijk opzet.

De rechtbank oordeelde dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op overlijden heeft aanvaard en geen medische hulp heeft ingeschakeld, waardoor het slachtoffer ernstig en blijvend letsel opliep. Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar, met aftrek van voorarrest. De rechtbank sprak verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf voor poging tot doodslag op zijn partner met ernstig en blijvend letsel.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-019655-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 24 juni 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [locatie] ,
raadsman mr. R.T.A. Slof, advocaat te Cuijk.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 juni 2026, waarbij de officier van justitie, mr. M.P. de Graaf, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering.
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) te doden.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag op [slachtoffer] . Uit het dossier volgt dat het letsel dat bij haar is geconstateerd door verdachte is toegebracht. Door met kracht in haar buik en tegen haar lichaam te slaan, heeft verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] in het leven geroepen en deze ook bewust aanvaard.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Verdachte is niet verantwoordelijk voor het letsel en heeft vanaf het begin een alternatief scenario naar voren gebracht. Het letsel dat bij [slachtoffer] is geconstateerd, is ontstaan doordat zij vanwege een evenwichtsprobleem zeer onvast ter been is en als gevolg daarvan vaak valt.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast. Op zaterdag 18 januari 2025 werden ambulance- en politie-eenheden naar de [adres] te [plaats] gestuurd. In de woning werd de bewoonster, mevrouw [slachtoffer] , gereanimeerd. [slachtoffer] is vervolgens in zorgelijke toestand opgenomen op de intensive care van het [ziekenhuis] in Rotterdam. Er is forensisch medisch onderzoek verricht, waarbij uitwendig en fors inwendig letsel bij [slachtoffer] is vastgesteld. [slachtoffer] had aan dit letsel kunnen overlijden indien niet tijdig medisch was ingegrepen.
Is verdachte verantwoordelijk voor het letsel?
De rechtbank is van oordeel dat er voldoende wettig bewijs in het dossier voorhanden is dat verdachte richting [slachtoffer] geweld heeft gebruikt, waardoor het bij haar geconsta-teerde letsel is ontstaan. De rechtbank wijst in dat verband op het in verschillende processen-verbaal gerelateerde letsel dat direct na binnenkomst in de woning bij [slachtoffer] wordt gezien en de forensisch medische letselrapportage. Voorts is door [persoon] (hierna: [persoon] ) verklaard over geweld dat verdachte richting [slachtoffer] heeft gepleegd en heeft verdachte zelf aangegeven dat hij voorafgaand aan de reanimatie in de woning aanwezig was en in de nabijheid van [slachtoffer] is geweest.
De rechtbank acht de forensisch medische rapportage betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Anders dan de verdediging stelt, is in de rapportage onderzocht wat de waarschijnlijkheid is dat de geconstateerde letsels het gevolg zijn van toegebracht geweld dan wel
accidenteleinwerking van uitwendig geweld,
zoals bijvoorbeeld bij een val.Het door verdachte geschetste alternatieve scenario, te weten vallen - bijvoorbeeld als gevolg van een evenwichtsstoornis - is derhalve wel degelijk ook in het onderzoek betrokken.
De rechtbank acht de verklaring van [persoon] eveneens betrouwbaar. Haar verklaring wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen, met name door de hoeveelheid en aard van de verschillende letsels en de jarenlange vermoedens en concrete meldingen van geweld vanuit verdachte richting [slachtoffer] . Dat [persoon] op eerdere momenten een andere verklaring over de toedracht van het letsel bij [slachtoffer] heeft afgelegd, doet hieraan geen afbreuk. Bij dat oordeel acht de rechtbank van belang dat de aanloop naar haar gewijzigde verklaring goed is weergegeven in het dossier. [persoon] heeft zelf op begrijpelijke wijze uitgelegd waarom zij eerder anders heeft verklaard. Daarnaast zijn er sterke aanwijzingen dat verdachte de kinderen heeft beïnvloed en hen heeft ingeprent wat zij moesten verklaren. De kinderen leken dit daarna ook onderling te doen en hun verklaringen af te stemmen. De rechtbank kent in dat kader veel gewicht toe aan de verklaring van de gezinshuisouder en aan de informatie van Jeugdbescherming Brabant. Tot slot bevat juist de laatste verklaring van [persoon] veel overtuigende details over de gebeurtenissen op 18 januari 2025.
Op basis van het dossier heeft de rechtbank ook de overtuiging dat het letsel dat bij [slachtoffer] is geconstateerd door geweld is ontstaan en dat verdachte degene is die dit geweld heeft toegepast. Deze overtuiging volgt uit de hiervoor opgesomde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, maar de rechtbank kent daarnaast ook veel gewicht toe aan de overduidelijk controlerende inhoud van de Whatsapp-berichten die tussen verdachte en [slachtoffer] zijn verstuurd en de diverse meldingen bij Veilig Thuis. Ten slotte heeft de dienstdoende arts van het Mobiel Medisch Team er in dit geval voor gekozen om zijn medisch beroepsgeheim te doorbreken. Een uitzonderlijke keuze die werd ingegeven door het feit dat hij zich ernstige zorgen maakte over hetgeen hij op 18 januari 2025 in de woning en bij [slachtoffer] had waargenomen aan letsel en omstandigheden.
Verdachte heeft een alternatief scenario naar voren gebracht. Hij heeft verklaard dat [slachtoffer] lijdt aan een evenwichtsstoornis, als gevolg waarvan zij onvast ter been is en vaak valt. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat [slachtoffer] op 18 januari 2025 (als gevolg van een evenwichtsstoornis) is gevallen, met voornoemd letsel tot gevolg. Er zijn geen aanwijzingen dat [slachtoffer] lijdt aan een evenwichts-stoornis. Een dergelijke diagnose is nooit officieel gesteld. Voorts verklaart - naast de kinderen en verdachte - niemand over vallen door [slachtoffer] dat door henzelf is waargenomen. Degenen die hier wel iets over zeggen, hebben dit enkel van verdachte gehoord. Nu de rechtbank het alternatief scenario niet aannemelijk acht, worden de in dat kader gevoerde verweren terzijde geschoven.
Is sprake van (voorwaardelijk) opzet?
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of voornoemde feitelijke handelingen een poging tot doodslag opleveren, zoals primair ten laste is gelegd. De rechtbank overweegt in dat kader als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat niet bewezen kan worden dat verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . Hij heeft dit zelf uitdrukkelijk ontkend en ook overigens volgt dit niet uit het dossier. De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet daarop heeft gehad. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte [slachtoffer] meermalen heeft geslagen, waaronder in haar buik. Gelet op de aard van het letsel moet het geweld buitensporig zijn geweest en met veel kracht gepaard zijn gegaan. Door op een dergelijke wijze geweld toe te passen dat onder andere op de buikregio was gericht, heeft verdachte de aanmerkelijk kans in het leven geroepen dat [slachtoffer] als gevolg hiervan zou komen te overlijden. In de buikregio en ter hoogte van de onderrug bevinden zich immers vitale organen en grote lichaamsslagaders die – anders dan ter hoogte van de borst – niet worden beschermd door de ribbenkast. Het risico op overlijden werd verder vergroot door de verzwakte gezondheidstoestand van [slachtoffer] . Zo was op het moment van de ziekenhuisopname sprake van (ernstig) ondergewicht. De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte de hiervoor omschreven aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. Zij baseert dit op de gewelddadige gedragingen van verdachte zelf, maar voorts ook op het feit dat verdachte geen onmiddellijke medische hulp heeft ingeschakeld, dit terwijl haar lichaamstemperatuur fors was gedaald en zij nauwelijks nog tekenen van leven vertoonde. Sterker, verdachte heeft [slachtoffer] uren laten liggen en pas op het moment dat zij onwillekeurige, schokkende bewegingen begon te maken en haar hartslag en ademhaling stopten, via een omweg medische hulp ingeschakeld.
Concluderend acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 18 januari 2025 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, met kracht in/tegen de buik en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestompt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van tien jaar, met aftrek van het voorarrest en oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit en heeft hierom geen standpunt ingenomen over de door de rechtbank op te leggen straf bij een bewezenverklaring.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op zijn partner; een poging tot femicide. Verdachte heeft zijn partner in hun woning met kracht in de buik en tegen het lichaam gestompt en geslagen. [slachtoffer] heeft als gevolg van dit gewelddadige handelen ernstig en blijvend letsel opgelopen. Zij is in het ziekenhuis opgenomen en is gedurende drie weken kunstmatig in coma gehouden. Er is een forse bloedophoping achter in de buikholte geconstateerd, waardoor de buik operatief moest worden geopend om de druk daarin te verlagen. Voorts zijn delen van de dikke darm verwijderd en is er een stoma geplaatst. Daarnaast is een klein stukje van de nier afgestorven, zijn er meerdere breuken van werveluitsteeksels in de onderrug geconstateerd en zijn meer dan 40 bloeduitstortingen waargenomen. Dit letsel is door verdachte toegebracht aan [slachtoffer] in het bijzijn van hun vier kinderen. Zij zijn getuige geweest van deze poging tot doodslag en hebben vervolgens zelfs de verantwoordelijkheid gekregen om hun moeder in de gaten te houden terwijl verdachte het huis uit ging en [slachtoffer] in zeer zorgwekkende toestand achterliet.
De lichamelijke integriteit van eenieder is een groot goed en de rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij het slachtoffer zo buitensporig heeft toegetakeld. Het is een wonder dat het slachtoffer het heeft overleefd. Dat het niet slechter met haar is afgelopen, is in het geheel niet aan verdachte te danken. Door zijn handelen heeft verdachte een uiterst onveilige situatie gecreëerd en is de geborgenheid van de huiselijke kring fors geschonden. De ernst van het feit is groot en de impact op de kinderen zal dat ook zijn.
Eveneens in het nadeel van verdachte weegt de rechtbank bij de strafoplegging mee dat hij geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden. Hij legt de schuld geheel buiten zichzelf. In het dossier wordt een beeld geschetst van een zeer langdurig en heftig patroon van psychisch en fysiek geweld, gericht op macht en controle over [slachtoffer] en de kinderen. Daarbij omschrijft de hulpverlening dat ook nu nog de invloed van verdachte op [slachtoffer] enorm groot is. Zij heeft in haar slachtofferverklaring aangegeven dat zij zich slachtoffer voelt van het systeem, omdat zij zich niet kan voorstellen dat verdachte haar iets zou aandoen. De relatie tussen verdachte en [slachtoffer] is dan ook voortgezet na 18 januari 2025. Niet alleen neemt de rechtbank dit de verdachte zeer kwalijk; het baart de rechtbank – mede gelet op de inhoud van de Whatsapp-berichten – ook grote zorgen voor de toekomst.
De persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank kennis genomen van het strafblad van verdachte van 20 maart 2025. Daaruit blijkt onder andere dat verdachte in 2007 is veroordeeld voor een poging tot doodslag. Dat is echter zo lang geleden dat de rechtbank dit niet strafverzwarend zal meewegen.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van de over verdachte opgemaakte Pro Justitia rapportages. Door de onderzoeksbeperkingen is het rapporteurs [psychiater] (psychiater) en [GZ-psycholoog 1] en [GZ-psycholoog 2] (GZ-psychologen) niet gelukt om tot diagnostische conclusies te komen. Zij concluderen dat er geen aanwijzingen zijn voor het bestaan van psychische stoornissen, maar dat de aanwezigheid van persoonlijkheids-stoornissen niet kan worden uitgesloten. Doordat er geen zicht op het bestaan van psychopathologie bij verdachte is verkregen, kan er geen uitspraak worden gedaan over de eventuele doorwerking daarvan in het tenlastegelegde feit en de gevolgen daarvan voor de mate van toerekenen. De rechtbank zal om die reden het feit volledig aan verdachte toerekenen.
De strafmaat
Gelet op de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf slaat de rechtbank acht op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Daarnaast worden de hierboven geschetste omstandigheden in strafverzwarende zin meegewogen, waaronder het blijvend letsel dat aan [slachtoffer] is toegebracht. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van acht jaar passend en geboden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Gelet op de langdurige gevangenisstraf ziet de rechtbank geen meerwaarde in het opleggen van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr. Bij een eventuele toepassing van de voorwaardelijke invrijheidstelling, kan op dat moment een actuele afweging worden gemaakt en kunnen zo nodig alsnog contactverboden aan verdachte worden opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
poging tot doodslag;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 8 jaren;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. S Tempel, voorzitter, mr. E.B. Prenger en mr. S.C.S. van Bree, rechters, in tegenwoordigheid van I.H.E. van Diepen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 juni 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid om dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 18 januari 2025 te
[plaats] , althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer] , opzettelijk van het leven te beroven,
meermalen, althans eenmaal (met kracht) in/tegen de buik en/of het
lichaam van die [slachtoffer] heeft gestompt en/of geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 287 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)