ECLI:NL:RBZWB:2026:5538

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/20, 25/262, 25/263 en 25/264
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.2aa Besluit omgevingsrechtArt. 2.6 ApvArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 7:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over onvoldoende motivering stikstofdepositie en waterberging bij bouwvergunning Ulvenhoutse bos

Deze tussenuitspraak betreft de omgevingsvergunning voor de bouw van drie woningen en bijbehorende uitritten op een perceel te Ulvenhout. Eisers betwisten de vergunning onder meer vanwege onvoldoende onderbouwing van de stikstofdepositie en de waterberging op eigen terrein.

De rechtbank stelt vast dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het bouwverkeer vanaf een bepaalde route al opgaat in het heersend verkeersbeeld, wat leidt tot een mogelijk te lage berekening van de stikstofdepositie. Ook is niet geborgd dat aan de vereiste waterberging op eigen terrein wordt voldaan. Andere beroepsgronden, zoals strijd met het bestemmingsplan, welstandseisen en ecologie, worden verworpen.

De rechtbank geeft het college twaalf weken de tijd om de gebreken te herstellen door een nadere motivering en zo nodig een nieuwe Aeriusberekening en natuurvergunning. De procedure wordt aangehouden totdat het college hierop heeft gereageerd. Over proceskosten wordt nog niet beslist.

Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan en geeft het college twaalf weken om de gebreken in de motivering van de stikstofdepositie en waterberging te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 25/20, 25/262, 25/263 en 25/264

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[vereniging 1] en [vereniging 2], uit [plaats] , eisers 1 (25/20),

[eiser 1] en [eiseres] , uit [woonplaats 1] (25/262),

[eiser 2], uit [woonplaats 1] (25/263) en
[eiser 3] ,uit [woonplaats 1] (25/264), gezamenlijk eisers 2
(gemachtigde: mr. I.E. Duijts)
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda.

(gemachtigde: mr. M. van der Made).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [vergunninghouder] uit [woonplaats 2] (de vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. M.I.J. Toonders).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vergunning voor de bouw van drie woningen op het perceel [adres] te [woonplaats 1] . Eisers zijn het niet eens met deze vergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de vergunning terecht is verleend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het besluit onvoldoende heeft onderbouwd. Eisers krijgen dus gelijk en de beroepen zijn dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3, 4 en 5 staat het toetsingskader van de verleende vergunning. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6 voor het aspect uitweg en vanaf 9 voor het aspect bouwen. Vanaf 21 gaat de rechtbank in op de bestuurlijke lus. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. De vergunninghouder heeft op 5 juli 2023 een vergunning aangevraagd voor het bouwen van drie woningen en het realiseren van de bijbehorende uitritten. Het college heeft de vergunning op 3 oktober 2023 verleend. Met de bestreden besluiten van 28 november 2024 op de bezwaren van eisers heeft het college de bezwaren ongegrond verklaard en de motivering van de vergunning aangevuld voor de aspecten stikstof en de uitwegen.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. De vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 6 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [gemachtigde] namens [vereniging 1] en [vereniging 2] , [eiseres] en [eiser 3] , vergezeld door hun gemachtigde, mr. M. van der Made namens het college en de vergunninghouder.
2.3.
Op 10 november 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend om het college in de gelegenheid te stellen een volledige Aeriusberekening met toelichting aan te leveren en een nadere toelichting te geven op door de rechtbank gestelde vragen en partijen in de gelegenheid te stellen hierop te reageren. Het college heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en partijen hebben hierop gereageerd.
2.4.
Op 15 april 2026 is het onderzoek gesloten. De uitspraaktermijn is daarna met nog zes weken verlengd.

Beoordeling door de rechtbank

Wettelijk kader
3. Het bestreden besluit is gebaseerd op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die wet is vervallen als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Op grond van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet blijft het oude recht van toepassing op een besluit op een aanvraag die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend. De aanvraag om een omgevingsvergunning is in deze zaak ingediend vóór 1 januari 2024. Dat betekent dat in dit geval het oude recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Dit omvat onder andere de Wabo.
3.1.
De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
De omgevingsvergunning
4. De verleende omgevingsvergunning betreft het realiseren van een rijtje van drie aaneengebouwde woningen, op het perceel [adres] te [woonplaats 1] . Er worden uitritten aangelegd ten behoeve van de woningen en het achterliggende agrarische perceel. De omgevingvergunning is verleend omdat het bouwplan past in het speciaal voor deze ontwikkeling vastgestelde bestemmingsplan ‘ [woonplaats 1] , [adres] ’.
Toetsingskader omgevingsvergunning
5. Het college heeft, voor zover hier van belang, een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘het maken van een uitweg’. [1]
5.1.
De omgevingsvergunning voor het maken van een uitweg is verplicht op grond van artikel 2.18 van de Wabo in samenhang met artikel 2.6 van de Algemene Plaatselijke Verordening Breda 2018 (Apv). De omgevingsvergunning kan geweigerd worden:
In het belang van de verkeersveiligheid;
In het belang van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
Ter bescherming van openbare groenvoorzieningen;
In het belang van de veiligheid en het doelmatig gebruik van de weg. [2]
De omgevingsvergunning kan daarnaast ook geweigerd worden in het belang van:
de openbare orde;
de openbare veiligheid;
de volksgezondheid;
e bescherming van het milieu. [3]
5.2.
De Wabo kent in artikel 2.10 een verplicht toetsingskader voor de activiteit ‘bouwen’. Kort gezegd betekent dit dat het college moet toetsen of het bouwplan voldoet aan het Bouwbesluit, de bouwverordening, het bestemmingsplan en de redelijke eisen van welstand. Als er geen sprake is van strijd met één van deze weigeringsgronden moet het college de vergunning verlenen. Als zich één van deze weigeringsgronden voordoet, is het college in beginsel verplicht de omgevingsvergunning voor het bouwen te weigeren.
De omgevingsvergunning voor de uitweg.
Is de tweede uitweg noodzakelijk?
6. Eisers 1 stellen dat de tweede uitweg niet noodzakelijk is. Deze ligt in de groen-blauwe mantel en deze is nodig voor het bereiken van de oostelijke woning en niet voor de agrarische activiteiten.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het niet strikt noodzakelijk zijn van een uitweg is geen grond om deze te weigeren. Het college mocht er voor kiezen om twee aparte uitritten toe te staan, zodat zowel de oostelijke woning als het oostelijk daarvan ontsloten agrarisch perceel ieder een eigen uitrit krijgt.
Is vergund wat is aangevraagd?
7. De tijdelijke bouwweg is volgens eisers 1 ten onrechte niet in de aanvraag opgenomen. Deze aanvraag ziet ook niet op de 8 meter brede uitweg voor agrarische doeleinden op perceel [perceelnummer 1] die door de gemeente wordt betaald. Deze tweede inrit is volgens eisers 2 alleen bestemd voor de ontsluiting van het agrarische perceel, omdat de uitweg westelijk van het perceel niet breed genoeg is voor landbouwmachines. Eén brede uitrit volstaat voor auto’s en grote landbouwvoertuigen.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Ter zitting is toegelicht dat voor de bouw de bestaande inrit aan de westzijde van het perceel wordt gebruikt. Er is daarom geen omgevingsvergunning nodig voor deze tijdelijke bouwweg. De beslissing op bezwaar overweegt uitdrukkelijk dat er twee uitritten worden vergund voor de bestemming woningen en één afzonderlijke uitrit voor uitsluitend het agrarisch perceel. Daarmee is de aparte uitrit voor het agrarische perceel uitdrukkelijk verleend. Voor de vergunning is niet van belang wie een uitweg betaalt.
Moest geweigerd worden wegens het doorbreken van de groene haag?
8. Eisers 2 stellen dat de omgevingsvergunning voor de uitweg een te grote aantasting oplevert van de haag. Op grond van artikel 4.3.2 onder d van het bestemmingsplan mag de groene haag die op grond van een voorwaardelijke verplichting moet worden gerealiseerd en in stand gehouden voor gezamenlijk maximaal 9 meter worden doorbroken voor in- en uitritten en erfontsluitingen. Er wordt volgens de tekening in totaal 9 meter uitweg ter hoogte van de bestemming wonen gerealiseerd.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Er wordt voldaan uit de voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan dat de haag in stand moet blijven. Er is daarom ook geen aanleiding te weigeren wegens het uiterlijk aanzien van de omgeving of de bescherming van openbare groenvoorzieningen.
De omgevingsvergunning voor het bouwen
Het bestemmingsplan
9. Op het perceel waarvoor de vergunning is verleend, is het bestemmingsplan ‘ [woonplaats 1] , [adres] ’ van toepassing. De gronden hebben hierin de enkelbestemming ‘Wonen’. Het deel van de percelen tussen het bouwvlak en de openbare weg hebben tevens de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’. Omliggende gronden die in dit specifieke bestemmingsplan zijn betrokken hebben de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden-Natuur- en landschapswaarden’ en de dubbelbestemming ‘Waarde- Attentiegebied ecologische hoofdstructuur’.
Mag aan het bestemmingsplan getoetst worden?
10. Eisers 2 geven aan dat zij beroep hebben aangetekend tegen het bestemmingsplan ‘ [woonplaats 1] , [adres] ’. Dit is daarom nog niet onherroepelijk en de kans bestaat dat het vaststellingsbesluit wordt vernietigd. Om te voorkomen dat een onomkeerbare situatie ontstaat, had de omgevingsvergunning daarom nog niet verleend moeten worden.
10.1.
De rechtbank constateert dat er inderdaad nog een beroepszaak loopt tegen het bestemmingsplan. Daarin is inmiddels een tussenuitspraak gedaan. [4] Gelet op vaste rechtspraak vormt dit in beginsel geen beletsel om aan dit bestemmingsplan te toetsen. Getoetst moet worden aan het bestemmingsplan zoals dat gold ten tijde van de beslissing op bezwaar. [5] Het college had niet de bevoegdheid om nog aan het voorgaande bestemmingsplan te toetsen en heeft dus terecht aan het nieuwe bestemmingsplan ‘ [woonplaats 1] , [adres] ’ getoetst. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Past het bouwplan binnen het bestemmingsplan?
11. Eisers 1 stellen dat het bouwplan niet in het bestemmingsplan past omdat bijgebouwen in strijd met artikel 4.2.3, onder b van het bestemmingsplan niet op of op een afstand van 1 meter van de perceelsgrens worden gebouwd en bovendien buiten het bouwvlak worden gebouwd. De bijgebouwen zijn feitelijk ook geen bijgebouwen maar werkkamers die onderdeel zijn van het hoofdgebouw. Er wordt buiten de gebiedsbegrenzing gebouwd en in de groenblauwe mantel. Het gebouw past niet in het bouwvlak.
11.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De hoofdgebouwen van de woningen zijn gezamenlijk 17,75 meter breed, terwijl het bouwvlak aan de voorzijde ruim 24,5 meter breed is en aan de achterzijde ruim 21 meter. De bijgebouwen vallen deels buiten het bouwvlak, maar wel binnen de bestemming wonen. Aan- en uitbouwen hoeven niet binnen het bouwvlak te worden gebouwd. Een aan- of uitbouw is een gebouw dat is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat en dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, maar daar wel functioneel onderdeel van uitmaakt. [6] Het feit dat de aanbouwen feitelijk werkkamers zijn maakt dus niet uit voor de vraag of het een aanbouw is: het is immers in bouwkundig opzicht ondergeschikt en mag functioneel onderdeel uitmaken van het hoofdgebouw.
Uit de situatietekeningen blijkt dat de vergunde bouw binnen de bestemmingsgrenzen blijft en dat er niet in de groenblauwe mantel gebouwd wordt. Er wordt dus niet in strijd met het bestemmingsplan gebouwd.
Is er strijd met redelijke eisen van welstand?
12. Eisers 2 vinden het bouwplan in strijd met de redelijke eisen van welstand. Het plangebied maakt onderdeel uit van de gebieden die in de Welstandsnota (4.2.09) worden gekarakteriseerd door villabebouwing. De aard en omvang van de drie aaneengebouwde woningen detoneert met de overige bebouwing die gekenmerkt wordt door een ruime opzet en (hoofdzakelijk) vrijstaande villabebouwing. De villa’s zijn minder breed dan de drie aaneengebouwde woningen en die passen daarom niet in het straatbeeld. Het college had de commissie ruimtelijke kwaliteit (CRK) om een uitgebreider advies moeten vragen. Het summiere advies mag niet aan de vergunningverlening ten grondslag worden gelegd.
12.1.
Het college stelt dat het genoegen mocht nemen met een zogenoemd stempeladvies met enkele nadere opmerkingen. Er is ook geen deskundig tegenrapport overgelegd. Bovendien moet het welstandsadvies de planologische bouwmogelijkheden respecteren.
12.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eisers stellen feitelijk dat er te breed gebouwd wordt en dat een villa passender is dan aaneengebouwde woningen. De welstandstoetsing mag echter niet zo ver gaan dat het de uit het bestemmingsplan voortvloeiende bouwmogelijkheden beperkt. [7] Welstandseisen kunnen er dus niet toe leiden dat het bouwvlak niet vol gebouwd mag worden, dat er een ander type woningen moet worden gebouwd dan planologische toegestaan of dat er minder woningen mogen worden gebouwd dan wat volgens het bestemmingsplan mag.
Is vergund wat is aangevraagd?
13. Eisers 1 geven aan dat de aanvraag niet gaat over perceel [perceelnummer 2] , terwijl daarop wel gebouwd gaat worden. Het gaat ook niet om koop of huur: initiatiefnemer gaat er zelf wonen. Eisers 2 geven aan dat in tegenstelling tot wat de vergunning vermeldt (het realiseren van een woning) het blijkens de tekeningen om drie aaneengesloten woningen gaat.
13.1.
Vergunninghouder geeft aan dat voldoende duidelijk uit de stukken blijkt dat het om de bouw van drie aaneengebouwde woningen gaat.
13.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de aanvraag en de vergunning blijkt voldoende duidelijk wat vergund is. Het maakt daarbij niet uit of woningen na realisatie worden verhuurd, verkocht of door initiatiefnemer zelf bewoond worden. Dat perceel [perceelnummer 2] niet expliciet in de aanvraag is opgenomen, maakt niet dat de vergunning niet op dit perceel ziet. Uit de onderliggende gegevens blijkt voldoende duidelijk dat wel op dat perceel wordt gebouwd.
13.3.
Dat in de vergunning is opgenomen dat het om het bouwen van een woning gaat, is weliswaar onzorgvuldig, maar maakt ook niet dat de vergunning onjuist en daardoor niet meer geldig zou zijn. Uit de beslissing op bezwaar en de bij de vergunning behorende tekeningen blijkt duidelijk dat het om drie aaneengesloten woningen gaat. Bovendien zijn eisers niet geschaad in hun belangen. Ze hebben begrepen dat het om een bouwplan voor drie woningen gaat en hebben daartegen bezwaar gemaakt.
Is op basis van voldoende gegevens besloten?
14. Eisers 1 geven aan dat ten onrechte niet alle door de gemeente opgevraagde gegevens alsnog aan de vergunningaanvraag zijn toegevoegd. Het gaat om gegevens over bergingen in de achtertuinen, inrichtingstekeningen met hagen op de perceelsgrens, parkeerplaatsen, de waterberging en andere werkzaamheden.
14.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij het bestreden besluit is een situatietekening gevoegd waarop de hagen, inritten, parkeerplaatsen en dergelijke zijn aangegeven. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college zonder deze gegevens heeft besloten.
Moeten het starterswoningen zijn?
15. Eisers 2 geven aan dat in het voortraject en tijdens de burgerparticipatie is aangegeven dat het om starterswoningen gaat. De woningen zijn echter fors duurder dan € 350.000,-. Dit past daarom niet in een goede ruimtelijke ordening.
15.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De afweging welk type woningen in een goede ruimtelijke ordening passen is gemaakt bij het vaststellen van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan eist niet dat starterswoningen worden gebouwd en kent daar ook geen definitie van. Zo is er geen maximale verkoopprijs vastgesteld.
Hydrologie
16. Eisers 1 vinden dat er te weinig rekening is gehouden met de hydrologie van het Ulvenhoutse bos. Een watertoets of -vergunning ontbreekt. Er worden verhardingen aangelegd en een 8 meter lange watergang wordt gedempt. Ten onrechte is geen waterberging van 39 m² achter op het erf geëist, zodat water op eigen terrein kan infiltreren.
16.1.
Het college geeft aan geen bevoegd gezag te zijn voor het dempen van de watergang. Ter zitting verduidelijkt het college dat de bestaande sloot is verbreed zodat het een waterberging wordt die voldoet aan de vereiste 39 m². Er zijn stukken over deze wijziging, maar die zitten niet in het dossier.
16.2.
Vergunninghouder geeft aan dat het hemelwater naar een greppel aan de westzijde van het perceel wordt afgevoerd. Deze greppel wordt verbreed en verdiept.
16.3.
Deze beroepsgrond slaagt. Artikel 4.2.5. van de planbepalingen bepaalt dat er voorzien moet worden in waterberging op eigen terrein. De oprichting van bebouwing is uitsluitend toegestaan als er een waterberging van voldoende capaciteit wordt aangelegd. Uit de vergunning en onderliggende stukken blijkt niet dat hieraan getoetst is. Ook is deze waterberging niet geborgd in de vergunningvoorschriften. Daarbij merkt de rechtbank op dat een sloot of greppel die water afvoert nu juist geen waterberging is.
16.2.
Overigens ziet de rechtbank in het aanleggen van de verhardingen verder geen weigeringsgrond, mits voldaan wordt aan de eis van voldoende waterberging.
Stikstof
17. Eisers 1 en 2 geven aan dat zowel bij de bouw als in de gebruiksfase stikstof vrijkomt door het project. Het Ulvenhoutse bos is als Natura2000 gebied al overbelast met stikstof. Er kan dan ook geen natuurvergunning worden afgegeven. Eisers 1 berekenen aan de hand van een vergelijkbaar project dat de stikstofuitstoot hoger is dan uit de berekeningen blijkt. Daarbij is geëxtrapoleerd vanuit de inhoud van dat project naar de inhoud van dit project. Ook hebben eisers 1 het stationair draaien van voertuigen meegenomen. De conclusie is dat de stikstofdepositie op het Ulvenhoutse bos 0,04 mol/ha/jaar bedraagt.
17.1.
Het college en vergunninghouder geven aan dat er recente Aeriusberekeningen zijn gemaakt waaruit blijkt dat de stikstofdepositie in de bouwfase en gebruiksfase onder de grenswaarde blijft. Het college wijst erop dat de stikstofdepositie in de gebruiksfase al meegewogen en beoordeeld is bij de vaststelling van het bestemmingsplan.
17.2.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt met betrekking tot de stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase. Die is al beoordeeld bij de vaststelling van het bestemmingsplan en kan niet meegewogen worden in de vergunningverlening voor de bouw van de woningen.
17.3.
Deze beroepsgrond slaagt wel voor de stikstofdepositie in de bouwfase. Voor de bouwfase blijkt uit de namens vergunninghouder aangeleverde Aeriusberekeningen dat de stikstofdepositie onder de norm blijft. Het college heeft een beoordeling van de Omgevingsdienst en een nieuwe Aeriusberekening aangeleverd. Hierin is uitgegaan van veelal elektrische machines en zware vrachtwagens voor vervoer (worst case) en stationair draaiende vrachtwagens bij laden en lossen. Uitgegaan wordt van een route tot de [straat 1] . Van daaruit wordt het bouwverkeer geacht op te zijn gegaan in het heersend verkeersbeeld. Eerder is er echter, door hetzelfde bureau [adviesbureau] , voor gekozen de stikstofuitstoot van het bouwverkeer tot aan de [straat 2] toe te rekenen aan het bouwproject. Eisers stellen dat de route via de [straat 1] naar het zuiden onwaarschijnlijk is omdat het bouwverkeer vanaf de [straat 1] niet de snelweg op kan. De route via de [straat 2] is veel waarschijnlijker om de oprit naar de snelweg te bereiken. De rechtbank constateert dat het college niet heeft gemotiveerd waarom bij nader inzien van een andere route wordt uitgegaan waarbij een veel kortere afstand aan het bouwverkeer van het project wordt toegerekend. De rechtbank is het met eisers eens dat dit geen logische route is, zodat niet al vanaf de [straat 1] gesproken kan worden van ‘opgaan in het heersend verkeersbeeld’. Dit levert de schijn op dat louter voor een andere, veel minder voor de hand liggende, route is gekozen om tot een lagere stikstofdepositie te komen, zonder te motiveren waarom in dit geval toch van deze andere route uitgegaan moet worden. Daarbij betrekt de rechtbank dat in nagenoeg het hele Natura2000-gebied Ulvenhoutse bos sprake is van duidelijke overbelasting.
17.4.
Voor zover eisers aangeven dat het college niet uit mocht gaan van het gebruik van elektrische machines en zij daarbij verwijzen naar een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant, volgt de rechtbank dat niet. In dit geval is het gebruik van elektrische machines voldoende geborgd in de aanvraag en de vergunning.
17.5.
Bovenstaande leidt ertoe dat het college de uitgangspunten van de Aeriusberekening en dan met name de gekozen route voor het bouwverkeer, opnieuw zal moeten onderbouwen en mogelijk een nieuwe Aeriusberekening op zal moeten laten stellen, op basis van valide en goed gemotiveerde uitgangspunten.
17.6.
Mocht dan blijken dat er toch te veel stikstofdepositie plaats zal vinden, moet de natuurvergunning aanhaken en in de omgevingsvergunning meegenomen worden. [8]
Ecologie
18. Er is volgens eisers 1 geen recent ecologisch onderzoek. De quickscan uit 2019 is te oud. Het gebied is daarvoor ook maar op 1 dag in oktober onderzocht. Gedurende meerdere momenten in het jaar had veldbezoek moeten plaatsvinden.
18.1.
De afweging met betrekking tot ecologie is een afweging die hoort bij het bestemmingsplan. Dit is geen weigeringsgrond voor de omgevingsvergunning voor het bouwen.
Archeologie
19. Volgens eisers 1 zijn op het perceel hoge archeologische waarden aanwezig, die onvoldoende zijn onderzocht.
19.1.
Op het voorste deel van de te bebouwen percelen, tussen het bouwvlak en de openbare weg in, geldt de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’. Alvorens vast te stellen of voor werkzaamheden in dit gebied ook een vergunning nodig is, moet de rechtbank eerst beoordelen of zij hieraan mag toetsen. Beroep is ingesteld door rechtspersonen die het oogmerk hebben de natuur te beschermen. Archeologie valt daar niet onder. De bepalingen over archeologie en het verstoren van de bodem zijn opgenomen ter bescherming van het archeologisch belang. De rechtbank ziet daarin geen belang dat door eisers 1 statutair wordt behartigd. De rechtbank mag daarom het bestreden besluit niet vernietigen op grond van artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en zal dus afzien van een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond. [9]
Algemeen
Proceskostenvergoeding in bezwaar
20. Eisers 2 stellen dat het college deels aan hun bezwaren is tegemoet gekomen door het besluit beter te motiveren. De bezwaren hadden daarom gegrond moeten worden verklaard en het college had dus een proceskostenvergoeding toe moeten kennen.
20.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college hoeft slechts over te gaan tot een proceskostenvergoeding in bezwaar als het besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. [10] Het bestreden besluit is weliswaar nader gemotiveerd, maar niet herroepen, zodat er geen grond is voor een proceskostenvergoeding.

Bestuurlijke lus

21. Zoals hiervoor is overwogen is het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel omdat onvoldoende is onderbouwd waarom er vanuit is gegaan dat het bouwverkeer vanaf de [straat 1] opgaat in het heersende verkeersbeeld en waarom voldaan wordt aan de eisen van hydrologie. De rechtbank kan het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. [11] Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met nieuwe beslissingen op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van de nu bestreden besluiten.
21.1.
Om de gebreken te herstellen, moet het college opnieuw motiveren waarom gekozen is voor een route waarbij het bouwverkeer al vanaf de [straat 1] opgaat in het heersend verkeersbeeld, terwijl het college eerder uitging van een route waarbij dat pas bij de [straat 2] het geval was. Mogelijkerwijs moet daarbij een nieuwe Aeriusberekening worden opgesteld en moet een natuurvergunning aanhaken. Het college moet dat dan in een nieuwe beslissing op bezwaar verwerken.
21.2.
Daarnaast moet het college met documenten en/of vergunningvoorschriften onderbouwen en borgen hoe voldaan wordt aan de verplichting van voldoende waterberging op het eigen perceel.
21.3.
De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college de gebreken kan herstellen op twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak. De rechtbank geeft op voorhand mee dat de gestelde termijn in beginsel (behoudens overmacht) niet wordt verlengd.
21.4.
Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of het gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers en vergunninghouder in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op de beroepen.
21.5.
Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. [12]
21.6.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
22.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzitter, en mr. S. Hindriks en mr. M.G.J. Maas-Cooymans, leden, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 23 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Bestemmingsplan [woonplaats 1] , [adres]
Artikel 4 Wonen Pro
4.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit in het hoofdgebouw, met dien verstande dat kamerverhuur niet is toegestaan;
met daarbij behorend(e);
parkeren;
tuinen en erven;
groen;
speelvoorzieningen;
nutsvoorzieningen;
water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
4.2
Bouwregels
4.2.1
Algemeen
uitsluitend aaneengebouwde woningen zijn toegestaan;
ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal woonheden' mag het aantal wooneenheden niet meer bedragen dan is aangegeven;
het bebouwingspercentage per bouwperceel mag niet meer bedragen dan 60%.
4.2.2
Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
hoofdgebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' worden gebouwd;
de goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' toegestane maat;
de diepte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 12 meter;
e voorgevel van het hoofdgebouw dient op of binnen 2 meter van de voorste bouwgrens te worden opgericht;
van het maximaal toegestane aantal hoofdgebouwen zoals bedoeld onder artikel 4.2.1 sub b bedraagt de breedte van minimaal twee hoofdgebouwen per hoofdgebouw maximaal 6 meter.
4.2.3
Aan- en uitbouwen en bijgebouwen
a. Aan- en uitbouwen en bijgebouwen dienen 1 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan te worden gebouwd, met uitzondering van:
1. carports en overkappingen, die achter de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan mogen worden gebouwd;
2. geringe uitbreidingen zoals erkers, entreepartijen en balkons met maximaal 1 meter diep over een breedte van maximaal de breedte van het hoofdgebouw minus 2 meter.
Aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen in de zijdelingse bouwperceelgrens worden gebouwd dan wel op een minimum afstand van 1 meter van deze grens.
De bouwhoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag, indien voorgenoemde bouwwerken zijn vastgebouwd aan een hoofdgebouw, niet meer bedragen dan 0,30 meter boven de vloer van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw. De goot- en bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 3 en 5 meter.
Vrijstaande bijgebouwen mogen worden gebouwd tot een gezamenlijk oppervlak van 60 m².
4.2.4
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Carports en overkappingen dienen achter de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan te worden gebouwd.
De hoogte van carports en overkappingen mag niet meer bedragen dan 3 meter.
De hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 meter, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg of het openbaar gebied gekeerde gevel(s) c.q. het verlengde daarvan maximaal 1 meter mag bedragen.
De hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 meter.
4.2.5
Specifieke bouwregels
a. Voorzien in waterberging op eigen terrein
Het oprichten van bebouwing is uitsluitend toegestaan indien binnen het plangebied wordt voorzien in een waterbergingsvoorziening met voldoende capaciteit. De capaciteit van de waterbergingsvoorziening wordt als volgt berekend:
Minimaal 7 liter per m² afwaterende verharding bij het vervangen van bestaande afwaterende verharding.
Minimaal 78 liter per m² afwaterende verharding voor de toename in afwaterende verharding ten opzichte van de bestaande situatie.
In afwijking van het bepaalde onder 2 mag voor de toename in afwaterende verharding worden voorzien in een waterbergingsvoorziening met een capaciteit van minimaal 60 liter per m² wanneer er sprake is van een duurzame invulling van de waterbergingsvoorziening.
Een groen dak wordt niet als afwaterende verharding aangemerkt wanneer de capaciteit van deze waterbergingsvoorziening minimaal 20 liter per m² bedraagt.
b. Geluid
Het bouwen van een geluidgevoelig object is uitsluitend toegestaan, indien wordt voldaan aan het besluit hogere waarde, zoals is opgenomen in Bijlage 1 van deze regels, en de daarin gestelde voorwaarden.

Voetnoten

1.Artikel 2.1, eerste lid onder a en c en artikel 2.2, eerste lid onder e van de Wabo.
2.Artikel 2.6, vierde lid van de Apv.
3.Artikel 1.7, eerste lid van de Apv.
4.ABRvS, 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2341.
5.ABRvS, 21 december 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AA4296
6.Artikel 1.3 van de bestemmingsplanvoorschriften.
7.ABRvS, 10 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1129
8.Als er op het moment van het besluit over de aanvraag om omgevingsvergunning nog geen Wnb-vergunning of ontheffing is aangevraagd of verleend, bestaat op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo, in samenhang gelezen met artikel 2.2aa van het Besluit omgevingsrecht, de verplichting om tegelijkertijd voor die activiteiten een natuurtoestemming als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo aan te vragen.
9.Zie de uitspraken van de ABRvS van 29 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:664 en 2 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:645.
10.Artikel 7:15, tweede lid van de Awb.
11.Artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb.
12.ABRvS, 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2877.