ECLI:NL:RBZWB:2026:5537

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
BRE 24/4767
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.9 Aanvullingswet natuur OmgevingswetArt. 8:72 AwbAfdeling 3.4 AwbWet natuurbeschermingOmgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging weigering natuurvergunning voor verwerking groenafval wegens onjuiste toepassing intern salderen

Indaver Compost B.V. vroeg een natuurvergunning aan voor het verwerken van groenafval tot eindproducten. Het college van Gedeputeerde Staten van Zeeland weigerde deze vergunning op grond van intern salderen, waardoor zij meenden dat geen vergunning nodig was. Eisers, waaronder een stichting en een andere partij, maakten bezwaar tegen deze weigering en stelden dat wel degelijk een vergunning vereist is.

De rechtbank oordeelt dat de weigering onterecht is. Op basis van recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is duidelijk geworden dat intern salderen niet mag worden gebruikt om te concluderen dat een natuurvergunning niet nodig is. De toetsing moet uitgaan van de gevolgen van het project op zichzelf, zonder vergelijking met de referentiesituatie.

De rechtbank vernietigt daarom het besluit van 22 april 2024 en draagt Gedeputeerde Staten op binnen zes maanden een nieuw besluit te nemen, waarbij zij rekening moeten houden met deze uitspraak. Tevens worden de proceskosten en het griffierecht aan eisers vergoed.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de weigering van de natuurvergunning en draagt Gedeputeerde Staten op binnen zes maanden een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/4767

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] U.A.en
Stichting [eiser 2], beide uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr. D. Delibes),
en

het college van Gedeputeerde Staten van Zeeland.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Indaver Compost B.V. uit Nieuwdorp
(gemachtigde: mr. G.J.M. de Jager).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de het weigeren van een door Indaver Compost B.V. (Indaver) aangevraagde vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor het verwerken van groenafvalstromen tot eindproducten. De natuurvergunning is geweigerd door het college van Gedeputeerde Staten (hierna: Gedeputeerde Staten) omdat er door intern salderen geen vergunning nodig is (een zogenaamde positieve weigering). Eisers zijn het hier niet eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van onder meer deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is omdat er wel degelijk een vergunning nodig is. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben een aanvraag ingediend voor een natuurvergunning voor het verwerken van groenafvalstromen tot eindproducten. Gedeputeerde Staten hebben deze aanvraag met het besluit van 22 april 2024 geweigerd omdat geen vergunning nodig is.
2.1.
Gedeputeerde Staten hebben het ontwerpbesluit vanaf 14 februari 2024 gedurende zes weken ter inzage gelegd in het kader van het toepassen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (UOV) als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit houdt in dat tegen dit besluit direct beroep moet worden ingesteld. [1]
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 juni 2025 op zitting gepland. Vanwege nieuwe rechterlijke uitspraken over intern salderen hebben partijen om aanhouding verzocht. Gedeputeerde Staten wilden onderzoeken of een nieuw besluit kon worden genomen. Uiteindelijk hebben Gedeputeerde Staten aangegeven dat er geen nieuw besluit zou komen en de rechtbank verzocht over het beroep tegen het voorliggende besluit van 22 april 2024 uitspraak te doen.
2.4.
Partijen hebben aangegeven geen behoefte te hebben aan een behandeling van deze zaak op zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een natuurvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een natuurvergunning is ingediend op 28 november 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wet natuurbescherming, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. [2]
Is een natuurvergunning vereist?
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat Gedeputeerde Staten de natuurvergunning niet mochten weigeren omdat er geen vergunning vereist zou zijn. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 18 december 2024 [3] bepaald dat een natuurvergunning ook is vereist als er intern wordt gesaldeerd. De referentiesituatie mag niet worden betrokken bij de vraag of significante gevolgen van een project op voorhand zijn uitgesloten. In de voortoets mag dus, anders dan voorheen, voor de beoordeling of significante gevolgen zijn uitgesloten, geen vergelijking worden gemaakt van de gevolgen van de bestaande vergunde situatie en de gevolgen van het project na wijziging. Dit betekent dat voortaan in de voortoets bij de beoordeling of significante gevolgen op voorhand zijn uitgesloten, de gevolgen van het project op zichzelf worden onderzocht. Als uit de voortoets volgt dat significante gevolgen niet op voorhand zijn uitgesloten, dan is voor het project een natuurvergunning nodig.
4.1.
Gedeputeerde Staten hebben geoordeeld dat geen natuurvergunning nodig is omdat er ten opzichte van de referentiesituatie geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige habitattypen. Deze motivering kan, gelet op de hierboven genoemde uitspraken, geen stand houden.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond omdat Gedeputeerde Staten ten onrechte tot de conclusie zijn gekomen dat geen natuurvergunning nodig was. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Daarmee moet opnieuw op de aanvraag beslist worden. Het is aan Gedeputeerde Staten om te beoordelen of alsnog een natuurvergunning kan worden verleend. Mogelijk moeten nieuwe gegevens door Indaver worden aangeleverd en moet een nieuwe beleidsafweging worden gemaakt. De rechtbank treedt teveel in de bevoegdheden van Gedeputeerde Staten als zij hierover beslist.
5.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat Gedeputeerde Staten een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft Gedeputeerde Staten hiervoor zes maanden.
5.2.
Omdat het beroep gegrond is moeten Gedeputeerde Staten het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten.
Gedeputeerde Staten moeten deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 22 april 2024;
- draagt Gedeputeerde Staten op binnen zes maanden na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag om een natuurvergunning met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat Gedeputeerde Staten het griffierecht van € 371,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt Gedeputeerde Staten tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzitter, en mr. S. Hindriks en mr. T.I. van Term, leden, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 23 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d van de Awb.
2.ABRvS, 10 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:44.
3.ABRvS, 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923 en ECLI:NL:RVS:2024:4909