4.3.2De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
02-213188-25
Feit 1
Aangezien verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 9 juni 2026;
- de aangifte van [aangever 1] namens [winkel 1] van 12 juli 2026, pagina 8 van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2025182934 van de politie Zeeland-West-Brabant opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 t/m 84.
Feit 2
Aangezien verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 9 juni 2026;
- de aangifte van [benadeelde 1] van 12 juli 2025, pagina 10 van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2025182934 van de politie Zeeland-West-Brabant opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 t/m 84.
Feit 3
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat aangeefster [benadeelde 2] op 12 juli 2025, omstreeks 18.00 uur, samen met een ander bij ‘de kuil’ van het park Valkenberg in Breda zat. Haar Zippo aansteker en goudkleurige ketting lagen tussen hen op de grond. Nadat zij zijn aangesproken door twee jongemannen en deze jongemannen weer zijn weggelopen, waren de aansteker en ketting verdwenen. [benadeelde 2] heeft hierna de politie gebeld dat zij is bestolen van haar aansteker en ketting.
Op camerabeelden van het park is waargenomen dat er twee personen om 17:29 uur het park Valkenberg in lopen in de richting van ‘de kuil’. Een van deze personen is herkend als zijnde verdachte. Verdachte is in verband met de diefstal onder feit 1 om 17:58 uur aangehouden. Na fouillering bleek dat verdachte in bezit was van een Zippo aansteker en een goudkleurige ketting.
Aan [benadeelde 2] zijn foto’s toegestuurd van de bij verdachte aangetroffen ketting, waarop zij heeft bevestigd dat dit haar ketting betrof.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte degene is geweest die de ketting en aansteker van [benadeelde 2] heeft gestolen. De rechtbank acht de onder feit 3 ten laste gelegde diefstal wettig en overtuigend bewezen.
Feit 4
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de politie op 12 juli 2025 ter zake van de onder feit 1 ten laste gelegde diefstal ter plaatse is gegaan naar de [winkel 1] te Breda , teneinde verdachte aan te houden. De politie trof verdachte erg onrustig aan. Verdachte gaf onder andere aan de politie te haten en schold met ‘kankerpolitie’. Voorafgaand aan de fouillering van verdachte werd hem gevraagd of hij scherpe voorwerpen bij zich had. Verdachte heeft hierop aangegeven dat dit niet het geval was.
Bij het leegmaken van zijn zakken is vervolgens een zakmes aangetroffen.
Dit zakmes is onderzocht en uit dit onderzoek volgt dat het zakmes een wapen zou kunnen zijn in de zin van artikel 2, lid 1, categorie IV onder 7 van de Wet Wapens en Munitie. Hiervan is sprake indien gelet op de aard of de omstandigheden waaronder het wapen wordt aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat dit voor geen ander doel is bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op het onrustige gedrag bij zijn aanhouding, en het feit dat verdachte zijn wapen heeft willen verhullen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat verdachte het zakmes op zak had om letsel aan personen toe te brengen dan wel om hiermee te dreigen. De rechtbank acht de onder feit 4 ten laste gelegde overtreding van de Wet wapens en munitie gelet hierop wettig en overtuigend bewezen.
02-228538-25
De rechtbank acht de ten laste gelegde diefstal in vereniging wettig en overtuigend bewezen.
Verdachte heeft bekend dat hij de portemonnee van aangever [benadeelde 3] heeft weggenomen en dat hij op dat moment samen was met iemand anders die ook door de politie is aangehouden. De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat die ander de persoon [medeverdachte 1] betreft. Verdachte en [medeverdachte 1] hebben samen aangever benaderd op de Havermarkt in Breda , zijn daar met hem in gesprek waarbij zij allebei zeer dicht naast aangever gingen staan en een kort dansje met hem deden. Hierna lieten zij allebei aangever abrupt los en liepen zij gezamenlijk weg. Direct hierna merkte aangever dat zijn portemonnee weg was. Deze ontmoeting met aangever is vastgelegd op camerabeelden alsook het vervolg daarop. Daarop is waargenomen dat [medeverdachte 1] iets aan verdachte lijkt te geven wat hij in zijn linker jaszak stopte. Enkele seconden later haalde verdachte een portemonnee uit deze jaszak die hij in zijn broek stopte en er weer uithaalde. Verdachte keek in deze portemonnee en gooide hem weg. Op de plek van het weggooien is de portemonnee van aangever teruggevonden.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van de hiervoor omschreven gedragingen kan worden geconcludeerd dat het dansje met aangever was bedoeld als afleidingsmanoeuvre om de portemonnee ongemerkt weg te kunnen nemen, dat verdachten er vervolgens snel samen vandoor gingen, dat [medeverdachte 1] toen de portemonnee aan verdachte heeft gegeven die vervolgens de portemonnee heeft proberen kwijt te maken. Een en ander is voldoende om te concluderen dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen deze twee verdachten en aldus van medeplegen.
02-220760-25
Aangezien verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv en acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 9 juni 2026;
- de aangifte van [aangever 2] namens de [winkel 2] te Breda , pagina 7 en verder van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2025204645 van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 109;
- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , pagina 21 en verder van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2025204645 van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 109.
02-222812-25
Feit 1
Aangezien verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 9 juni 2026;
- de aangifte van [benadeelde 4] , van 12 augustus 2025, pagina 6 van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2025212704 van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 t/m 74.
Feit 2
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat buitengewoon opsporingsambtenaar [benadeelde 5] , op 12 augustus 2025 in de stationshal van het treinstation te Breda , assistentie heeft verleend bij het onder controle krijgen van verdachte na zijn aanhouding in verband met de onder feit 1 ten laste gelegde mishandeling. [benadeelde 5] heeft hierbij, terwijl verdachte op zijn buik op de grond lag met zijn gezicht naar de grond toe, de rechterarm van verdachte gefixeerd en is met zijn knie op het bovenbeen van verdachte gaan zitten. Verdachte heeft vervolgens zijn hoofd omgedraaid in de richting van [benadeelde 5] en heeft in de richting van [benadeelde 5] gespuugd waarbij hij [benadeelde 5] op zijn arm heeft geraakt. [benadeelde 5] voelde zich hierdoor in zijn eer en goede naam aangetast.
De verdediging heeft als verweer aangevoerd dat verdachte geen opzet had op het bespugen van [benadeelde 5] . Verdachte wilde enkel zijn luchtwegen vrij krijgen van het bloed dat hij in zijn neus en mond had vanwege een bloedneus. Dit verweer wordt door de rechtbank verworpen, nu uit het dossier volgt dat verdachte een actieve beweging heeft gemaakt door zijn hoofd in de richting van [benadeelde 5] te draaien, waarna verdachte in de richting van [benadeelde 5] heeft gespuugd en [benadeelde 5] op zijn arm heeft geraakt. Verdachte had allerlei andere richtingen waarin hij kon spugen, maar deed dit actief in de richting van [benadeelde 5] . De rechtbank is van oordeel dat verdachte hiermee opzet had op spugen in de richting van [benadeelde 5] .
De rechtbank acht gelet op voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte BOA [benadeelde 5] heeft beledigd door hem te bespugen.
02-264231-25Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat aangever [benadeelde 6] op
14 augustus 2025, omstreeks 23:40 uur in een trein liep die stil stond op het station van Breda . Hier kwam een jonge man de trein in gesprongen welke de gouden halsketting van [benadeelde 6] met een harde ruk van zijn nek af trok, waarna de jonge man de trein weer uit is gesprongen. [benadeelde 6] is direct achter de dader aangerend en is ook de trein uitgesprongen. [benadeelde 6] is de dader uiteindelijk uit het oog verloren. [benadeelde 6] heeft aan de harde ruk een striem in zijn nek overgehouden.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het verdachte was die de ketting bij [benadeelde 6] van zijn nek heeft getrokken. De rechtbank overweegt in dit kader als volgt.
Uit de camerabeelden van het station volgt dat op 14 augustus 2025 om 23:42 uur een trein stil stond waar een persoon uit kwam gerend met onder andere een pet en een grote zonnebril op. Twee seconden hierna kwam een tweede man uit de trein gerend, welke achter de eerste persoon is aangerend. Uit de aangifte volgt dat de dader een hoofddeksel droeg en een opvallende bril met getinte glazen. Uit de aanvullende verklaring van aangever volgt dat zijn signalement de betreffende avond overeenkomt met het signalement van de tweede man. De rechtbank concludeert hieruit dat de twee rennende personen die op de camerabeelden zijn te zien, aangever en de dader zijn.
Voorts stelt de rechtbank vast dat de eerste wegrennende persoon, de dader, door drie verbalisanten is herkend als zijnde verdachte. Bovendien volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte op de beelden dezelfde kleding draagt als verdachte tijdens zijn aanhouding op 15 augustus 2025, slechts één dag later.
De rechtbank concludeert hieruit dat het verdachte is geweest die de gouden ketting van de nek van [benadeelde 6] heeft getrokken en hierna is weggerend, waarna [benadeelde 6] achter hem aan is gerend. De rechtbank acht de ten laste gelegde diefstal dan ook wettig en overtuigend bewezen.
02-244197-25
Feit 1 en feit 2
De rechtbank acht feit 1 en feit 2 wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat in de nacht van 15 augustus 2025 in Breda is ingebroken in een camper en vijf personenauto’s en dat is geprobeerd in te breken in twee andere personenauto’s. Bij de camper was een dakraam ingeslagen, bij zeven auto’s was een autoruit ingeslagen en bij één auto zat een barst in de autoruit.
De voertuigen stonden bij elkaar in de buurt geparkeerd op [straat 1] en [straat 2] . In diezelfde omgeving werd een groot deel van de weggenomen spullen teruggevonden. Op deze spullen en ook op en in de voertuigen werden bloedsporen aangetroffen.
Door twee getuigen zijn die bewuste nacht in de (nabije omgeving van de) [straat 1] omstreeks 03:30 uur en 03:55 uur drie mannen gezien die met elkaar spraken in een buitenlandse taal. Er werden meerdere klappen gehoord alsof er op autoruiten werd geslagen en gezien werd dat de mannen richting [straat 3] liepen. Dit past bij de camerabeelden van [straat 1] waarop omstreeks 03:36 uur drie mannen in beeld komen die zich rondom de daar geparkeerde voertuigen ophouden. Door één van hen wordt meerdere keren geslagen op een autoruit van een Hyundai en kort hierna zijn signalen te zien en te horen passend bij een autoalarm. Omstreeks 03:37 uur rennen de drie mannen gezamenlijk weg en verdwijnen ze uit beeld.
Voor de rechtbank bestaat er geen twijfel dat voornoemde drie mannen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] waren. De politie zag omstreeks 03:40 uur op [straat 3] drie mannen staan bij een openstaand voertuig die direct te voet wegvluchtten, waarna de politie de achtervolging inzette. De drie mannen vluchtten samen de bosschages in en werden niet veel later in de directe omgeving aangehouden. [medeverdachte 2] is omstreeks 04.08 uur aangehouden en [medeverdachte 1] en [verdachte] omstreeks 04:26 uur. [medeverdachte 1] en [verdachte] zaten samen verstopt in de bosschages op welke plek een deel van de weggenomen spullen is teruggevonden. Daar komt nog bij dat [medeverdachte 2] door een verbalisant is herkend op de camerabeelden, welke verbalisant ook sterke gelijkenissen zag tussen een van de mannen op de beelden en [verdachte] . Daarnaast is het verkregen DNA-profiel van zeven verschillende bloedsporen gematcht met het DNA-profiel van [verdachte] .
De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op het inbreken in voertuigen met het oogmerk om spullen weg te nemen. Ze waren met zijn drieën midden in de nacht op pad, waren bij elkaar toen er werd geslagen op autoruiten, hielden zich op in dezelfde omgeving als waar (pogingen tot) inbraken hebben plaatsgevonden, zijn samen op de vlucht geslagen voor de politie en verstopten zich in de bosschages. Een en ander is voldoende om te kunnen concluderen tot het medeplegen door verdachte van de inbraken en de pogingen daartoe.
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de poging tot inbraak in de Mazda van [aangever 3] (feit 2), nu op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat sprake was van braaksporen aan dit voertuig.
Feit 3
Onder feit 3 wordt verdachte kort gezegd verweten dat hij samen met anderen een Hyundai, een Mazda en een Audi A4 heeft vernield. In het verlengde van datgene wat de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van feit 1 en feit 2 acht de rechtbank ook dit feit bewezen voor zover het de vernieling van de Hyundai en de Audi A4 betreft. De rechtbank acht geen bewijs aanwezig voor de vernieling van de Mazda nu op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat er schade is toegebracht aan dit voertuig.
02-348263-25De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 21 november 2025 politieagent [benadeelde 7] in zijn gezicht heeft gespuugd.
De verdediging heeft als verweer gevoerd dat verdachte geen opzet had op het beledigen van [benadeelde 7] . Dit verweer verwerpt de rechtbank nu verdachte een actieve beweging richting [benadeelde 7] heeft gemaakt om hem te kunnen bespugen. Verdachte heeft namelijk, terwijl hij geboeid was en [benadeelde 7] hem achter zijn rug bij de handboeien vast had, zijn hoofd omgedraaid richting [benadeelde 7] , [benadeelde 7] in de ogen aangekeken en hem in zijn gezicht gespuugd.
De rechtbank acht gelet op voorgaande de ten laste gelegde belediging van de politieagent [benadeelde 7] wettig en overtuigend bewezen.
02-341281-25
Feit 1
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 14 december 2025 in Oosterhout [benadeelde 8] met zijn vlakke hand een klap in het gezicht heeft gegeven.
De rechtbank acht hiermee de mishandeling van [benadeelde 8] wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 14 december 2025 in Oosterhout voor de onder feit 1 ten laste gelegde mishandeling door de politie is aangehouden waarna hij is geboeid. Verdachte heeft zich vervolgens bij het begeleiden naar het dienstvoertuig verzet tegen het handelen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . Dit deed hij onder andere door veel kracht in zijn armen en benen te zetten, zichzelf af te zetten tegen het dienstvoertuig, zichzelf te bewegen in een andere richting dan waar de verbalisanten hem heen wilden begeleiden en door niet mee te willen lopen. Verdachte heeft gedurende zijn verzet eveneens een elleboog in het gezicht van verbalisant [verbalisant 1] gegeven.
De rechtbank acht gelet op voorgaande de ten laste gelegde wederspannigheid wettig en overtuigend bewezen.
Feit 3
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 15 december 2025 te Breda in een politiecel verbalisant [benadeelde 9] , die op dat moment in functie was als arrestantenbeveiliger, met zijn vuist een klap tegen zijn wenkbrauw en een klap tegen zijn gebit heeft gegeven. De rechtbank acht hiermee de ten laste gelegde mishandeling van een ambtenaar in functie wettig en overtuigend bewezen.