ECLI:NL:RBZWB:2026:5518
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde recreatiewoning en afwijzing beroep belanghebbende
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande recreatiewoning uit 2011, waarvan de WOZ-waarde per 1 januari 2022 is vastgesteld op €355.000. Tegen deze vaststelling en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting heeft belanghebbende bezwaar gemaakt, dat door de heffingsambtenaar is afgewezen.
De rechtbank heeft het beroep op 8 mei 2026 behandeld, waarbij de heffingsambtenaar niet is verschenen ondanks meerdere verzoeken om uitstel of digitale deelname. De rechtbank heeft deze verzoeken afgewezen omdat de zittingstijd al was vastgesteld op een passend tijdstip. De heffingsambtenaar heeft geen gemachtigde gesteld.
De rechtbank beoordeelt de waardebepaling aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij referentiewoningen in de nabijheid en rondom de waardepeildatum zijn gebruikt. De heffingsambtenaar heeft een taxatierapport overgelegd met een getaxeerde waarde van €362.000, waarbij rekening is gehouden met verschillen tussen de woningen.
Belanghebbende stelde dat onvoldoende rekening is gehouden met het ontbreken van een vlonder, ongunstige ligging en schade aan het zwembad op het park. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar deze verschillen voldoende heeft verwerkt en dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar de rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van het griffierecht van €51,-.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €355.000 wordt ongegrond verklaard en de aanslag OZB blijft gehandhaafd.