ECLI:NL:RBZWB:2026:5517

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/1217
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

WOZ-waarde woning te hoog vastgesteld, beroep gegrond verklaard

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €58.000 per 1 januari 2023. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank behandelde het beroep op 8 mei 2026 zonder aanwezigheid van partijen. De heffingsambtenaar had meerdere verzoeken tot uitstel of digitale deelname gedaan, die door de rechtbank werden afgewezen vanwege onvoldoende gewichtige redenen en het feit dat de gemachtigde zich niet in de procedure had gesteld.

De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar niet had voldaan aan zijn bewijslast, omdat geen taxatierapport of onderbouwing was verstrekt in de beroepsfase. Belanghebbende stelde een waarde van €40.000 voor, welke niet werd betwist door de heffingsambtenaar. De rechtbank stelde daarom de WOZ-waarde vast op €40.000 en bepaalde dat de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig moet worden verminderd.

Daarnaast merkte de rechtbank op dat bezwaren tegen andere aanslagen zoals zuiveringsheffing en rioolheffing niet onderdeel van dit geschil waren en dat de heffingsambtenaar mogelijk nog een beslissing moet nemen over die bezwaren. De rechtbank veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende, maar wees een vergoeding van proceskosten af.

De uitspraak werd gedaan door rechter V.A. Burgers en griffier F. de Jong en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt verlaagd naar €40.000 en de OZB-aanslag dienovereenkomstig verminderd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/1217

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van SaBeWa, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 23 januari 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats 2] (de woning) op 1 januari 2023 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 58.000 (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Tholen voor het jaar 2024 opgelegd (de aanslag OZB).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 mei 2026 op zitting behandeld. Partijen waren niet aanwezig.
1.4.
Belanghebbende heeft zich bij brief van 28 april 2026 afgemeld voor de zitting.
1.5.
De heffingsambtenaar is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De rechtbank merkt in dit kader op dat de heffingsambtenaar meermaals heeft verzocht om uitstel van de zitting, dan wel digitale deelname. De rechtbank heeft deze verzoeken afgewezen. De rechtbank gaat vanaf r.o. 3.2. in op de afwijzing van deze verzoeken.

Feiten

2. Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het betreft een eindwoning met bouwjaar 1901.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de waarde van de woning te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de waarde van de woning te hoog vastgesteld
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Vooraf
3.2.
De heffingsambtenaar heeft bij brief van 22 april 2026 verzocht om uitstel van de zitting. De heffingsambtenaar verzoekt als volgt:
“In deze zaak is een zitting gepland op 8 mei aanstaande. Omdat op die dag in de ochtend ook door het Hof een zitting is gepland komen wij in tijdnood. Aangezien wij werken met een vaste gemachtigde verzoeken wij u vriendelijk de zittingen in Middelburg te laten starten om 13:30 uur in de middag.“
De rechtbank heeft bij brief van 23 april 2026 het verzoek tot uitstel van de zitting afgewezen. De door de heffingsambtenaar gegeven reden voor het verzoek is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen gewichtige reden om de zitting uit te stellen. De rechtbank overweegt dat van een bestuursorgaan zoals SaBeWa mag worden verwacht dat zij vertegenwoordiging kan sturen voor meer dan één zitting per dag op verschillende locaties. Dat de heffingsambtenaar er kennelijk voor gekozen heeft om alle procedures door één persoon te laten voeren, is een keuze waarin de rechtbank onvoldoende reden ziet om de zaak verder uit te stellen. Overigens heeft deze kennelijke gemachtigde zich in deze procedure niet gesteld. Ook de herhaalde verzoeken tot uitstel heeft de rechtbank om dezelfde reden afgewezen.
Toetsingskader van de rechtbank
3.3.
Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding". [1]
3.4.
De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Pas als de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de rechtbank toe aan de vraag of belanghebbende de door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan de rechtbank schattenderwijs zelf tot een vaststelling van de in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bedoelde waarde komen.
Heeft de heffingsambtenaar de waarde aannemelijk gemaakt?
3.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar niet aannemelijk gemaakt dat de vastgestelde waarde van de woning van belanghebbende niet te hoog is. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar ter onderbouwing van de vastgestelde WOZ-waarde in de beroepsfase geen taxatierapport heeft verstrekt. Naar het oordeel van de rechtbank is ook uit het taxatieverslag, dat is opgemaakt ten behoeve van de bezwaarfase, niet op te maken hoe de heffingsambtenaar de waarde van de woning van belanghebbende heeft vastgesteld. Nu de heffingsambtenaar de waarde ook niet anderszins heeft onderbouwd, is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar niet in zijn bewijslast is geslaagd.
De door belanghebbende voorgestane waarde
3.6.
Belanghebbende bepleit in zijn beroepschrift een waarde van € 40.000. Deze waarde is door de heffingsambtenaar niet inhoudelijk betwist. De rechtbank zal daarom de waarde van de woning op de waardepeildatum vaststellen op de door belanghebbende bepleite waarde van € 40.000.
Aanslagen zuiveringsheffing, afvalstoffenheffing en rioolheffing
3.7.
De rechtbank merkt op dat zij uit de overgelegde stukken van belanghebbende opmaakt dat hij tevens bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslagen zuiveringsheffing, afvalstoffenheffing en rioolheffing. De vraag of de heffingsambtenaar deze aanslagen terecht heeft vastgesteld, is geen onderdeel van het onderhavige geschil. Bij de uitspraak op bezwaar van 23 januari 2025 heeft de heffingsambtenaar beslist op het bezwaar tegen de WOZ-beschikking. Uit niets in dit dossier blijkt dat in deze uitspraak op bezwaar (of in een andere uitspraak op bezwaar) ook een beslissing is genomen op het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslagen zuiveringsheffing, afvalstoffenheffing en rioolheffing. De rechtbank heeft geen zicht op wat er gebeurd is met de bezwaren tegen de andere beschikkingen – naar het de rechtbank overkomt belanghebbende ook niet – en het zou kunnen dat de heffingsambtenaar hier nog een beslissing op moet nemen. De rechtbank ziet geen aanleiding om het beroepschrift als bezwaarschrift door te sturen naar de heffingsambtenaar, nu de heffingsambtenaar kennelijk al over het bezwaar van belanghebbende beschikt.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de bij beschikking vastgestelde waarde moet worden verminderd tot € 40.000. De aanslag OZB moet dienovereenkomstig worden verminderd.
4.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Voor een vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding omdat gesteld noch gebleken is van voor vergoeding in aanmerking komende kosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de bij beschikking vastgestelde waarde van de woning tot een bedrag van € 40.000;
- vermindert de aanslag OZB dienovereenkomstig;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53,- aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F. de Jong, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44.