ECLI:NL:RBZWB:2026:5515

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
BRE 24/7966
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:31 AwbArt. 8:38 AwbArt. 8:42 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering WOZ-waarde woning wegens onvoldoende verweerschrift en niet verschijnen heffingsambtenaar

Belanghebbende is eigenaar van een appartement uit 2004 waarvan de WOZ-waarde door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €581.000 per 1 januari 2023. Tegen deze vaststelling en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) heeft belanghebbende bezwaar gemaakt, dat door de heffingsambtenaar ongegrond werd verklaard.

De rechtbank behandelde het beroep op 8 mei 2026, waarbij belanghebbende niet verscheen ondanks correcte uitnodiging. De heffingsambtenaar verscheen eveneens niet en had meerdere verzoeken tot uitstel en digitale deelname ingediend, die door de rechtbank werden afgewezen vanwege onvoldoende gewichtige redenen en te late indiening.

De heffingsambtenaar heeft nagelaten tijdig een verweerschrift en relevante stukken in te dienen, wat een schending van artikel 8:42 Awb Pro oplevert. De rechtbank kon daardoor het dossier niet inhoudelijk beoordelen en achtte het redelijk om de WOZ-waarde te verlagen tot het door belanghebbende voorgestelde bedrag van €432.000.

De aanslag OZB wordt dienovereenkomstig verminderd en de heffingsambtenaar wordt verplicht het griffierecht van €51 aan belanghebbende te vergoeden. Er is geen aanleiding voor vergoeding van overige proceskosten. De uitspraak is openbaar en partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt verminderd tot €432.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig aangepast.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/7966

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende], domicilie kiezende te [plaats], belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van SaBeWa, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 17 oktober 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] (de woning) op 1 januari 2023 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 581.000 (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Kapelle voor het jaar 2024 opgelegd (de aanslag OZB).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 mei 2026 op zitting behandeld. Partijen waren niet aanwezig.
1.4.
Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 17 maart 2026 aan belanghebbende op het opgegeven adres [adres] te [plaats], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op zitting te verschijnen. Op 8 april 2026 is de envelop met de aangetekend verzonden uitnodiging door de rechtbank retour ontvangen. Daarop staat vermeld dat het aangetekend verzonden stuk retour is gezonden omdat het niet is afgehaald. Omdat het een als domicilie gekozen adres betreft heeft de rechtbank het adres niet kunnen controleren in de Basisregistratie Personen (BRP). De uitnodiging is op 21 april 2026 nogmaals per gewone post aan belanghebbende verzonden. [1] De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd.
1.5.
De heffingsambtenaar is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De rechtbank merkt in dit kader op dat de heffingsambtenaar meermaals heeft verzocht om uitstel van de zitting, dan wel digitale deelname. De rechtbank heeft deze verzoeken afgewezen. De rechtbank gaat vanaf r.o. 3.2. in op de afwijzing van deze verzoeken.

Feiten

2. Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het betreft een appartement met bouwjaar 2004.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de waarde van de woning te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de waarde van de woning te hoog vastgesteld
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Vooraf
3.2.
De heffingsambtenaar heeft bij brief van 22 april 2026 verzocht om uitstel van de zitting. De heffingsambtenaar verzoekt als volgt:
“In deze zaak is een zitting gepland op 8 mei aanstaande. Omdat op die dag in de ochtend ook door het Hof een zitting is gepland komen wij in tijdnood. Aangezien wij werken met een vaste gemachtigde verzoeken wij u vriendelijk de zittingen in Middelburg te laten starten om 13:30 uur in de middag.“
De rechtbank heeft bij brief van 23 april 2026 het verzoek tot uitstel van de zitting afgewezen. De door de heffingsambtenaar gegeven reden voor het verzoek is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen gewichtige reden om de zitting uit te stellen. De rechtbank overweegt dat van een bestuursorgaan zoals SaBeWa mag worden verwacht dat zij vertegenwoordiging kan sturen voor meer dan één zitting per dag op verschillende locaties. Dat de heffingsambtenaar er kennelijk voor gekozen heeft om alle procedures door één persoon te laten voeren, is een keuze waarin de rechtbank onvoldoende reden ziet om de zaak verder uit te stellen. Overigens heeft deze kennelijke gemachtigde zich in deze procedure niet gesteld. Ook de herhaalde verzoeken tot uitstel heeft de rechtbank om dezelfde reden afgewezen.
3.3.
De heffingsambtenaar heeft de rechtbank tevens op de zittingsdag om 11.12 uur via e-mail verzocht om digitale deelname aan de zitting. De heffingsambtenaar verzoekt als volgt:
“Vanmiddag staat een zitting gepland in een aantal zaken waarin de gemachtigde van SaBeWa Zeeland namens ons zou optreden.
Eerder hebben wij al verzocht om deze zaken te verzetten, omdat onze gemachtigde diezelfde ochtend ook aanwezig moet zijn bij een hoger beroep bij het Gerechtshof in Den Bosch. Helaas bleek verplaatsing van beide zittingen niet mogelijk.
Daarop hebben wij ervoor gekozen onze gemachtigde direct na afloop van de zitting in Den Bosch naar Middelburg te laten reizen, in de verwachting dat dit qua planning haalbaar zou zijn. Inmiddels blijkt echter dat de behandeling bij het Hof uitloopt, waardoor het voor onze gemachtigde niet mogelijk zal zijn om tijdig fysiek aanwezig te zijn.
Wij verzoeken u daarom vriendelijk of het mogelijk is een digitale deelnamelink toe te sturen, zodat onze gemachtigde alsnog op afstand aan de zitting kan deelnemen.”
3.4.
De rechtbank merkt op dat partijen zijn uitgenodigd voor de zitting welke plaats zou vinden om 10.55 uur. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting om 10.55 uur geopend en de zaak behandeld. De rechtbank heeft om 10.56 uur het onderzoek ter zitting gesloten. Dit betekent dat het verzoek tot digitale deelname de rechtbank pas na afloop van de zitting en de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft bereikt. De rechtbank ziet in dit verzoek geen aanleiding om de zaak te heropenen.
Schending artikel 8:42 van Pro de Awb?
3.5.
Op grond van artikel 8:42 van Pro de Awb dient de heffingsambtenaar de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift aan de heffingsambtenaar. Binnen deze termijn kan de heffingsambtenaar ook een verweerschrift indienen. Indien de rechter om een verweerschrift heeft verzocht, is de heffingsambtenaar gehouden binnen vier weken een verweerschrift in te dienen.
3.6.
De rechtbank heeft de heffingsambtenaar bij brief van 17 januari 2025 verzocht om uiterlijk 14 februari 2025 een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. Bij rappelbrief van 17 februari 2025 heeft de rechtbank de heffingsambtenaar opnieuw verzocht om uiterlijk 17 maart 2025 op het verzoek van de rechtbank te reageren. De heffingsambtenaar heeft niet binnen de door de rechtbank gestelde termijnen op deze verzoeken gereageerd.
3.7.
De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar pas eerst op 6 mei 2026 – de zitting was op 8 mei 2026 - een document heeft ingediend zonder begeleidend schrijven wat kennelijk op de zaak betrekking heeft. Een verweerschrift is überhaupt niet ingediend. Ten aanzien van het door de heffingsambtenaar op 6 mei 2026 ingediende stuk, overweegt de rechtbank dat dit zodanig laat is, zonder dat daarbij een reden is gegeven waarom dit niet eerder kon, dat de rechtbank niet kan toestaan dit stuk nog toe te laten. De heffingsambtenaar ontneemt belanghebbende door dit onnodig late indienen de mogelijkheid om zich degelijk te kunnen voorbereiden op de zitting en om op een normale wijze te kunnen reageren op stukken. Op grond van de goede procesorde verklaart de rechtbank dit stuk dan ook tardief en aanleiding voor aanhouding ziet de rechtbank evenmin.
3.8.
De heffingsambtenaar heeft voorts verzuimd een verweerschrift in te dienen en de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. Dat levert een schending van artikel 8:42 van Pro de Awb op en op grond van 8:31 van de Awb kan de rechtbank daar gevolgen aan verbinden, wat ook zal gebeuren. De rechtbank ziet geen aanleiding om nog een termijn aan de heffingsambtenaar te verstrekken omdat het verzoek sinds januari 2025 met herhaling en nieuwe termijnen ruimschoots voldoende is geweest.
3.9.
De rechtbank stelt vast dat het voor de rechtbank niet mogelijk is om de zaak op een juiste wijze inhoudelijk te beoordelen nu het dossier in verregaande mate incompleet is. Daarnaast heeft de heffingsambtenaar zich desgevraagd niet verweerd en is niet ter zitting verschenen. De gevolgtrekking die de rechtbank, gelet op al deze feiten en omstandigheden geraden voorkomt, is om de WOZ-waarde te verminderen zoals belanghebbende heeft betoogd. [2]
3.10.
Belanghebbende heeft een waarde van € 432.000 voorgesteld. De rechtbank zal de waarde van de woning gelet op het hiervoor overwogene verminderen tot € 432.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderen.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de bij beschikking vastgestelde waarde moet worden verminderd tot € 432.000. De aanslag OZB moet dienovereenkomstig worden verminderd.
4.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Voor een vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding omdat gesteld noch gebleken is van voor vergoeding in aanmerking komende kosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de bij beschikking vastgestelde waarde van de woning tot een bedrag van € 432.000;
- vermindert de aanslag OZB dienovereenkomstig;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F. de Jong, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 8:38 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Ingevolge artikel 8:31 van Pro de Awb.