ECLI:NL:RBZWB:2026:5509

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
11543488 \ CV EXPL 25-495 (E)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van der Lende-Mulder Smit
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering afgifte trouwring en verdeling zorg- en huurtoeslag schulden

In deze civiele bodemzaak heeft de kantonrechter Zeeland-West-Brabant op 10 juni 2026 uitspraak gedaan over een geschil tussen een vrouw en een man omtrent een trouwring en schulden aan de Belastingdienst.

De vrouw vorderde de afgifte van een trouwring die zij aan de man had geschonken. De man werd door de kantonrechter opgedragen te bewijzen dat hij de ring had verkocht. De man overlegde een inkoopformulier van 30 november 2024 waaruit bleek dat hij een ring als sloopgoud had verkocht voor € 845,-. Ondanks het ontbreken van een specifieke omschrijving van de ring in het formulier, achtte de kantonrechter dit bewijs voldoende. Een WhatsApp-bericht van de man over het teruggeven van de ring werd niet meegenomen vanwege onduidelijkheid over de datum.

De kantonrechter wees daarom de vordering tot afgifte van de trouwring af, omdat de man niet langer over de ring beschikt. Daarnaast werd geoordeeld dat de schulden aan de Belastingdienst wegens teveel ontvangen zorg- en huurtoeslag tot de beperkte gemeenschap behoren en dat partijen ieder voor de helft aansprakelijk zijn. De man werd veroordeeld tot betaling van € 1.600,- aan de vrouw, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 4 februari 2025. Tot slot werden de proceskosten gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De vordering tot afgifte van de trouwring wordt afgewezen, schulden aan de Belastingdienst worden gelijk verdeeld en de man wordt veroordeeld tot betaling van € 1.600,- plus rente.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 11543488 \ CV EXPL 25-495
Vonnis van 10 juni 2026
in de zaak van
[eisende partij],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de vrouw,
gemachtigde: mr. H. Durdu,
tegen
[gedaagde partij],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de man,
gemachtigde: mr. J.C. van den Doel.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 10 december 2025 en de daarin genoemde stukken,
- de akte overlegging bewijsstukken van de man, met productie 3,
- de antwoordakte van de vrouw, met bijlage.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 10 december 2025 de man opgedragen te bewijzen dat hij de aan hem geschonken trouwring heeft verkocht.
2.2.
De man heeft als bewijs een inkoopformulier van 30 november 2024 overgelegd, waarin staat dat de man een ring voor € 845,- heeft verkocht als zijnde sloopgoud.
2.3.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de man hiermee bewezen dat hij de onderhavige trouwring heeft verkocht, ondanks dat in het inkoopformulier geen omschrijving van de ring staat. Hoewel bij de antwoordakte nog een afschrift is overgelegd van een Whatsapp-bericht waarin staat dat de man “als hij in de buurt is de ring en een sleutel door de bus zal gooien”, blijkt uit het afschrift niet op welke datum dit is verstuurd en of dit dus is verstuurd voor of na de verkoop van de ring. De kantonrechter zal daarom aan de inhoud van dit bericht voorbij gaan.
2.4.
Het voornoemde houdt in dat de gevorderde afgifte van de trouwring zal worden afgewezen, nu de man niet langer over de ring beschikt.
2.5.
Gelet op de voormalige relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
verklaart voor recht dat de schulden aan de Belastingdienst wegens teveel ontvangen zorg- en huurtoeslag tot de beperkte gemeenschap behoren, dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor deze schulden en dat ieder het eigen deel van die schulden zelf aan de Belastingdienst betaalt,
3.2.
veroordeelt de man tot het betalen van € 1.600,- aan de vrouw, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 4 februari 2025 tot aan het moment van volledige voldoening,
3.3.
verklaart de veroordeling onder 3.2 uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Lende-Mulder Smit, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.