AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling poging wederrechtelijke vrijheidsberoving, bedreiging en diefstal met geweld
Op 27 november 2025 probeerden verdachte en anderen [slachtoffer 1] wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven door hem met geweld en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te bedreigen en te dwingen in een auto te stappen. Tijdens deze poging werd ook de telefoon van [slachtoffer 1] met geweld weggenomen. Daarnaast bedreigde verdachte samen met anderen een omstander, [slachtoffer 2], met hetzelfde vuurwapenachtige voorwerp.
De rechtbank baseerde haar oordeel op verklaringen van slachtoffers en getuigen, telefoongegevens, tapgesprekken en het aantreffen van de weggenomen telefoon bij een medeverdachte. Verdachte was voorafgaand aan het incident al in conflict met [slachtoffer 1] en had meerdere pogingen gedaan om contact te leggen. De verdediging voerde onvoldoende bewijs aan voor vrijspraak, wat door de rechtbank werd verworpen.
De rechtbank achtte verdachte strafbaar voor medeplegen van poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld en bedreiging. Bij de strafoplegging werd rekening gehouden met de ernst van de feiten, het gebruik van een vuurwapenachtig voorwerp, het recidiverisico en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder ADHD en een persoonlijkheidsstoornis. Verdachte kreeg een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van voorarrest en een vrijheidsbeperkende maatregel van vijf jaar opgelegd, bestaande uit een contactverbod en een gebiedsverbod.
De rechtbank wees een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere taakstraf af vanwege het behoud van een locatieverbod. Tevens werden inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd verklaard. Het vonnis werd uitgesproken op 22 juni 2026 door de meervoudige kamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf en vijf jaar vrijheidsbeperkende maatregel wegens medeplegen poging wederrechtelijke vrijheidsberoving, bedreiging en diefstal met geweld.
Uitspraak
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-323329-25
Parketnummer TUL: 02-219362-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 22 juni 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1998,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]
,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd
in de Penitentiaire Inrichting te [plaats 1] ,
raadsman mr. J. van Rooijen, advocaat te Tilburg.
1.Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 juni 2026, waarbij de officier van justitie mr. J.J. Peerboom en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.
2.De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: samen met anderen geprobeerd heeft om [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) van zijn vrijheid te beroven;
feit 2: samen met anderen die [slachtoffer 1] van zijn telefoon beroofd heeft;
feit 3: samen met een of meer anderen [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft bedreigd.
3.De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4.De beoordeling van het bewijs
4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging om [slachtoffer 1] van zijn vrijheid te beroven (feit 1) en aan het medeplegen van een diefstal van zijn telefoon met geweld en met bedreiging van geweld (feit 2).
Ten aanzien van de bedreiging van [slachtoffer 2] , zoals onder feit 3 ten laste gelegd, vordert de officier van justitie vrijspraak, nu er geen direct bewijs naar verdachte en [medeverdachte 1] wijst. Ook is niet duidelijk of vooraf afspraken zijn gemaakt over het afdreigen van mogelijke getuigen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat verdachte van de feiten 1 en 2 moet worden vrijgesproken, omdat hier niet voldoende wettig en overtuigend bewijs voor aanwezig is. Niets plaatst verdachte op het moment van het ten laste gelegde onomstotelijk op de plaats delict. Als hij daar al wel was, dan staat nog niet vast of hij feitelijke handelingen heeft verricht die vallen onder de tenlastelegging en of die handelingen medeplegen opleveren.
De verdediging is met de officier van justitie van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder feit 3 ten laste gelegde bedreiging van [slachtoffer 2] . Niet vastgesteld kan worden door wie [slachtoffer 2] bedreigd is met een vuurwapen. Ook kan het medeplegen niet vastgesteld worden.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Aangifte [slachtoffer 1]
Op grond van het dossier stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 1] op 27 november 2025 iets na 20:00 uur in de avond in de [straat] in [plaats 2] liep. Hij heeft verklaard in zijn aangifte dat hij hoorde dat iemand van achteren op hem af kwam rennen. [slachtoffer 1] zag dat ook en rende weg. Daarna zag hij een vuurwapen in een hand van die persoon die op hem af kwam. Deze persoon zei “Blijven staan anders ga ik schieten”. Vervolgens kwam er een auto aangereden waar een andere man uit sprong. [slachtoffer 1] heeft verder verklaard dat er een worsteling tussen hem en de twee mannen ontstond. In die worsteling is [slachtoffer 1] op de grond gaan zitten, zodat de mannen hem niet mee konden krijgen in de auto, zoals hij zelf verklaard heeft. Meerdere keren zeiden de mannen “Ga de auto in”. [slachtoffer 1] is meerdere keren geslagen en getrapt in zijn gezicht. Tijdens het gebeuren had [slachtoffer 1] zijn telefoon in zijn hand en is deze door de mannen op enig moment meegenomen. Uiteindelijk zijn de mannen weggereden in een Opel Corsa.
Aangifte [slachtoffer 2]
was op het moment van het gebeuren ter plaatse zijn hond aan het uitlaten. Hij heeft verklaard dat hij zag dat een persoon werd bedreigd en dat geprobeerd werd hem te ontvoeren. Zijn verklaring houdt in dat twee mannen uit een auto stapten, op een andere man afliepen en tegen deze man meerdere keren “Meekomen” zeiden. Eerst werd dit rustig gezegd en later werd de stem verheven en werd de toon dwingender. [slachtoffer 2] zag dat de man wegrende, dat de twee mannen hem te pakken kregen en hem meenamen naar de auto en dat hij door de twee mannen telkens aan zijn kleding werd getrokken. Voor [slachtoffer 2] was duidelijk dat de man mee moest richting het voertuig. Hij hoorde de man roepen “bel 112”. Hij zag ook dat een andere man met een hond wilde ingrijpen, maar werd weggestuurd door één van de twee mannen. De man die mee moest naar de auto, lag vervolgens op de grond, waarna [slachtoffer 2] besloot om die man te gaan helpen. Hij kreeg vervolgens op een afstand van ongeveer één meter een vuurwapen op zijn borst gericht. De persoon met het vuurwapen zei daarbij “achteruit” of “terug” of woorden van gelijke strekking.
[slachtoffer 2] zag dat de twee mannen door gingen met de man en hem richting het voertuig wilden hebben. Het lukte ze ook om hem bij het voertuig te krijgen. Op dat moment kwam er een man op de fiets, waarna het voertuig met de twee mannen wegreed. Toen de mannen weg waren, was de persoon op zoek naar zijn telefoon.
[slachtoffer 2] sprak nog met de man en hij kreeg daarbij het gevoel dat hij de mannen kende. Vervolgens kwam een vriend van de man en deze zei tegen de man dat hij gebeld had naar de telefoon van de man en dat hij een van de mannen gesproken had.
Verklaringen getuigen
[getuige 1] werd tijdens het gebeuren door [slachtoffer 1] gebeld en hoorde gestommel en gebonk, waardoor hij dacht dat iemand in elkaar werd geslagen. Hij hoorde de stem van [slachtoffer 1] meermaals “Help! Help!” roepen. Ook hoorde [getuige 1] dat [slachtoffer 1] de naam “ [verdachte] ” zei. [getuige 1] moest meteen aan [verdachte] denken en hij heeft verklaard dat hij weet dat [slachtoffer 1] in het verleden een conflict met [verdachte] heeft gehad.
[getuige 2] liet tijdens het gebeuren zijn hond uit en zag drie personen rennen. Twee van hen pakten de derde vast bij zijn capuchon en trokken hem mee richting een Opel Corsa. Volgens de getuige wilden de personen de derde persoon het voertuig in trekken. [getuige 2] pakte deze derde persoon vast, waarna één van die twee andere personen tegen hem zei dat hij “moest op tyfen”. In totaal waren het drie personen die bij de auto hoorden. De bestuurder riep “laat maar”, waarna de twee personen in het voertuig stapten en zij weg reden.
[getuige 2] bleef bij de persoon die kennelijk het doelwit was en hoorde deze zeggen dat hij één van die drie jongens vermoedelijk kende.
Tussenconclusie
Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat door een aantal personen geprobeerd is om [slachtoffer 1] wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, door te proberen om die [slachtoffer 1] in een auto te trekken en ook is hij geslagen en getrapt, waarbij aan hem een op een vuurwapen gelijkend voorwerp is getoond. Daarbij zijn dreigende woorden geuit. Verder wordt vastgesteld dat tijdens deze handelingen op enig moment de telefoon van [slachtoffer 1] is weggenomen.
Ten slotte wordt vastgesteld dat [slachtoffer 2] door een van de daders is bedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.
De vraag die beantwoord moet worden is of verdachte bij deze feiten betrokken is geweest.
Telefoongegevens
Op 27 november 2025 hebben verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] telefonisch contact gehad met [moeder] , de moeder van [slachtoffer 1] . In dat gesprek gaf zij aan dat [slachtoffer 1] thuis was gekomen en verteld had dat hij bijna ontvoerd was. Ook gaf zij aan dat [slachtoffer 1] mogelijk meer wist over het gebeuren en dat het ging om een langlopend conflict. Zowel zij als [slachtoffer 1] wilden echter geen namen noemen in verband met vrees voor represailles. Een dag later werd weer contact opgenomen met de moeder van [slachtoffer 1] , waarna zij benadrukte dat [slachtoffer 1] meer wist. De verbalisanten relateren vervolgens dat uit onderzoek in de politiesystemen bleek dat [slachtoffer 1] en verdachte beide betrokken waren bij een overval in een woning op 18 september 2020.
Omdat de telefoon van [slachtoffer 1] was weggenomen, was besloten om een tap te plaatsen op zijn telefoonnummer. Op 28 november 2025 kwam er een livegesprek binnen tussen [slachtoffer 1] , die een nieuwe simkaart met nummerbehoud had aangeschaft, en zijn moeder. Dit gesprek ging over het gebeuren op 27 november 2025 en in dat gesprek werden meerdere namen genoemd, waaronder de naam “ [verdachte] ”, zijnde de voornaam van verdachte [verdachte] .
In het tapgesprek tussen [slachtoffer 1] en zijn moeder zegt zij “ik ben benieuwd of die vier omstanders [verdachte] kunnen identificeren”. In dat gesprek wordt ook gezegd:
“Moeder:Want toen waren ze jou de auto in aan het sleuren of zo? Of?
[slachtoffer 1] :Ze waren mij aan het trekken. Ik ging gewoon euh ja, gewoon niet mee, zeg maar.
Moeder:Ja. En was [verdachte] dan alleen? Jou erin aan het trekken?
[slachtoffer 1] :Hij was aan het proberen. Maar het lukte hem niet. Toen kwam die lange enne, maar die haakte af toen die omstanders erbij kwamen.”
Uit het gesprek wordt ook duidelijk dat “ [verdachte] ” de moeder van [slachtoffer 1] in de avond van 27 november 2025 gebeld heeft. Uit onderzoek aan de telefoon van de moeder van [slachtoffer 1] blijkt dat zij op 27 november 2025 om 23:30 uur een inkomend gesprek had van “ [verdachte] ”. Aan dit contact was het [telefoonnummer 1] gekoppeld. In de politiesystemen werd gezien dat dit nummer aan [verdachte] gekoppeld was.
Verdachte is op 30 november 2025 aangehouden. Hij heeft dan een Apple Iphone SE met [telefoonnummer 2] in zijn bezit. Ook heeft hij een Soyes XS15 in zijn bezit. Uit onderzoek aan de Iphone SE blijkt dat verdachte [verdachte] in de dagen en weken voorafgaand aan het gebeuren op 27 november 2025 veelvuldig chatgesprekken heeft over [slachtoffer 1] . Ook heeft verdachte contact met [medeverdachte 2] waarin een afbeelding van het voertuig van [slachtoffer 1] wordt gedeeld en wordt gesproken over het volgen en “kantelen” van [slachtoffer 1] . In de telefoon van verdachte worden ook gesprekken aangetroffen tussen verdachte en ‘ [naam 1] ’ en tussen verdachte [getuige 1] . Verdachte probeert ‘ [naam 1] ’ te bewegen om [slachtoffer 1] naar een locatie te lokken en via [getuige 1] probeert verdachte een afspraak te regelen met [slachtoffer 1] , hetgeen beide niet is gelukt. Verdachte was dus kennelijk al langer bezig om een ontmoeting met [slachtoffer 1] te regelen.
Verder heeft verdachte op 30 november 2025 contact met [medeverdachte 1] over “hosseltelefoons”, die waarschijnlijk bij [slachtoffer 1] zijn afgepakt. In dat contact stuurt verdachte ook een foto van telefoonhoesjes. Door de verbalisant wordt gerelateerd dat een van deze hoesjes sterk lijkt op het hoesje van de weggenomen telefoon zoals omschreven door [slachtoffer 1] .
Op 29 november 2025 stuurt verdachte twee berichten naar de moeder van [slachtoffer 1] , inhoudende dat [slachtoffer 1] binnen 24 uur contact moet opnemen.
Ook op 29 november 2025 heeft verdachte via Snapchat contact met [getuige 1] en geeft hem aan “Geef [slachtoffer 1] door dat die binnen 24 uur contact moet op nemen anders ziet die na die 24 uur hoe of wat”.
Ook de andere telefoon (Soyes XS15) van verdachte is onderzocht en daarop werd aangetroffen een Whatsapp-bericht van 29 november 2025 aan de moeder van [slachtoffer 1] met als inhoud: “Afspraken worden vanuit [slachtoffer 1] niet na gekomen nu”.
[medeverdachte 1]
Op 1 december 2025 komt over de tap, afgesloten op het nummer van [slachtoffer 1] , een gesprek tussen hem en zijn moeder binnen. Zijn moeder geeft aan zij gebeld is door een persoon, die gezegd heeft dat [slachtoffer 1] zijn aangifte moet intrekken, anders trekken ze hem vanavond nog in de kofferbak. De moeder van [slachtoffer 1] licht de politie daarover in. Uit onderzoek blijkt vervolgens dat zij om 16:37 uur gebeld is door het [telefoonnummer 3] . In de politiesystemen is te zien dat dit nummer gekoppeld is aan [medeverdachte 1] . Ook blijkt dat dit nummer in de telefoon van verdachte (Iphone SE) opgeslagen staat onder de [naam 2] . Besloten wordt om op dit nummer ook een tap te plaatsen. Op 3 december 2025 komt er een gesprek tussen [medeverdachte 1] en zijn vriendin over de lijn. Hij geeft aan dat zijn vriend een dag later zal worden voorgeleid en vraagt of zij een tasje kan bewaren met als inhoud twee of drie telefoons, 8 kogels, een magazijn en een wapen. Door de verbalisant wordt gerelateerd dat verdachte op 4 december 2025 werd voorgeleid.
Op 4 december 2025 wordt [medeverdachte 1] aangehouden en bij zijn aanhouding wordt op zijn bed een tasje aangetroffen met daarin drie telefoons en een scherp schietend vuurwapen met een patroonhouder en zeven kogels. Eén van die telefoons is de weggenomen telefoon van [slachtoffer 1] .
Uit de telefoongegevens blijkt dat de telefoon van [medeverdachte 1] rond het tijdstip van de ten laste gelegde feiten zich in de directe omgeving van de plaats delict bevindt.
Conclusie
Op grond van vorengenoemde feiten en omstandigheden staat voor de rechtbank vast dat verdachte voorafgaand aan de gebeurtenissen op 27 november 2025 op zoek was naar [slachtoffer 1] . Niet duidelijk is geworden wat er speelde tussen verdachte en [slachtoffer 1] , maar uit het hiervoor omschreven telefonisch verkeer blijkt wel dat er een conflict was. Kort na de gebeurtenissen vindt er contact plaats tussen verdachte en de moeder van [slachtoffer 1] . Uit de telefoongegevens blijkt dat de naam “ [verdachte] ” genoemd wordt als één van de daders van de poging tot ontvoering en deze naam werd ook al genoemd door [getuige 1] . In de dagen na het gebeuren blijkt uit contact tussen verdachte en [medeverdachte 1] dat gesproken wordt over weggenomen telefoons. Een weggenomen telefoon van [slachtoffer 1] wordt vervolgens enkele dagen na het gebeuren in het bezit van [medeverdachte 1] aangetroffen. De telefoon van [medeverdachte 1] is ten tijde van het gebeuren te plaatsen in de buurt van de plaats delict.
Juist door bovenstaande in onderling verband en samenhang te bezien, kan het niet anders dan dat verdachte en [medeverdachte 1] op de plaats delict waren en dat zij diegenen zijn geweest die [slachtoffer 1] probeerden te ontvoeren, hem hebben geslagen en getrapt, een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op hem hebben gericht en tijdens deze handelingen zijn telefoon hebben weggenomen.
Het verweer ten aanzien van de feiten 1 en 2 wordt op grond van de in het voorgaande opgenomen feiten en omstandigheden verworpen. Verdachte heeft geen aannemelijk en voldoende concreet alternatief scenario geschetst dat vorenstaande feiten kan verklaren. Anders dan de verdediging meent, sluiten de zendmastgegevens van de telefoon van verdachte niet uit dat hij ten tijde van het gebeuren op de plaats delict aanwezig was.
De rechtbank acht de feiten 1 en 2 dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van feit 3 is eveneens verweer gevoerd. De rechtbank verwerpt ook dit verweer.
Naar het oordeel van de rechtbank vindt de aangifte van [slachtoffer 2] wel degelijk voldoende steun in de overige bewijsmiddelen. [slachtoffer 1] verklaart immers ook over de aanwezigheid van een vuurwapen. Dat [slachtoffer 1] en de [getuige 2] niet over deze bedreiging hebben verklaard, maakt dat niet anders. De bewijsminimumregel van artikel 342 lid 2 SvPro heeft immers betrekking op de bewezenverklaring als geheel en niet op ieder onderdeel daarvan.
Zowel verdachte als [medeverdachte 1] waren op de plaats delict zoals de rechtbank hiervoor al heeft geoordeeld en hebben zich schuldig gemaakt aan de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Daarbij is gebruik gemaakt van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Uit het dossier wordt duidelijk dat géén van hen zich op enig wijze onttrokken heeft aan die feiten. Als op voorhand al niet duidelijk was dat een vuurwapen of iets dat daarop lijkt gebruikt zou worden, dan hebben zij, door zich niet te onttrekken nadat het op een vuurwapen gelijkend voorwerp werd getoond aan [slachtoffer 1] , stilzwijgend ingestemd met het gebruiken daarvan. Nergens volgt uit dat het tonen van het op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan [slachtoffer 1] niet zichtbaar is geweest voor degene die dit wapen niet vast had. Die handelingen zijn bovendien verricht op de openbare weg, in een woonwijk en op een tijdstip waarop geheel voorstelbaar is dat er omstanders kunnen zijn, hetgeen ook feitelijk zo was. De bedreiging van [slachtoffer 2] stond niet los van deze handelingen, maar vond plaats in het kader van de uitvoering van de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving en diefstal van de telefoon.
De rechtbank leidt hieruit af dat er een gezamenlijk plan was om [slachtoffer 1] onder dreiging van iets dat op een vuurwapen lijkt op straat van zijn vrijheid te beroven en dat verdachte als onderdeel van dat gezamenlijk plan heeft aanvaard dat in het geval omstanders te hulp zouden schieten, deze omstanders bedreigd zouden worden met datzelfde op een vuurwapen gelijkende voorwerp. Ook feit 3 is dan ook wettig en overtuigend bewezen, ook voor wat betreft het medeplegen.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 27 november 2025 te [plaats 2] , gemeente Tilburg,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven,
een op een vuurwapen gelijkend voorwerp
heeft getoond en
die [slachtoffer 1] de woorden heeft toegevoegd: “blijven staan anders ga ik
schieten”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en
meermalen, getracht die [slachtoffer 1] in een auto te
trekken en/of te duwen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
op 27 november 2025 te [plaats 2] , gemeente Tilburg,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
op de openbare weg, te weten de [straat] , een telefoon, die aan [slachtoffer 1]
, toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om
het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd
voorafgegaan of vergezeld of gevolgd van geweld en bedreiging met
geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die
diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping
op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij
de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te
verzekeren, door
een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te
tonen en die [slachtoffer 1] de woorden toe te voegen: “blijven staan
anders ga ik schieten”, en die [slachtoffer 1] meermalen, in het gezicht te slaan
en te trappen;
3
op 27 november 2025 te [plaats 2] , gemeente Tilburg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
[slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,
door die [slachtoffer 2] een op een vuurwapen
gelijkend voorwerp te tonen en daarbij dreigend de woorden toe te
voegen "achteruit en/of terug", althans woorden van gelijke
dreigende aard of strekking;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5.De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn/haar strafbaarheid uitsluit.
6.De strafoplegging
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest. Daarnaast vordert de officier van justitie een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) voor een periode van vijf jaar, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer 1] en zijn moeder en een locatieverbod voor de [plaats 2] , met de bepaling dat bij iedere overtreding van deze maatregel twee weken vervangende hechtenis wordt toegepast, met een maximum van zes maanden. De officier van justitie vordert dat de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
Bij een bewezenverklaring wordt opgemerkt dat het hele gebeuren van korte duur was, dat uit het dossier blijkt dat het gebeuren weinig indruk op [slachtoffer 1] heeft gemaakt en dat er sprake was van beperkt letsel. Rekening moet worden gehouden met het gegeven dat verdachte ADHD en een stoornis heeft, waarbij ook zijn intelligentieniveau meegenomen moet worden. De eis van de officier van justitie is met het oog daarop buitensporig. Voorgesteld wordt om een onvoorwaardelijk gevangenisstraf op te leggen, die gelijk is aan het voorarrest. Daarnaast kan een voorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden worden opgelegd met een proeftijd van drie jaar.
Een oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr is disproportioneel en in strijd met artikel 8 vanPro het EVRM. Mocht de maatregel toch worden opgelegd, dan zou deze niet dadelijk uitvoerbaar moeten zijn. Dit is een schending van de onschuldspresumptie.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.
Verdachte heeft zich samen met een of meer andere personen schuldig gemaakt aan een poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer 1] op de openbare weg. Daarbij is gebruikgemaakt van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Door ingrijpen van omstanders is het bij een poging gebleven. Dergelijke feiten kunnen niet alleen bij een slachtoffer grote angst veroorzaken, maar dragen ook bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Daarnaast heeft verdachte zich samen met een of meer andere personen schuldig gemaakt aan de bedreiging van een omstander die wilde ingrijpen ten behoeve van [slachtoffer 1] . Ook daarbij is gebruikgemaakt van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Door een behulpzame omstander op deze wijze te intimideren heeft verdachte laten zien geen enkel respect te hebben voor de veiligheid en integriteit van anderen.
Verder heeft verdachte zich gedurende deze gebeurtenissen schuldig gemaakt aan diefstal met geweld van de telefoon van [slachtoffer 1] , gepleegd in vereniging. Het geweld is toegepast in een situatie waarin [slachtoffer 1] reeds in een kwetsbare positie verkeerde als gevolg van de poging hem van zijn vrijheid te beroven.
Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank het strafblad van verdachte betrokken. Uit het strafblad van verdachte blijkt dat sprake is van relevante recidive. Eerdere veroordelingen en interventies hebben hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw ernstige strafbare feiten te plegen.
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank ook kennisgenomen van het omtrent verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport. Daaruit komt naar voren dat bij verdachte sprake is van ADHD, een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline kenmerken en een beneden gemiddeld intelligentieniveau.
De rechtbank heeft deze omstandigheden betrokken bij haar oordeel over de persoon van verdachte.
Uit het rapport blijkt echter ook dat verdachte gedurende langere tijd niet ontvankelijk is geweest voor begeleiding en gedragsinterventies. Ook niet na een eerder opgelegde ISD-maatregel. Volgens de reclassering houdt verdachte zijn problemen daardoor in stand en blijft hij keuzes maken die leiden tot nieuwe strafbare feiten. Verdachte laat zich niet sturen door hulpverlening in een vrijwillig of een gedwongen kader. Ook toont hij volgens de reclassering geen intrinsieke motivatie tot gedragsverandering. De reclassering schat het risico op recidive als hoog in.
Deze bevindingen sluiten aan bij het beeld dat verdachte ter terechtzitting heeft laten zien. Verdachte heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen, heeft geen inzicht getoond in de ernst van zijn gedrag en heeft geen blijk gegeven van enige wroeging of medeleven met de slachtoffers, waaronder een onschuldige omstander.
Bij de straftoemeting heeft de rechtbank acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS. Hoewel voor de bewezenverklaarde combinatie van feiten geen specifiek oriëntatiepunt bestaat, bieden de oriëntatiepunten voor geweldsdelicten en straatroof een bruikbaar referentiekader. De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee het optreden in vereniging en het gebruik van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op de openbare weg. De rechtbank rekent het verdachte verder zwaar aan dat hij binnen het feitencomplex een sturende rol heeft vervuld ten opzichte van zijn mededader.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Zij acht een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 vanPro het Wetboek van Strafvordering.
Maatregel ex artikel 38v Sr
De rechtbank ziet daarnaast aanleiding een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, inhoudende:
een contactverbod met het [slachtoffer 1] en zijn [moeder] ;
een gebiedsverbod voor de [plaats 2] in de gemeente Tilburg.
De rechtbank neemt daarbij in aanmerking de aard van de bewezenverklaarde feiten, het door de reclassering hoog ingeschatte recidiverisico en de omstandigheid dat eerdere interventies en begeleidingstrajecten niet hebben geleid tot een vermindering van het risico op nieuw strafbaar gedrag. Ook is verdachte gedurende een langere tijd en op verschillende manieren op zoek geweest naar [slachtoffer 1] . De maatregel strekt ertoe de veiligheid van de betrokken personen, in dit geval [slachtoffer 1] en zijn moeder, te beschermen en hernieuwde confrontaties te voorkomen. De rechtbank acht deze maatregel noodzakelijk ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten.
Nu aan de bewezenverklaarde feiten kennelijk een (onopgelost) conflict tussen verdachte en [slachtoffer 1] ten grondslag lag en uit het strafdossier blijkt dat betrokkenen vrezen voor repercussies van de zijde van verdachte, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens genoemde personen. De rechtbank beveelt daarom dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is en zal de maatregel opleggen voor de duur van vijf jaar.
7.Het beslag
7.1.
De verbeurdverklaring
De inbeslaggenomen voorwerpen worden verbeurd verklaard. De voorwerpen zijn hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraf verbeurdverklaring op te leggen, omdat de voorwerpen aan verdachte toebehoren en de onder 1 en 2
bewezen feiten met behulp van deze voorwerpen zijn begaan of voorbereid.
8.De vordering tenuitvoerlegging
De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke taakstraf van 20 uren die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter te Breda van 8 oktober 2025 ten uitvoer zal worden gelegd. Ter zitting heeft de officier van justitie verzocht deze vordering af te wijzen, nu bij een tenuitvoerlegging het bij dat vonnis als bijzondere voorwaarde opgelegde locatieverbod zou komen te vervallen.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank zal hiertoe niet besluiten, omdat het bij het vonnis van de politierechter als bijzondere voorwaarde opgelegde locatieverbod bij een tenuitvoerlegging zal komen te vervallen. De rechtbank acht dit niet wenselijk en zal de vordering afwijzen.
9.De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 38v, 38w, 45, 47, 55, 282, 285 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10.Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:medeplegen van poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving;
in eendaadse samenloop gepleegd met:
feit 2:diefstal, voorafgegaan of vergezeld of gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen en een persoon, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
en in eendaadse samenloop gepleegd met:
feit 3:medeplegen van bedreiging;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Maatregel
- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van 5 (vijf) jaar op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
- [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag 2] 1999;
- [moeder] , geboren op [geboortedag 3] 1970;
- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 (twee) weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 (zes) maanden;
- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;
- beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich belastend zal gedragen jegens genoemde personen;
- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van 5 (vijf) jaar zich niet zal ophouden in [plaats 2] , gemeente Tilburg;
- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 (twee) weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van 6 (zes) maanden;
- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft.
- beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich belastend zal gedragen jegens genoemde personen;