ECLI:NL:RBZWB:2026:5495

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
C/02/447499 / JE RK 26-711
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van twee minderjarigen wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2], vanwege zorgen over hun sociaal-emotionele ontwikkeling en fors schoolverzuim. De minderjarigen wonen bij hun moeder, terwijl de ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag hebben. De vader heeft sinds enkele maanden geen contact meer met de kinderen en wil zich terugtrekken uit hun leven.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, werden de minderjarigen gehoord. Beiden gaven aan dat het goed met hen gaat, hoewel zij verschillend stonden tegenover de ondertoezichtstelling. De moeder stond positief tegenover extra begeleiding, terwijl de vader aangaf het proces zwaar te vinden en zich te willen richten op zijn herstel.

De kinderrechter concludeerde dat er sprake is van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarigen, mede door de problematiek binnen het gezin, het ontbreken van contact met de vader en de psychische klachten van [minderjarige 1]. Ondanks inzet van hulpverlening is er nog geen blijvende verbetering. Daarom werd het verzoek van de Raad toegewezen en werden de minderjarigen onder toezicht gesteld voor respectievelijk een jaar en tot meerderjarigheid.

De kinderrechter gaf de GI de opdracht regie te voeren en doelen te bewaken zoals passend onderwijs, contact met ouders en een stabiele opvoedingssituatie. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De kinderrechter wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling toe en stelt de minderjarigen onder toezicht voor respectievelijk een jaar en tot meerderjarigheid.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/447499 / JE RK 26-711
Datum uitspraak: 22 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [wonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [wonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING &JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 21 april 2026, ontvangen op 21 april 2026;
  • de door de vader ter zitting overgelegde brief.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder bijgestaan door een tolk Arabisch Marokkaans;
  • een vertegenwoordiger van de Raad;
  • een vertegenwoordiger van de GI (
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Het huwelijk van de ouders is door echtscheiding ontbonden.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en [minderjarige 1] tot aan haar meerderjarigheid.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek. De Raad maakt zich zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarigen. Zowel bij [minderjarige 1] als bij [minderjarige 2] is jarenlang sprake geweest van fors schoolverzuim. Beide minderjarigen hebben zorgelijk en zelfbepalend gedrag laten zien en de Raad maakt zich zorgen over de depressieve klachten bij [minderjarige 1] . Ook zijn er zorgen over de opvoedvaardigheden van de ouders, het ontbreken van het contact tussen de minderjarigen en de vader, het ontbreken van contact tussen de ouders en de opvoedsituatie bij de moeder thuis. In de afgelopen periode is er verschillende hulpverlening ingezet. De Raad ziet dat er sprake is van een positieve ontwikkeling, maar deze is nog pril. Het is belangrijk dat deze positieve ontwikkeling blijft voortduren, zodat de minderjarigen opgroeien en zich kunnen ontwikkelen tot evenwichtige volwassenen. Het vrijwillig kader is ontoereikend, aangezien er ondanks de inzet van verschillende hulpverlening nog geen blijvende en constructieve verandering is waargenomen.
4.2.
De moeder voert geen verweer tegen het verzoek van de Raad. Zij staat open voor hulp en vindt het fijn dat zij extra begeleiding krijgt. Zij wil het beste voor haar kinderen en wil graag dat het goed met hen blijft gaan.
4.3.
De vader heeft middels een brief zijn standpunt naar voren gebracht. In de brief staat beschreven dat hij het als erg zwaar ervaart om telkens naar de rechtbank te moeten komen. Hij begrijpt dat het om zijn kinderen gaat en dat dit belangrijk is, maar de kinderen wonen bij de moeder. De vader heeft hen al een tijd lang niet gezien en wordt niet op de hoogte gehouden van belangrijke zaken die hen betreffen. Daarnaast is hij momenteel ziek en probeert hij zich te concentreren op zijn therapie en herstel. Hij wil dan ook niet langer betrokken zijn bij zaken rondom de kinderen. In aanvulling hierop heeft de vader aangegeven dat hij wel graag betrokken zou zijn in het leven van de kinderen, maar dat zij dit niet toelaten en niet naar hem luisteren. De kinderen zijn altijd welkom, maar de vader wil hen niet verplichten.
4.4.
De GI heeft – telefonisch – haar excuses gemaakt dat het niet is gelukt om fysiek bij de zitting aanwezig te zijn. Desgevraagd licht de GI toe dat het niet mogelijk is voor de jeugdreclasseerders, die reeds betrokken zijn bij het gezin, om ook de taak van jeugdbeschermer op zich te nemen. Tot slot verwacht de GI dat er binnen twee à drie weken een vaste jeugdbeschermer gekoppeld kan worden aan het gezin.
4.5.
In het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige 2] aangegeven dat het goed met hem gaat. Hij ziet in dat het belangrijk is om naar school te gaan en doet dit nu ook. Ook loopt hij stage en heeft hij het hier naar zijn zin. In het verleden deed hij niet zijn best om naar school te gaan, waardoor er een jeugdreclasseerder betrokken is geraakt. [minderjarige 2] heeft goed contact met de jeugdreclasseerder. [minderjarige 2] is voornemens om het derde leerjaar over te doen, en dan te starten met een entree opleiding. Thuis gaat het goed. Hij woont samen met zijn moeder en zijn zus en dit verloopt prettig. Met zijn vader heeft hij geen contact en dat vindt hij prima zo. Een ondertoezichtstelling vindt [minderjarige 2] niet nodig, maar hij vindt het ook niet erg mocht die er wel komen.
4.6.
[minderjarige 1] heeft in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat het goed met haar gaat. Zij zit goed in haar vel en ervaart de reeds ingezette hulpverlening als prettig. [zorginstelling] is actief betrokken en [minderjarige 1] ziet haar begeleider wekelijks. Ook is een jeugdreclasseerder betrokken en hier heeft zij onlangs een kennismakingsgesprek mee gehad. In de thuissituatie en op school gaat het goed. [minderjarige 1] heeft momenteel examens en is voornemens om na de zomervakantie een entree opleiding te volgen en stage te lopen. Voorheen vond zij het moeilijk om op tijd op te staan voor school, maar dit gaat nu beter. Met haar vader heeft zij geen contact. [minderjarige 1] vindt een ondertoezichtstelling niet nodig omdat zij al veel hulpverlening en begeleiding heeft. Zij vindt het niet fijn als er nog een hulpverlener bij komt. Na uitleg van de kinderrechter dat een jeugdbeschermer ook iemand is die haar ouders bijstaat, vindt zij het minder erg.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter wijst derhalve het verzoek van de Raad toe. Dit betekent dat [minderjarige 2] onder toezicht wordt gesteld voor de duur van een jaar en [minderjarige 1] tot aan haar meerderjarigheid. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Er zijn zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarigen. Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting volgt dat er bij zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 1] jarenlang sprake is geweest van fors schoolverzuim. Het is onvoldoende gelukt om de minderjarigen hiervoor te stimuleren en de minderjarigen hebben hiervoor beiden een jeugdreclasseringsmaatregel opgelegd gekregen. De minderjarigen laten zorgelijk en zelfbepalend gedrag zien, wat lijkt voort te komen uit problemen binnen het gezinssysteem. De ouders lijken de minderjarigen onvoldoende grenzen, kaders, duidelijkheid en structuur te geven. Ook zijn er zorgen over de psychische toestand van [minderjarige 1] , nu zij lijkt te kampen met depressieve gevoelens. Daarnaast is sprake van echtscheidingsproblematiek waardoor het de ouders niet lukt om contact met elkaar te hebben. De vader meent dat de moeder de verantwoordelijkheid heeft voor de minderjarigen nu zij bij de moeder wonen, terwijl de moeder juist het gevoel heeft dat zij er alleen voor staat en vindt dat de vader onvoldoende verantwoordelijkheid neemt. Ook hebben de vader en de minderjarigen sinds enkele maanden geen contact meer en lijkt de vader zich terug te willen trekken uit het leven van de minderjarigen, hetgeen de kinderrechter zorgen baart.
5.3.
De kinderrechter constateert dat er in de afgelopen periode verschillende hulpverlening in het vrijwillig kader is ingezet. Er is sprake van een lichte positieve verandering, echter is deze nog pril en is er (nog) geen blijvende constructieve verbetering zichtbaar waardoor de zorgen in stand blijven. Daar komt bij dat de situatie eerder ook verbeterd leek te zijn, maar dit heeft geen stand gehouden. Gelet op het voorgaande is het noodzakelijk dat de GI de regie krijgt om de stabiliteit, de veiligheid en de continuïteit van de (reeds ingezette) hulpverlening te waarborgen, teneinde de hierboven beschreven zorgen weg te nemen.
5.4.
De kinderrechter geeft de GI de opdracht mee om de volgende doelen voor ogen te houden:
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] volgen passend onderwijs en houden zich aan het rooster/de afspraken;
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen op een structurele en vooral onbelaste manier contact hebben met en een band onderhouden met beide ouders;
  • Ouders bieden [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een opvoedingsomgeving met de structuur, duidelijkheid, regels en grenzen en controle, die zij nodig hebben.
5.5.
De kinderrechter vindt het belangrijk dat er de komende periode aan de bovenstaande doelen wordt gewerkt om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] weg te nemen. Nu er nog veel stappen moeten worden gezet, zal de kinderrechter het verzoek toewijzen voor de volledige duur zoals verzocht. De kinderrechter geeft daarbij opdracht aan de GI om regie te voeren in het proces en de belangen van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te bewaken. De komende periode is het (naast de bovenstaande doelen) van belang dat er duidelijkheid komt over hoe de vader invulling wil geven aan zijn rol als vader en gezaghebbende ouder. Het ontbreekt de ouders aan communicatie en de ouders komen er onderling niet uit. Op dit moment is de situatie zo dat de vader gezag heeft, en dat de ouders samen de (belangrijke) beslissingen moeten nemen over de minderjarigen. De GI dient te onderzoeken of de communicatie en het vertrouwen tussen de ouders en tussen de vader en de minderjarigen hersteld kan worden, of dat de vader blijft bij zijn standpunt dat hij niet langer betrokken wil zijn bij zaken rondom de minderjarigen. Indien de vader geen gezag meer wil hebben, zal hij hiertoe juridische stappen moeten nemen.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 2] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering met ingang van 22 mei 2026 tot 22 mei 2027;
6.2.
stelt [minderjarige 1] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering met ingang van 22 mei 2026 tot 18 februari 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verplanke als griffier,
en op schrift gesteld op 4 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.