ECLI:NL:RBZWB:2026:5493

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
C/02/428477 FA RK 24-5183 en C/02/445870 FA RK 26-1246
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Haerkens-Wouters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 815 RvArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met vaststelling kinderalimentatie en verdeling schulden

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 5 juni 2026 uitspraak gedaan in een echtscheidingszaak tussen een man en een vrouw, gehuwd sinds 2017. De procedure betrof onder meer de vaststelling van kinderalimentatie en de verdeling van schulden die tijdens het huwelijk zijn ontstaan.

Partijen bereikten overeenstemming over het ouderschapsplan, met uitzondering van de kinderalimentatie. De rechtbank hanteerde de privé-onttrekkingen van de man uit zijn onderneming als uitgangspunt voor zijn inkomen, wat leidde tot een bruto winst van €50.655,50 per jaar. De vrouw werkt twaalf uur per week in de zorg en exploiteert daarnaast een eenmanszaak met een beperkte winst. De rechtbank achtte het redelijk om van de vrouw een hogere verdiencapaciteit uit te gaan dan zij momenteel benut.

De rechtbank berekende het netto besteedbaar gezinsinkomen en stelde de behoefte van de kinderen vast op €1.051 per maand. De man werd veroordeeld tot betaling van €200 per maand per kind aan kinderalimentatie. Daarnaast werd de verdeling van schulden aan de Voedsel- en Waren Autoriteit, de Belastingdienst en een bedrijf vastgesteld, waarbij de man voor een deel 100% draagplichtig is. De proceskosten worden door partijen zelf gedragen.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, kinderalimentatie vastgesteld op €200 per maand per kind en schulden verdeeld conform huwelijkse voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummers: C/02/428477 FA RK 24-5183 en C/02/445870 FA RK 26-1246
datum uitspraak: 5 juni 2026
beschikking betreffende echtscheiding met nevenvoorzieningen
in de zaak van
[de vrouw],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. W.H.P. de Jongh,
en
[de man],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. J.A. Scanlan.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 8 november 2024 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 27 januari 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen;
- het op 31 januari 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek met bijlagen;
- het op 18 augustus 2025 ontvangen aanvullend verzoek van de vrouw met bijlagen;
- de brieven van mr. De Jongh van 21 november 2024 met bijlage, 20 november 2025, 20 januari 2026 met als bijlage een door de vrouw ondertekend ouderschapsplan,
25 februari 2026 en 30 april 2026 tevens houdende aanvullend verzoek met bijlagen;
- de brieven van mr. Scanlan van 13 oktober 2025 tevens houdende aanvullend verzoek, 20 november 2025, 9 maart 2026 en 30 april 2026 met bijlagen;
- het op 8 april 2026 ingekomen rapport van de zorgaanbieder van 25 maart 2026;
- de beschikking voorlopige voorzieningen van deze rechtbank van 20 december 2024.
1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 11 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn gekomen partijen met hun advocaat.
1.3 De kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn, gelet op hun leeftijd, in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek
.Zij hebben daar geen gebruik van gemaakt.
2 De feiten
2.1 Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- zij zijn op [datum] 2017 in de gemeente Halderberge met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden;
- voorafgaand aan hun huwelijk zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 1] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2014,
2. [minderjarige 2] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2016;
- zij hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over een ouderschapsplan;
- zij hebben de Nederlandse nationaliteit;
- hun huwelijk is duurzaam ontwricht.

3.De verzoeken

De vrouw verzoekt, samengevat,
- echtscheiding;
- bepaling dat de kinderen hun hoofdverblijf zullen hebben bij haar;
- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor de kinderen van € 200,= per maand per kind;
- te bepalen dat de man draagplichtig is voor de schulden zoals genoemd in haar aanvullend verzoek van 18 augustus 2025;
- te bepalen dat de man het bedrag van € 1.735,87 aan haar moet voldoen binnen één maand na het wijzen van de beschikking;
- te bepalen dat de man het bedrag van € 13.834,= aan haar moet voldoen binnen één maand na het wijzen van de beschikking.
De man verzoekt, samengevat,
- echtscheiding;
- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;
- de draagplicht van de schulden te bepalen zoals in zijn aanvullend verzoek van
13 oktober 2025 verzocht.

4.De beoordeling

Echtscheiding
4.1
Beide partijen verzoeken de rechtbank de echtscheiding uit te spreken.
4.2
Op grond van de wet (artikel 815 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)) moet bij het verzoekschrift tot echtscheiding een door beide partijen ondertekend ouderschapsplan worden bijgevoegd. In de voorlopige voorzieningenprocedure zijn partijen in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA) doorverwezen naar een hulpverleningstraject. Dit traject is positief afgesloten. De vrouw heeft bij haar brief van 20 januari 2026 een door haar ondertekend ouderschapsplan ingediend, dat is opgesteld tijdens het traject. De man heeft tijdens de zitting bevestigd dat partijen overeenstemming hebben bereikt over het hoofdverblijf van de kinderen en de zorgregeling, maar omdat er geen overeenstemming is over de kinderalimentatie heeft hij het ouderschapsplan nog niet ondertekend. Tijdens een schorsing van de zitting heeft de man het ouderschapsplan alsnog ondertekend en is deze aan de rechtbank overhandigd. Partijen hebben artikel 3 over Pro de kinderalimentatie doorgestreept nu zij de rechtbank verzoeken daarover een beslissing te nemen. Gelet op het alsnog ingediende door beide partijen ondertekende ouderschapsplan acht de rechtbank partijen ontvankelijk in het echtscheidingsverzoek. Het verzoek tot echtscheiding ligt daarmee als op de wet gegrond en over en weer niet weersproken voor toewijzing gereed.
Ouderschapsplan
4.3
Op verzoek van beide partijen zullen de door hen onderling gemaakte afspraken in het ouderschapsplan worden opgenomen in de beschikking.
4.4
Daarnaast heeft de vrouw verzocht om het hoofdverblijf van de kinderen bij haar te bepalen en hebben partijen allebei om vaststelling van een zorgregeling verzocht. Omdat partijen in het ouderschapsplan al afspraken hebben gemaakt over het hoofdverblijf en de zorgregeling, hebben partijen geen belang meer bij een beslissing van de rechtbank. De rechtbank wijst die verzoeken daarom af. De afspraken die partijen hebben gemaakt dienen door partijen te worden nagekomen en kunnen (ook) ten uitvoer worden gelegd, omdat het ouderschapsplan in deze beschikking is opgenomen.
Kinderalimentatie
4.5
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Ingangsdatum
4.6
Partijen zijn het tijdens de zitting er over eens om voor de ingangsdatum uit te gaan van de datum van deze beschikking. De rechtbank zal partijen daarin volgen.
Behoefte
4.7
Bij de berekening van kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dit wordt ook wel de ‘behoefte’ van het kind genoemd. Het uitgangspunt bij het becijferen van deze behoefte is het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen. Om dit netto gezinsinkomen te berekenen sluit de rechtbank aan bij de inkomens van partijen in het laatste volledige jaar dat zij nog samen waren. Dat is het jaar 2023.
Inkomen man
4.8
De man stelt dat partijen in juni 2024 uit elkaar zijn gegaan. Voor zijn inkomen rekent hij daarom met de winst uit zijn onderneming in 2023. Uit de ingediende aangifte 2023 en de jaarstukken 2023 van [eenmanszaak 1] volgt dat de winst in 2023
€ 22.375,= bruto bedroeg.
4.9
De vrouw is het hier niet mee eens. Zij stelt dat primair moet worden uitgegaan van het gemiddelde van de privé-onttrekkingen uit de onderneming in de jaren 2022 en in 2023. Dit komt neer op € 50.655,50 bruto per jaar (€ 69.989,= + € 31.322,= / 2). De onttrekkingen blijken uit de door de man ingediende aangiften inkomstenbelasting 2022 en 2023. Subsidiair stelt de vrouw dat gerekend moet worden met het gemiddelde van de privé-onttrekkingen over de jaren 2022 tot en met 2024, zijnde € 46.249,= bruto per jaar.
4.1
De rechtbank volgt het standpunt van de vrouw. Privéonttrekkingen geven in beginsel een goed beeld van wat partijen werkelijk te besteden hadden en daarmee een goede indicatie van de toenmalige levensstandaard van de kinderen. Tijdens de zitting heeft de man nog aangevoerd dat hij een gedeelte van de privé-onttrekkingen in 2023 heeft gebruikt voor het aflossen van schulden en dat het hoge bedrag aan onttrekkingen ook te maken had met “het leven na corona”. Het restaurant heeft daar onder geleden. Daarbij had hij destijds ook maar één bankrekening, voor zowel zakelijk als privé en liepen (financiële) zaken door elkaar heen. De man heeft hiermee evenwel, tegenover de betwisting van de vrouw, niet onderbouwd dat de onttrekkingen niet tot de gebruikelijke levensstandaard van partijen en hun kinderen behoorden. Voor zover met de onttrekkingen aflossingen zijn verricht, droeg dat immers ook bij aan de levensstandaard van het gezin.
Vervolgens heeft de man aangevoerd dat het bedrag aan onttrekkingen in 2023 niet representatief is in vergelijking met andere jaren. Dat jaar was volgens hem een uitschieter. De man heeft ook deze stelling niet onderbouwd. Hij heeft niet (verifieerbaar) inzichtelijk kunnen maken waarom 2023 een uitschieter was en waarom dat zo afwijkend was ten opzichte van de andere jaren, zodat dat jaar buiten beschouwing moet worden gelaten. Een enkele verwijzing naar de resultaten van het jaar daarvoor en de jaren na 2023 is onvoldoende.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank het primaire standpunt van de vrouw volgt en aan de zijde van de man uitgaat van een winst uit onderneming van € 50.655,50 bruto per jaar in 2023.
4.11
De rechtbank houdt verder rekening met de toepasselijke ondernemersaftrek (zelfstandigenaftrek en mkb-winstvrijstelling), de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Ook is de op aanslag te betalen inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet in aanmerking genomen.
4.12
Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man op een bedrag van € 3.358,= per maand.
Inkomen vrouw
4.13
Partijen zijn het erover eens dat de vrouw in 2023 een winst uit haar eenmanszaak ( [eenmanszaak 2] ) had van € 3.100,= bruto.
4.14
De rechtbank houdt rekening met de toepasselijke ondernemersaftrek (zelfstandigenaftrek), de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.
4.15
Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op een bedrag van € 258,= per maand.
Gezinsinkomen
4.16
Het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen ten tijde van de samenleving komt dan op € 3.616,= per maand. Bij dit bedrag moet het kindgebonden budget worden opgeteld. Dat bedroeg € 265,= per maand. Het totale netto besteedbaar gezinsinkomen bedraagt dan
€ 3.881,= per maand in 2023.
4.17
Dit netto besteedbaar gezinsinkomen, gevoegd bij het aantal kinderen in het gezin, levert volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van de minderjarigen op van € 888,= per maand in 2023. Bij dat tabelbedrag is al rekening gehouden met de ontvangen kinderbijslag.
Rekening houdend met de wettelijke indexeringen bedraagt die behoefte in 2026 € 1.051,= per maand, zijnde € 526,= per maand per kind.
Draagkracht vrouw
4.18
Vervolgens moet worden berekend wat het aandeel van partijen is in de behoefte van de kinderen. Dit wordt ook de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. De rechtbank sluit daarvoor aan bij ieders huidig netto inkomen (NBI). De draagkracht van partijen wordt daarna vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in de eerder genoemde aanbevelingen.
4.19
Vaststaat dat de vrouw op dit moment twaalf uur per week werkt bij [stichting] . Zij is op 22 juli 2024 in dienst getreden. De vrouw heeft de loonstroken van januari 2026 tot en met maart 2026 ingediend. Daarnaast exploiteert de vrouw nog steeds voornoemde eenmanszaak, [eenmanszaak 2] . Zij verkoopt schmink en grimeert. De winst uit onderneming bedroeg in 2025 € 6.285,= bruto.
4.2
De man doet in het kader van de draagkracht van de vrouw een beroep op haar verdiencapaciteit. Hij stelt dat niet valt in te zien waarom de vrouw niet meer uren kan werken in de zorg dan dat zij nu doet. Zij is jong, in goede gezondheid en er is voldoende vraag naar personeel in de zorg. Bovendien werkt zij ook in de broodjeszaak van haar nieuwe partner. Die tijd kan zij ook besteden aan het verrichten van betaald werk in de zorg. De man vindt dat gerekend moet worden met een inkomen van € 34.731,= bruto per jaar (80%), naast de winst uit onderneming.
4.21
De vrouw voert tijdens de zitting verweer. Zij stelt dat gerekend moet worden met het inkomen dat zij nu heeft. Zij werkt nu tijdens schooltijden. Dat was tijdens het huwelijk ook de afspraak tussen partijen. De werkzaamheden in de thuiszorg verricht zij in de ochtenden. Zij is bezig met een opleiding tot tatoeëerder en wil, als zij daar klaar mee is, bij een tattoo-shop gaan werken. Dat zal dan voornamelijk in de avonden zijn. Het klopt dat zij meehelpt in de broodjeszaak van haar partner, ongeveer vier tot vijf uur per week, maar daar krijgt zij niet voor betaald. Na haar werk in de thuiszorg rijdt zij door naar de broodjeszaak en vanuit daar weer door naar de tattoo-shop. De twaalf uur per week bij de thuiszorg is op dit moment het maximaal haalbare qua aantal uren, en daarmee dus haar maximale inkomen. Haar inkomsten uit de eenmanszaak zijn marginaal. Deze werkzaamheden beperken zich namelijk tot de carnavalsperiode.
4.22
De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zijn het er tijdens de zitting over eens gebleken dat voor de huidige draagkracht van de vrouw gerekend kan worden met een winst uit onderneming van € 6.285,= bruto per jaar, gelijk aan het resultaat in 2025.
Tussen partijen is in geschil of van de vrouw kan en mag worden verwacht dat zij meer uren betaald werk verricht. De rechtbank overweegt dat dit het geval is. Uit de verklaring van de vrouw tijdens de zitting blijkt dat zij nu een opleiding volgt waar zij uren aan besteedt en dat zij daarnaast werkt in de broodjeszaak van haar partner waar zij niet voor betaald krijgt. Zowel het volgen van de opleiding als het onbezoldigd werken in de broodjeszaak vindt plaats onder de schooltijden van de kinderen. De vrouw heeft bewust deze keuzes gemaakt, en dat mag zij ook, maar de gevolgen van deze keuzes komen in dit kader wel voor haar rekening. Zij had er ook voor kunnen kiezen om op die momenten meer uren in de zorg te verrichten en/of tegen betaling in de broodjeszaak te gaan werken. De rechtbank heeft ook niet van de vrouw gehoord dat meer uren werken bij haar huidige werkgever niet mogelijk zou zijn. Daarnaast is de vrouw nog jong, heeft zij anderszins geen beperkingen en de kinderen gaan richting de middelbare school leeftijd. Van haar mag dan ook een maximale inspanning worden verwacht om financieel bij te dragen aan de opvoeding. Het beroep van de man op de verdiencapaciteit van de vrouw slaagt dan ook. De rechtbank ziet in het licht van het voorgaande aanleiding om, in plaats van de door man gestelde 80%, uit te gaan van een werkweek van 24 uren in de thuiszorg.
4.23
Volgens de ingediende loonstroken bedraagt het uurloon € 15,79. Het berekende jaarinkomen wordt vermeerderd met de gebruikelijke vakantietoeslag en een eindejaarsuitkering van 8,33%. Daarnaast wordt gerekend met de winst uit onderneming van € 6.285,= bruto per jaar. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde pensioenpremie en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting), de toepasselijke ondernemersaftrek (zelfstandigenaftrek) en mkb-winstvrijstelling, de op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van
€ 8.576,= op jaarbasis. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 3.012,= per maand.
De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 520,= per maand.
Draagkracht man
4.24
De man heeft bij de brief van 30 april 2026 een draagkrachtberekening ingediend. Hij rekent met een gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2022 tot en met 2024, zijnde € 29.084,= bruto per jaar. Verder heeft hij als extra last opgenomen een bedrag van € 1.855,= per maand. Dit bedrag ziet op de maandelijkse aflossing van schulden aan [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] B.V. (de onderneming van de vader van de vrouw), [bedrijf 4] en [bedrijf 5] . De schulden zijn ontstaan tijdens het huwelijk en niet verwijtbaar en vermijdbaar, aldus de man. Deze schulden bedragen totaal al ruim € 100.000,= en daarnaast heeft zijn boekhouder aangegeven dat ook nog rekening moet worden gehouden met een belastingschuld, zodat het totaal aan af te lossen schulden omme nabij een bedrag van
€ 115.000,= zal bedragen. Als gevolg van deze aflossingen heeft hij geen draagkracht om kinderalimentatie te betalen.
4.25
De vrouw voert primair aan dat de man het door haar verzochte bedrag aan kinderalimentatie van € 200,= per maand per kind moet kunnen betalen. Dit omdat niet vast te stellen is wat het huidige inkomen van de man is. Er is veel onduidelijkheid en de door de man ingebrachte gegevens zijn onvolledig. De vraag is ook of ze überhaupt juist zijn. Zo heeft de man van geen enkel jaar de aanslag van de Belastingdienst ingediend. Deze twijfel is nog meer gevoed door het gegeven dat de vrouw net voor de zitting informatie heeft gekregen waaruit zou volgen dat de man een geregistreerd inkomen heeft bij de belastingdienst van € 74.000,= in 2023. Dat volgt alleen niet uit zijn stukken. Hoe dat kan is niet duidelijk.
Subsidiair voert de vrouw aan dat moet worden uitgegaan van de winst uit onderneming in 2024. Verder is de vrouw van mening dat geen rekening moet worden gehouden met het woonbudget (de eigen woning schuld van de man is namelijk nihil), dat rekening moet worden gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting en met maximaal € 676,= per maand aan extra lasten.
4.26
De rechtbank overweegt als volgt. Voor het bepalen van de draagkracht wordt aangesloten bij het huidige inkomen dat een onderhoudsplichtige heeft. Dit zodat berekend kan worden wat iemand op dit moment, en voor de nabije toekomst, kan bijdragen in de kosten van de kinderen. Gelet hierop is het voor de rechtbank, zonder verdere onderbouwing, niet logisch dat de man wil uitgaan van het verleden, en wel zijn inkomenssituatie in 2022 tot en met 2024. Daar komt bij dat de man tijdens de zitting heeft toegelicht dat hij in die voornoemde jaren voornamelijk winst genoot uit zijn restaurant, maar dat hij het restaurant inmiddels niet meer zelf exploiteert maar het heeft verpacht aan een derde. Zijn winst uit onderneming genereert hij nu namelijk voornamelijk door als zzp’er callcenter medewerker werkzaam te zijn. Deze werkzaamheden zijn in de afgelopen jaren steeds verder uitgebreid en dit is nu zijn hoofd-/ basisactiviteit. Uit deze verklaring van de man leidt de rechtbank af dat de wijze waarop de man winst uit onderneming genereert mitsdien in grote mate is veranderd ten opzichte van de jaren 2022 tot en met 2024, zodat deze jaren ook in dat opzicht niet representatief zijn voor zijn inkomenssituatie op dit moment.
Voor de rechtbank is verder onduidelijk (gebleven) welke exacte bedragen de man nu ontvangt van zijn pachter (huur voor het pand/pachtsom voor de exploitatie). De man geeft weliswaar tijdens de zitting aan dat wat hij ontvangt opgaat aan de rente en aflossing van een lening (in jaarstukken vermeld als Lening [persoon] voor [bedrijf 6] ter hoogte van € 330.000,=) en een lening aan [bedrijf 3] B.V., maar dit heeft hij niet verder onderbouwd met verifieerbare en bovenal recente gegevens.
De man heeft ook geen enkel (recent) ander financieel stuk ingediend dat inzicht kan geven in zijn huidige inkomenssituatie. Zo is er geen (concept) aangifte inkomstenbelasting 2025, geen (voorlopige) cijfers 2025/2026 (gewerkte uren/uurtarief/eventuele bonussen) en evenmin een prognose voor de rest van dit jaar. Volgens de man duurt het nog enkele maanden voordat zijn boekhouder de stukken over 2025 gereed heeft.
Tenslotte heeft de man tijdens de zitting ook niet anderszins concreet kunnen toelichten, en inzichtelijk kunnen maken, wat hij op dit moment “verdient” en van welk bedrag hij maandelijks moet rondkomen. Hij heeft in dat kader onder meer vertelt dat hij niet alleen als zzp’er callcenter medewerker werkzaamheden verricht, maar dat hij dit samen met een aantal andere zzp’ers doet, dat alle commissies van deze zzp’ers op zijn bankrekening worden gestort en dat dat dan nog moet worden afgerekend met deze zzp’ers. Desgevraagd is evenwel onduidelijk (gebleven) wat nu precies de samenwerkingsstructuur is, hoe deze samenwerking precies werkt, wat de tot nu toe behaalde totale resultaten zijn, hoe de resultaten worden verdeeld en wie welk aandeel krijgt/heeft.
Het lag op weg van de man, gelet ook op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, om aan de rechtbank voldoende duidelijkheid te verschaffen over zijn huidige inkomsten. Dit heeft hij nagelaten. Dat komt voor zijn rekening en risico.
Al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, betekent dat de rechtbank het primaire standpunt van de vrouw volgt en het verzoek van de vrouw toewijst.
Aan een bespreking en beoordeling van de door de man opgevoerde extra lasten, het verweer van de vrouw over het woonbudget, en de zorgkorting komt de rechtbank niet meer toe.
4.27
De rechtbank heeft een berekening gemaakt van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de vrouw. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.
Afwikkeling huwelijkse voorwaarden
4.28
Partijen zijn gehuwd na het maken van huwelijkse voorwaarden. Kort gezegd houden de huwelijkse voorwaarden in dat partijen zijn gehuwd in gemeenschap van inboedel en dat elke andere gemeenschap tussen de echtgenoten is uitgesloten. Van enig verrekenbeding is geen sprake.
4.29
In de huwelijkse voorwaarden is opgenomen, voor zover hier relevant,:
“(…) Artikel 2.(…) Ieder der echtgenoten blijft aansprakelijk voor de schulden die bij het aangaan van het huwelijk te zijnen of haren laste bestaan, en die welke tijdens het huwelijk door hem of haar worden aangegaan, evenals voor de schulden in de persoon van een der echtgenoten ontstaan.”
Artikel 4. (…) “de kosten van de gemeenschappelijke huishouding, daaronder begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen die uit het huwelijk mochten worden geboren, (…) alsmede alle dagelijkse uitgaven welke passen in het leefpatroon van partijen, de uitgaven genoemd in artikel 6.1 lid 2 sub a, f en h van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de inkomstenbelastingschulden betrekking hebbende op de hiervoor bedoelde inkomsten, komen ten laste van de eigen inkomens der echtgenoten in evenredigheid daarvan (…).”
4.3
Tijdens de zitting bevestigen partijen dat ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden enkel in geschil is de draagplicht van een drietal door partijen genoemde schulden. Het gaat om een schuld aan de Voedsel- en Waren Autoriteit, een schuld aan [bedrijf 1] en om diverse schulden aan de belastingdienst. Partijen hebben verder aangegeven dat zij voor het bestaan en de hoogte van de schulden als peildatum
8 november 2024 hanteren. De rechtbank zal partijen hierin volgen.
Schuld Voedsel- en Waren Autoriteit
4.31
Partijen zijn het erover eens dat deze schuld op voornoemde peildatum
€ 5.537,24 bedroeg. Van dit bedrag is de man 100% draagplichtig voor een bedrag van
€ 1.500,=. Voor het restantbedrag zijn partijen ieder voor de helft draagplichtig.
Vast staat tussen partijen dat de vader van de vrouw het totale bedrag van € 5.537,24 op
28 november 2024 aan de deurwaarder heeft betaald. Partijen hebben tijdens de zitting bevestigd dat zij allebei het deel waarvoor zij draagplichtig zijn, moeten betalen aan de vader van de vrouw. Zij zullen dit zelf verder in onderling overleg met de vader van de vrouw gaan regelen.
Schuld [bedrijf 1] en schulden aan de belastingdienst
4.32
Tijdens een schorsing van de zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de verdeling van de draagplicht van deze schulden. Partijen spreken af dat zij voor de op de peildatum aanwezige belastingschulden (bij partijen bekend) totaal ten bedrage van
€ 13.834,= ieder voor de helft draagplichtig zijn.
Voor wat betreft de schuld aan [bedrijf 1] spreken partijen af dat zij in beginsel ieder voor de helft draagplichtig zijn voor deze schuld. De schuld aan [bedrijf 1] ad € 28.898,43 betreft terug te betalen inkomensondersteuning in verband met corona. Voor zover in deze schuld een (bedrag aan) verstrekt bedrijfskapitaal is begrepen ten behoeve van de onderneming van de man, dan zijn partijen het er gezien de huwelijkse voorwaarden over eens dat de man voor dat gedeelte van de schuld 100% draagplichtig is en dat deze daarom volledig voor rekening van de man komt. De relevante stukken waar dit uit blijkt, worden dan door partijen onderling uitgewisseld.
4.33
Partijen hebben gelet op het voorgaande volledige overeenstemming bereikt over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. De rechtbank zal de verdeling van de draagplicht ten aanzien van de drie schulden onderstaand opnemen in het dictum. De andersluidende verzoeken van partijen over de schulden wijst de rechtbank af.
Proceskosten
4.34
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2017 in de gemeente Halderberge met elkaar gehuwd;
5.2.
bepaalt dat de man met ingang van de datum van deze beschikking voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen
1. [minderjarige 1] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2014,
2. [minderjarige 2] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2016,
aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 200,= (tweehonderd euro) per maand per kind;
5.3.
bepaalt dat voor de schuld aan de Voedsel- en Waren Autoriteit van € 5.537,24, de man 100% draagplichtig is voor een bedrag van € 1.500,= en dat partijen voor het restantbedrag ieder voor de helft draagplichtig zijn, een en ander met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 4.31 is overwogen;
5.4.
bepaalt dat voor de schulden aan de belastingdienst van € 13.834,= ieder van partijen voor de helft draagplichtig is;
5.5.
bepaalt dat voor de schuld aan [bedrijf 1] van € 28.898,43 partijen in beginsel ieder voor de helft draagplichtig zijn en bepaalt dat, voor zover uit door partijen onderling uitgewisselde stukken blijkt dat in voornoemde schuld een bedrag is begrepen aan verstrekt bedrijfskapitaal voor de onderneming van de man, de man 100% draagplichtig is voor dat gedeelte van de schuld;
5.6.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.8.
bepaalt dat de onderlinge regelingen uit het als bijlage toegevoegde ouderschapsplan deel uitmaken van deze beschikking;
5.9.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Haerkens-Wouters, en, in tegenwoordigheid van mr. Schröder, griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.