ECLI:NL:RBZWB:2026:5482

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
C/02/446166 / KG ZA 26-136
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Verschoor-Bergsma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 254 RvArt. 1:253a BWArt. 822 lid c en d RvArt. 821 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot terugverhuizing en toewijzing vervangende toestemming schoolinschrijving minderjarige

Partijen zijn gehuwd en hebben een minderjarig kind. Na verkoop van de echtelijke woning is de vrouw met het kind verhuisd naar de ouders van de vrouw in een andere plaats, terwijl de man een nieuwe woning betrekt elders. De man vordert onder meer dat de vrouw met het kind terugverhuist naar de omgeving van de voormalige echtelijke woning en dat het kind bij hem wordt ingeschreven en verblijft.

De vrouw verzet zich tegen deze vorderingen en verzoekt onder meer vervangende toestemming voor inschrijving van het kind op een basisschool in haar woonplaats. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert de vrouw toe te vertrouwen en het kind in te schrijven op de door haar gewenste school, mede vanwege de afstand tussen de ouders en het belang van het kind.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de vorderingen van de man tot terugverhuizing en toevertrouwing niet in kort geding kunnen worden toegewezen en wijst deze af. De vrouw krijgt vervangende toestemming om het kind in te schrijven op de door haar gewenste basisschool. De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd en de beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van de man af en verleent de vrouw vervangende toestemming voor de inschrijving van de minderjarige op de door haar gewenste basisschool.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C/02/446166 / KG ZA 26-136
Vonnis in kort geding van 22 mei 2026
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat: mr. L.G.F. Gootzen te ‘s-Hertogenbosch.
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. C.J.H. Anker te Rotterdam.
Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties d.d. 8 april 2026;
- de op 6 mei 2026 ingekomen conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties.
- de zitting van 8 mei 2026.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de zitting met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste. De zaak is gelet op de onderlinge samenhang gezamenlijk behandeld met de tussen partijen aanhangige voorlopige voorzieningenprocedure met zaaknummer C/02/446549 / FA RK 26-1614. In die procedure is per heden afzonderlijk beslist. Tijdens de zitting zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is een vertegenwoordigster van de Raad verschenen om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op [datum] 2021 met elkaar gehuwd in de gemeente Heusden.
2.2.
Uit het huwelijk van partijen is het navolgend nu nog minderjarige kind geboren:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021.
2.3.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.4.
De voormalig echtelijke woning van partijen in [woonplaats 1] , gemeente Heusden, is inmiddels verkocht en wordt binnenkort geleverd aan de koper(s). De vrouw en [minderjarige] zijn eind november 2025 naar [plaats 1] vertrokken en begin 2026 definitief ingetrokken bij de ouders van de vrouw in [woonplaats 2] in [plaats 1] . De man - die op dit moment nog staat ingeschreven op het adres van de voormalige echtelijke woning - zal binnenkort zijn nieuwe woning in [plaats 2] betrekken.

3.De vorderingen in conventie en in reconventie

3.1.
De man vordert bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. De vrouw te gebieden om binnen twee weken na betekening van het te wijzen vonnis met [minderjarige] terug te verhuizen naar een woning gelegen binnen een straal van 10 kilometer van de voormalige echtelijke woning van partijen te [woonplaats 1] , en dat indien de vrouw niet binnen de gestelde termijn aan de terugverhuizing voldoet:
- Primair: een voorlopige zorgregeling vast te leggen als volgt:
o [minderjarige] verblijft doordeweeks bij vader en om het weekend van vrijdag 18.00
uur tot zondag 19.00 uur bij moeder, waarbij moeder het halen en brengen op zich
neemt.
- Subsidiair: op verbeurte van een door de vrouw aan de man te betalen dwangsom van € 500 voor iedere dag dat de vrouw nalatig is om aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen, tot een maximum van € 50.000;
II. Te bepalen dat [minderjarige] voorlopig voor de duur van de aanhangig te maken
echtscheidingsprocedure, danwel voor de duur van de aanhangig te maken voorlopige
voorzieningenprocedure in het kader van de echtscheiding, aan de man wordt toevertrouwd en op het adres van de man wordt ingeschreven, zijnde aan [adres 1] te [woonplaats 1] en per 4 mei 2026 aan [adres 2] te [plaats 2] , met bevel tot afgifte van de minderjarige aan de man, als deze niet al in de macht van de man mocht zijn;
III. De vrouw te bevelen om medewerking te verlenen aan de (her)inschrijving van [minderjarige] in de Basisregistratie Personen op het adres van de man onder sub II;
IV. Voor de duur van de aanhangig te maken echtscheidingsprocedure, danwel voor de duur van de aanhangig te maken voorlopige voorzieningenprocedure in het kader van de echtscheiding, een voorlopige zorgregeling vast te leggen waarbij [minderjarige] indien en voor zover moeder mee terug verhuist binnen een straal van 10 kilometer van de echtelijke woning te [woonplaats 1] :
- Van maandag 09.00 uur tot woensdag 17.00 uur bij vader verblijft en van woensdag 17.00 uur tot zaterdag 09.00 uur bij moeder verblijft.
- In de even weken van zaterdag 09.00 uur tot maandag 09.00 uur bij vader verblijft;
- In de oneven weken van zaterdag 09.00 uur tot maandag 09.00 uur bij moeder verblijft.
V. Aan de man vervangende toestemming te verlenen om de minderjarige [minderjarige]
voorlopig, voor de duur van de aanhangig te maken echtscheidingsprocedure, danwel voor de duur van een aanhangig te maken bodemprocedure in te schrijven op de rooms-katholieke [basisschool 1] te [plaats 2] .
althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie redelijk en juist
acht.
VI. De vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure, de nakosten van de advocaat van de man daarin begrepen; althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie oordelend redelijk en juist acht.
3.2.
De vrouw voert verweer en verzoekt, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
in conventie:
I. de man in zijn vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans de vorderingen van de man af te wijzen;
in reconventie:
I. de man te veroordelen om binnen twee weken na het ten dezen te wijzen vonnis mee te werken aan de overdracht van de hosting van de websites van de vrouw zoals opgesomd onder randnummer 60 van deze conclusie en alles te bewerkstelligen wat hiervoor vereist is, waaronder het opstellen van de verhuiscodes en het aanleveren van de benodigde bestanden, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,-- per dag dat de man geen opvolging geeft aan deze veroordeling, met een maximum van € 25.000;
II. vervangende toestemming te verlenen aan de vrouw voor de inschrijving van [minderjarige] op de [basisschool 2] te [plaats 3] ;
III. de man te veroordelen om de aan de vrouw opgelegde belastingaanslag over 2024 ter hoogte van € 26.712,-- voor 30 mei 2026 aan de Belastingdienst te betalen, althans dit
bedrag aan de vrouw te voldoen zodat de vrouw voor tijdige betaling aan de Belastingdienst kan zorgdragen;
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang voor de beoordeling van de vorderingen, ingegaan.

4.Het advies van de Raad

4.1.
Namens de Raad is tijdens de zitting, geadviseerd over de vorderingen van partijen betreffende de toevertrouwing, de zorgregeling, alsmede de schoolkeuze van [minderjarige] . De Raad heeft samengevat, het volgende naar voren gebracht. De Raad is van mening dat de vrouw door haar handelswijze de man voor een voldongen feit heeft geplaatst. De Raad acht het in het belang van [minderjarige] dat hij veel contact heeft met beide ouders. Gelet op de afstand tussen de woonplaatsen van de ouders is dat op dit moment niet mogelijk. Zelfs een weekendregeling wordt al lastig uitvoerbaar op het moment dat [minderjarige] bijvoorbeeld een sport gaat beoefenen in het weekend. Ook is de betrokkenheid bij school moeilijker gezien de afstand. De Raad vraagt zich af waarom er door de vrouw niet is gezocht naar een woning in de buurt van de voormalige echtelijke woning. De enige mogelijkheid is dat ouders dichterbij elkaar gaan wonen. De vrouw zal dan ook moeten terugverhuizen naar de omgeving van de voormalige echtelijke woning. Partijen hebben bewust gekozen voor een kind op het moment dat zij daar woonden. De Raad acht het echter ook niet in het belang van [minderjarige] dat hij nu wordt weggehaald bij de vrouw en ineens bij de man verblijft met een minimale omgang met de vrouw. De Raad adviseert gelet op de onmogelijkheid van de vrouw om op heel korte termijn te verhuizen om [minderjarige] voorlopig toe te vertrouwen aan de vrouw en hem voorlopig naar school laten gaan in [plaats 3] . Daarnaast adviseert de Raad een ruimere zorgregeling tussen de man en [minderjarige] te bepalen waarbij er wekelijks van vrijdag tot zondag contact is.

5.De beoordeling in conventie en in reconventie

5.1.
De voorzieningenrechter ziet gezien de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie aanleiding deze hieronder gezamenlijk te behandelen.
Spoedeisend belang
5.2.
Op grond van artikel 254 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken, waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven. De spoedeisendheid van de vorderingen volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende uit de aard van de vorderingen. Vast staat dat [minderjarige] in november 2026 vijf jaar wordt, en (ruim) voor die tijd ingeschreven dient te worden op een basisschool.
Inhoudelijk
Vervangende toestemming inschrijving basisschool
5.3.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het ouderlijk gezag over [minderjarige] door partijen gezamenlijk wordt uitgeoefend. Dit betekent dat partijen belangrijke beslissingen, zoals een inschrijving op een school, alleen gezamenlijk kunnen nemen en gehouden zijn om, voorafgaand aan het nemen van een dergelijke beslissing, met elkaar te overleggen. In ieder geval is voor een dergelijke beslissing toestemming van de andere gezaghebbende ouder nodig. Geschillen daaromtrent kunnen aan de rechter worden voorgelegd in het kader van de geschillenregeling ex artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), en, in spoedeisende gevallen, aan de voorzieningenrechter in kort geding.
5.4.
Partijen zijn er niet in geslaagd om tot een gezamenlijk gedragen beslissing te komen omtrent de inschrijving van [minderjarige] op een basisschool. Tegen deze achtergrond, en gelet op de wederzijdse vorderingen van partijen, dient de voorzieningenrechter in dit kort geding te beoordelen of een ordemaatregel noodzakelijk is, in die zin dat [minderjarige] ingeschreven dient te worden op een basisschool in [plaats 3] (vordering vrouw) of [plaats 2] (vordering man), totdat over deze inschrijving door de bodemrechter een beslissing is genomen. Bij deze beoordeling dient de voorzieningenrechter de belangen van alle betrokkenen in aanmerking te nemen en tegen elkaar af te wegen. Het belang van [minderjarige] dient daarbij een overweging van de eerste orde te zijn. Dat neemt niet weg dat, afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, andere belangen zwaarder kunnen wegen.
5.5.
Alvorens te beslissen, heeft de voorzieningenrechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 BW, een vergelijk tussen beide ouders beproefd. Partijen hebben tijdens de zitting geen overeenstemming weten te bereiken over de inschrijving op een school.
5.6.
De voorzieningenrechter stelt vast dat [minderjarige] op dit moment al geruime tijd met de vrouw bij de ouders van de vrouw in [woonplaats 2] verblijft en dat er onregelmatig contact is tussen de man en [minderjarige] . Gezien die situatie is [minderjarige] er in ieder geval sinds het vertrek uit de echtelijke woning aan gewend dat de vrouw de hoofdverzorgster is. In voornoemde voorlopige voorlopige voorzieningenprocedure heeft de rechtbank onvoldoende aanleiding gezien om die situatie te wijzigen, omdat [minderjarige] in korte tijd al heeft moeten wennen aan het feit dat de ouders feitelijk uit elkaar zijn en zij niet meer samen in de echtelijke woning verblijven. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat vast staat dat de vrouw op dit moment geen inkomen heeft en mede om die reden van haar niet kan worden verlangd dat zij op korte termijn een andere woning betrekt in de buurt van de voormalige echtelijke woning, zoals door de man is gevorderd in onderhavige procedure.
Mede om die reden is in de voorlopige voorzieningenprocedure per heden beslist dat het verzoek van de vrouw tot toevertrouwing van [minderjarige] aan haar wordt toegewezen onder gelijktijdige afwijzing van het verzoek van de man. Verder is in die procedure een zorgregeling bepaald waarbij [minderjarige] de ene week van donderdagavond 19:00 uur tot zondagavond 19:00 uur en in de andere week van vrijdagavond 19.00 uur tot zondag 19.00 bij de man verblijft.
5.7.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de hiervoor genoemde voorlopige toevertrouwing alsmede de voorlopige zorgregeling logischerwijs een schoolkeuze in [plaats 3] volgt. Tegen de achtergrond van de voorlopige zorgregeling zou een schoolkeuze in [plaats 2] er immers toe leiden dat [minderjarige] een groot deel van de week op en neer moet rijden tussen [woonplaats 2] en [plaats 2] , hetgeen niet als wenselijk wordt beschouwd. De voorzieningenrechter zal de vrouw vervangende toestemming verlenen om [minderjarige] op de door haar verzochte basisschool in [plaats 3] in te schrijven, zulks onder afwijzing van de vordering van de man. De voorzieningenrechter benadrukt dat dit niet betekent dat op enige wijze aan de vrouw toestemming wordt verleend om zich permanent in [plaats 1] te vestigen, en dat de vrouw zich in het belang van [minderjarige] zal moeten inspannen om zo spoedig mogelijk (terug) te verhuizen naar de omgeving van de voormalige echtelijke woning. Hoewel de vrouw, ook met de in de voorlopige voorzieningen bepaalde partneralimentatie, een beperkt inkomen heeft, overweegt de voorzieningenrechter dat de vrouw uit de verkoop van de voormalige echtelijke woning een aanzienlijk geldbedrag zal ontvangen dat zij hiervoor (deels) kan aanwenden.
Terugverhuizing en (her)inschrijving BRP
5.8.
Nu zoals hiervoor is overwogen de minderjarige is toevertrouwd aan de vrouw en aan de vrouw vervangende toestemming wordt verleend om de minderjarige in te schrijven op een basisschool in [plaats 3] , zal de voorzieningenrechter de vorderingen van de man tot terugverhuizing (onder I) en herinschrijving BRP (onder III) in deze procedure afwijzen.
Toevertrouwing en zorgregeling
5.9.
De man vordert (onder II) de toevertrouwing van de minderjarige alsmede (onder I en IV) het bepalen van een voorlopige zorgregeling.
5.10.
De voorzieningenrechter overweegt dat de vorderingen van de man vorderingen zijn ex artikel 822 lid Pro sub c en d van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvorderdering (verder: Rv) die op grond van artikel 821 Rv Pro bij voorlopige voorziening dienen te worden verzocht. Dit is een bijzonder rechtsgang, waarvoor niet een kortgedingprocedure ex artikel 254 Rv Pro kan worden gebruikt. De voorzieningenrechter zal de vorderingen van de man dan ook afwijzen. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter nog op dat in de voorlopige voorzieningenprocedure tussen partijen inhoudelijk is beslist over de toevertrouwing en de zorgregeling.
Overdracht hosting websites vrouw en belastingaanslag vrouw over 2024
5.11.
Ter zitting is door de man toegezegd dat hij de hosting van de door de vrouw verzochte websites aan haar binnen een week zal overdragen. Verder is door de man toegezegd dat hij de door de vrouw genoemde en op haar naam gestelde belastingaanslag (van € 26.712,=) voor 30 mei 2026 zal voldoen en daar de vrouw (al dan niet via zijn advocaat) een bevestiging van zal sturen.
5.12
Gelet op de toezegging van de man is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vrouw geen belang meer heeft bij haar vorderingen er geen belang meer is bij toewijzing vd vorderingen (onder I en III). De voorzieningenrechter zal deze vorderingen dan ook afwijzen.
Proceskosten
5.13.
De proceskosten in conventie en in reconventie zullen, gelet op de familierechtelijke aard van de procedure, tussen partijen worden gecompenseerd in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.14.
De voorzieningenrechter zal, zoals over en weer gevorderd, de beslissing omtrent de inschrijving op een basisschool uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het in het belang van [minderjarige] is dat deze beslissing direct in werking treedt ondanks een eventueel hoger beroep daartegen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van de man af;
5.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in reconventie
5.3.
verleent aan de vrouw - ter vervanging van de toestemming van de man - vervangende toestemming om de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021, in te schrijven op de [basisschool 2] te [plaats 3] ;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Verschoor-Bergsma, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026 in tegenwoordigheid De Pooter, griffier.