ECLI:NL:RBZWB:2026:5479

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
C/02/447495 / JE RK 26-710
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265j BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens aanhoudende ontwikkelingsbedreiging

De zaak betreft een verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling van een minderjarige te verlengen. De minderjarige woont bij de vader, die betrokken en zorgzaam is. De moeder is wisselend bereikbaar en heeft financiële problemen en een gokverslaving, wat de samenwerking bemoeilijkt.

De kinderrechter constateert dat de ondertoezichtstelling sinds juni 2025 loopt en dat de doelen nog niet zijn bereikt. De vader toont een stabiele thuissituatie en betrokkenheid, maar de moeder speelt een onduidelijke rol. De GI moet de situatie rondom de moeder en het contact met de minderjarige helder krijgen.

De verlenging is nodig om praktische zaken te regelen, zoals aanmelding bij buitenschoolse opvang, en om een borgingsplan op te stellen voor afronding. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de mogelijkheid tot hoger beroep wordt vermeld.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd met vier maanden tot 2 oktober 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/447495 / JE RK 26-710
Datum uitspraak: 22 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 1] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt het volgende stuk mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 31 maart 2026, ontvangen op 17 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader en een tolk Pools (
aanwezig middels een videoverbinding);
- een vertegenwoordiger van de GI (
aanwezig middels een videoverbinding).
1.3.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de vader.
2.3.
Bij beschikking van 2 juni 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 2 juni 2025 en tot 2 juni 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van vier maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek. Een korte verlenging van de ondertoezichtstelling is nodig om nog een aantal praktische zaken te regelen, om de huidige stabiliteit zorgvuldig te monitoren, om de rol en de positie van de moeder helder te krijgen en om een borgingsplan op te stellen zodat er kan worden toegewerkt naar een afronding van de ondertoezichtstelling.
4.2.
De vader voert geen verweer tegen het verzoek van de GI. De vader vindt het belangrijk dat er nog een aantal praktische zaken worden geregeld, zoals de aanmelding van [minderjarige] bij de buitenschoolse opvang (hierna: BSO). Hij vindt het daarbij fijn dat de GI de regie behoudt. Sinds kort heeft de vader weer contact met de moeder. De moeder woont in [plaats 2] en ziet [minderjarige] onder toezicht (van de vader) en in de thuissituatie van de vader. Dit verloopt goed. De vader vindt het voor [minderjarige] fijn dat hij weer contact heeft met zijn moeder.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter zal derhalve het – onweersproken - verzoek van de GI toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen met ingang van 2 juni 2026 en tot 2 oktober 2026. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en uit de zitting volgt dat de vader gedurende de ondertoezichtstelling een constante en betrokken houding heeft laten zien. [minderjarige] ontwikkelt zich goed en er is sprake van een gestructureerde thuissituatie waarin voorspelbaarheid en rust centraal staan. De vader is erg betrokken en is in staat om de belangen van [minderjarige] voorop te stellen. De kinderrechter wil de vader hiervoor complimenteren.
5.3.
Ondanks deze positieve ontwikkeling is de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] nog niet geheel weggenomen en zijn de doelen van de ondertoezichtstelling nog niet behaald. De samenwerking tussen de moeder en de GI verloopt wisselend en moeizaam. Vanaf oktober 2025 werd de moeder steeds minder bereikbaar en werden afspraken structureel niet nagekomen waardoor zicht op haar situatie beperkt bleef. In januari 2026 heeft de vader contact met de GI opgenomen vanwege toenemende spanningen in de ouderrelatie, mede door financiële problemen en de gokverslaving van de moeder, aldus de vader. Het is de GI niet gelukt om met de moeder hierover in gesprek te gaan. De GI was in de veronderstelling dat de moeder naar Polen was vertrokken, maar tijdens de zitting is naar voren gekomen dat de moeder in Breda verblijft. De kinderrechter vindt het van belang dat de GI op de hoogte is en blijft van de huidige situatie rondom [minderjarige] en de ouders. De moeder speelt een belangrijke rol in het leven van [minderjarige] en het is op dit moment nog onduidelijk op welke manier de moeder invulling aan haar moederrol kan geven. De komende periode moet hier duidelijkheid over komen en moet er onder leiding van de GI afspraken gemaakt worden over hoe het contact tussen [minderjarige] en de moeder ingevuld moet worden. Een vaste contactregeling heeft hierbij de voorkeur, zodat [minderjarige] duidelijkheid en structuur ervaart. Ook moeten er in de komende periode nog een aantal financiële, administratieve en praktische zaken geregeld worden, zoals de aanmelding van [minderjarige] bij de BSO. De vader heeft uitdrukkelijk benoemd dat hij hierbij de hulp en ondersteuning vanuit de GI behoeft. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij dit op korte termijn oppakt, juist omdat de BSO erg helpend kan zijn voor de (Nederlandse) taalontwikkeling van [minderjarige] . Indien de GI voornemens is om toe te werken naar een afronding van de ondertoezichtstelling, dient er een duidelijk borgingsplan opgesteld te worden en zal de Raad voor de Kinderbescherming de beslissing van de GI tot niet-verlenging van de ondertoezichtstelling op grond van artikel 1:265j dienen te toetsen.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 2 juni 2026 tot 2 oktober 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verplanke als griffier,
en op schrift gesteld op 4 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.