ECLI:NL:RBZWB:2026:5474

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
C/02/446833 / KG ZA 26-181
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling voorlopige zorgregeling en wijziging ouderschapsplan na wijziging omstandigheden

Partijen, die gezamenlijk het ouderlijk gezag hebben over vier minderjarige kinderen, hebben in juni 2025 een ouderschapsplan met zorgregeling ondertekend waarbij het hoofdverblijf bij de vrouw is. Vanaf augustus 2025 wordt de zorgregeling niet nagekomen, wat aanleiding geeft tot een wijziging van omstandigheden.

De man vordert nakoming van de zorgregeling en dwangsommen bij niet-nakoming, terwijl de vrouw verweer voert en een begeleide zorgregeling vordert. Tijdens de zitting bereiken partijen overeenstemming over een voorlopige, opbouwende begeleide zorgregeling voor de minderjarigen, waarbij contactmomenten en begeleiding zijn vastgesteld.

De voorzieningenrechter stelt deze voorlopige zorgregeling vast, wijzigt het ouderschapsplan dienovereenkomstig en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: De voorzieningenrechter stelt een voorlopige zorgregeling vast en wijzigt het ouderschapsplan, met compensatie van eigen proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
zaaknummer: C/02/446833 / KG ZA 26-181
Datum uitspraak: 22 mei 2026
Vonnis in kort geding
in de zaak van
[de man] ,
hierna te noemen de man,
wonende te [plaats 1] ,
eiser in conventie, verweerder in reconventie,
advocaat: mr. M.M. van der Marel te Eindhoven,
tegen
[de vrouw] ,
hierna te noemen de vrouw,
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
advocaat: mr. M. Czarnota te Oosterhout.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de voorzieningenrechter over het verzoek te adviseren.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord, tevens (een voorwaardelijke) eis in reconventie met producties.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarigen en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens de zitting zijn verschenen de man, bijgestaan door mr. T.J.A. Schillings, die waarneemt voor mr. Van der Marel, en de vrouw, bijgestaan door mr. M. Czarnota. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordiger namens de Raad.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben met elkaar een affectieve relatie gehad, uit welke relatie zijn geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2016, roepnaam: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2019, roepnaam: [minderjarige 2] ;
- [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2020, roepnaam: [minderjarige 3] ;
- [minderjarige 4] , geboren te [geboorteplaats 3] op [geboortedag 4] 2023, roepnaam: [minderjarige 4] .
2.2.
De man heeft de minderjarigen erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
2.3.
Partijen hebben beiden in juni 2025 een ouderschapsplan ondertekend. In dat plan staat onder meer dat het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de vrouw is. Daarbij is ook een zorgregeling overeengekomen. In de oneven weken zijn de minderjarigen in het weekend bij de man; vrijdag na school haalt de man de minderjarigen op bij de vrouw en op maandag 8:30 uur brengt hij hen naar school.

3.Het geschil in conventie en reconventie

3.1.
De man vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Ten aanzien van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] :
I. De vrouw te veroordelen om met onmiddellijke ingang na datum van een in deze te wijzen vonnis volledige medewerking te verlenen aan de nakoming van de tussen partijen geldende zorgregeling, althans tot nakoming van de onder punt 66 van de dagvaarding omschreven (voorlopige) zorg- en contactregeling, althans tot nakoming van een in goede justitie te bepalen voorlopige zorg- en contactregeling.
Ten aanzien van [minderjarige 1] :
II. De vrouw te veroordelen om met onmiddellijke ingang na datum van een in deze te wijzen vonnis volledige medewerking te verlenen aan de nakoming van de onder punt 68 van de dagvaarding omschreven (voorlopige) zorg- en contactregeling, althans tot nakoming van een in goede justitie te bepalen (voorlopige) zorg- en contactregeling.
Ten aanzien van alle minderjarigen:
III. Te bepalen dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 250,- per dag dan wel per
dagdeel dat zij geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft een in deze te wijze vonnis na
te komen, tot een maximum van €1.000,00.
IV. Voor zover het opleggen van een dwangsom niet zal leiden tot nakoming van de
zorgregeling, in die zin dat de vrouw de maximale boetes verbeurd raakt maar de
zorgregeling nog steeds niet wordt nagekomen, de man te machtigen tot ten
uitvoerlegging van de omgangsregeling met behulp van de sterke arm.
V. Dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
VI. De proceskosten tussen partijen te compenseren.
3.2.
De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man in conventie en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn vorderingen, dan wel tot afwijzing van die vorderingen.
3.3.
In (voorwaardelijke) reconventie vordert de vrouw bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat:
- de minderjarigen contact zullen hebben voorlopig onder begeleiding van zijn partner buiten de aanwezigheid van haar kinderen, zijn hulpverlening of de begeleider door de gemeente geïnitieerd, in zijn woning te [plaats 1] of een neutrale plek gedurende enkele uren in de veertien dagen op zondag als zijn partner begeleidt of een andere dag als er sprake is van professionele begeleiding, althans een begeleide zorgregeling als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren.
- Het contactherstel tussen de man en [minderjarige 1] zal worden begeleid door een professional en
pas zal aanvangen wanneer door de betrokken hulpverlening van [minderjarige 1] zal worden bepaald dat [minderjarige 1] daaraan toe is.
3.4.
Op de standpunten van partijen en het advies van de Raad wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4.De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van partijen bij hun vorderingen vast.
4.2.
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
4.3.
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat als ouders, die samen het gezag hebben over een kind, het niet eens kunnen worden over een beslissing over het kind, zij de rechtbank kunnen vragen die beslissing te nemen. De rechter moet dan een beslissing nemen die hij het meest in het belang van het kind vindt. Dat betekent niet dat de rechter alleen maar rekening houdt met het belang van het kind. De rechter moet alle omstandigheden mee laten wegen en dat kan betekenen dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind.
4.4.
Op grond van lid 5 van artikel 1:253a BW dient de voorzieningenrechter, alvorens te beslissen, een vergelijk tussen partijen te beproeven. Bij de zitting is gebleken dat partijen in staat zijn om met elkaar een minnelijke regeling te treffen, zoals die hierna zal worden beschreven. De voorzieningenrechter complimenteert partijen met deze proceshouding.
4.5.
De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen de overeengekomen zorgregeling vanaf in ieder geval augustus 2025 niet meer nakomen. Hierin wordt aanleiding gezien om deze situatie aan te merken als een wijziging van omstandigheden.
4.6.
Partijen en hun advocaten hebben, na een korte onderbreking, op zitting overeenstemming bereikt over een voorlopige opbouwende begeleide zorgregeling tussen de man en [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] en over een (aparte) voorlopige zorgregeling tussen de man en [minderjarige 1] .
4.7.
De tussen partijen overeengekomen voorlopige zorgregeling houdt het volgende in:
1. Tussen de man en [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] geldt de voorlopige regeling dat zij contact met elkaar hebben één keer per twee weken op zaterdag, waarbij de man [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] ophaalt bij de scouting rond 11:00 uur en naar zijn woning in [plaats 1] brengt. De man brengt hen vervolgens terug naar de vrouw in [plaats 2] .
2. De eerste keer is dat contact op 9 mei 2026 en duurt maximaal drie uur.
3. Vanaf de tweede keer duurt dat contact maximaal vijf uur.
4. De duur van dat contact is steeds inclusief de reistijd van het ophalen en het terugbrengen.
3. De man woont onder 24-uursbegeleiding van het RIBW in [plaats 1] . Hij zal deze instelling laten weten welke afspraak er is gemaakt over de omgang met voormelde drie minderjarigen en dat er dan in de woning van de man extra begeleiding, al dan niet op afroep en zo nodig per direct, beschikbaar zal zijn als deze minderjarigen daar aanwezig zijn. Volgens de man is dat geen probleem.
4. De vrouw betaalt elke maand € 7,50 aan de man middels een bankoverschrijving als tegemoetkoming in de kosten van de man in het ophalen en terugbrengen van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .
5. Tussen de man en [minderjarige 1] zal er twee keer per week een appcontact zijn, waarbij de man steeds het eerste appbericht naar [minderjarige 1] stuurt. Het moment van het versturen van het appbericht mag de man zelf bepalen.
6. Daarnaast zal er tussen de man en [minderjarige 1] met ingang van 14 mei 2026 één keer in de week op donderdag om 17:00 uur telefonisch contact zijn. [minderjarige 1] belt dan naar de man. [minderjarige 1] bepaalt daarbij zelf hoelang het gesprek zal duren. Een eventuele uitbreiding van het contact hangt af van onder meer het verloop van het behandeltraject van [minderjarige 1] bij [hulpverlening] .
7. Partijen gaan met de hulpverleners van de gemeente praten om een instantie te vinden en in te schakelen die beschikbaar is om regie over de voorlopige zorgregeling te voeren, waarbij gewerkt kan wordt aan een opbouw van de contacten.
4.8.
De voorzieningenrechter acht de inhoud van de overeengekomen regeling en afspraken in het belang van de minderjarigen en zal deze regeling dan ook, mede gezien het positieve advies van de Raad, op verzoek van beide partijen vaststellen. Deze regeling heeft een voorlopig karakter. Deze vaststelling zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
4.9.
Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4.10.
Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijzigt de tussen partijen in het ouderschapsplan overeengekomen zorgregeling aldus dat tussen de man en de minderjarige kinderen van partijen voortaan een voorlopige zorgregeling geldt als onder 4.7. is beschreven en verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. Toekoen, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026 in tegenwoordigheid van Weterings, griffier.