ECLI:NL:RBZWB:2026:547

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
26/480
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:1 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd bij vergunningsvrij kappen van bomen

In deze bestuursrechtelijke zaak verzocht de verzoeker om een voorlopige voorziening tegen het kappen van bomen aan een straat in een plaats binnen de gemeente. De voorzieningenrechter beoordeelde dat het kappen van de bomen vergunningsvrij is en dat het college van burgemeester en wethouders geen besluit heeft genomen dat bestreden kan worden.

Op grond van artikel 8:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is de bestuursrechter alleen bevoegd om te oordelen over een besluit. Omdat er geen besluit is genomen, is de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd om op het verzoek te beslissen. Dit betekent dat de rechter geen inhoudelijke uitspraak kan doen over het kappen van de bomen.

De voorzieningenrechter heeft daarom zonder zitting uitspraak gedaan en verklaart zich onbevoegd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt en aan partijen verzonden. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd omdat het kappen van de bomen vergunningsvrij is en er geen besluit is genomen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/480

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats].

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het kappen van bomen aan de [straat] te [plaats]. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is om op het verzoek te beslissen doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Verzoeker heeft bezwaar ingediend en een verzoek om voorlopige voorziening aangevraagd tegen het kappen van bomen. Het college heeft aangegeven dat het kappen van de bommen niet vergunningplichtig is. Verzoeker heeft aangegeven van mening te zijn dat het kappen van de bomen wel vergunningplichtig zou moeten zijn en het college in ieder geval een zorgvuldige en kenbare belangenafweging moet maken bij het kappen van de bomen.
2.1.
Op grond van artikel 8:1 van Pro de Awb is de bestuursrechter uitsluitend bevoegd om te oordelen over een besluit. Nu het kappen van de bomen vergunningsvrij is en er dus geen besluit is genomen door het college voor het kappen van de betreffende bomen, is de bestuursrechter niet bevoegd om hierover te oordelen. De voorzieningenrechter is alleen bevoegd in zaken waarin zij als bodemrechter ook bevoegd kan worden. [1] Nu dat niet het geval is, kan de voorzieningenrechter ook geen oordeel vellen over het kappen van de bomen.

Conclusie en gevolgen

3. Daarom is de voorzieningenrechter kennelijk niet bevoegd om te beslissen op het verzoek om voorlopige voorziening. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 30 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:81, eerste lid van de Awb.