Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5466

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
BRE 26/2682
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OwArt. 18.1 bestemmingsplanArt. 18.5.1 bestemmingsplanArt. 1.39 bestemmingsplanArt. 3:1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom wegens overtreding bestemmingsplan bij hondenfokkerij

Verzoekster exploiteert een onderneming op een perceel met bestemming 'Wonen', waarbij zij Australische Labradoodles fokt, trimmers opleidt en workshops geeft. Het college legde haar een last onder dwangsom op wegens overtreding van het omgevingsplan, omdat de verkoop van honden als detailhandel wordt gezien die niet is toegestaan.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de activiteiten van verzoekster inderdaad in strijd zijn met artikel 18.5.1, sub e, van het bestemmingsplan, omdat de verkoop van honden bedrijfsmatig is en niet als ondergeschikte nevenactiviteit kwalificeert. De letterlijke uitleg van het bestemmingsplan en de definitie van goederen in het Burgerlijk Wetboek ondersteunen dit oordeel.

Het college heeft echter onvoldoende rekening gehouden met omstandigheden zoals drachtige honden en pasgeboren puppy’s bij het opleggen van de last en de begunstigingstermijn, wat in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Daarom wordt het besluit geschorst tot twee weken na de beslissing op bezwaar.

Daarnaast wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoekster. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt geschorst tot twee weken na de beslissing op bezwaar en het college moet griffierecht en proceskosten vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/2682

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

17 juni 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster,

(gemachtigde: mr. F.H.L. Vossen),
en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal, college.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de door het college aan haar opgelegde last onder dwangsom.
1.1.
Naar aanleiding van een op 23 december 2025 ontvangen melding over geluidsoverlast door honden aan de [adres] te [woonplaats] (perceel) hebben twee toezichthouders van het college op 27 januari 2026 het perceel gecontroleerd. Vervolgens heeft het college verzoekster het voornemen kenbaar gemaakt om aan haar een last onder dwangsom op te leggen, omdat verzoekster volgens het college in strijd met het Omgevingsplan gemeente Roosendaal (omgevingsplan) een bedrijf exploiteert. Na ontvangst van de zienswijze namens verzoekster heeft het college, bij besluit van 2 april 2026 (bestreden besluit), de in het voornemen aangekondigde last onder dwangsom aan verzoekster opgelegd. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Verzoekster en haar gemachtigde hebben aan de zitting deelgenomen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] .
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter beoordeelt eerst of er sprake is van een spoedeisend belang. De opgelegde last houdt in dat verzoekster uiterlijk 1 juni 2026 de overtreding van artikel 5.1, eerste lid, sub a, van de Omgevingswet (Ow) staakt en gestaakt houdt. Als verzoekster niet, niet tijdig of niet volledig aan de lastgeving voldoet, verbeurt zij een dwangsom van € 25.000,00 per maand dat de overtreding voortduurt met een maximum van € 100.000,00. In de aanloop naar de zitting heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot twee weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter. Het college heeft tijdens de zitting toegelicht dat er in de bezwaarprocedure nog geen hoorzitting is gepland. Waarschijnlijk zal de hoorzitting niet voor september 2026 plaatsvinden. Na advies van de bezwarencommissie neemt het college een beslissing op bezwaar. Onder die omstandigheden neemt de voorzieningenrechter een spoedeisend belang aan.
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3.1.
Van toepassing is het omgevingsplan, waarvan het tot 1 januari 2024 geldende [bestemmingsplan] (bestemmingsplan) nu nog onderdeel uitmaakt. Op het perceel rust onder meer de bestemming ‘Wonen’ (artikel 18 van Pro het bestemmingsplan). Artikel 18.1, sub d, van het bestemmingsplan bepaalt dat de bestemming ‘Wonen’ onder andere ziet op aan-huis-gebonden-beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten.
3.2.
Verzoekster exploiteert vanaf het perceel haar onderneming [onderneming] . De bedrijfsactiviteiten bestaan uit het fokken van Australische Labradoodles, het opleiden van trimmers en het geven van workshops trimmen aan particulieren. Het college is van oordeel dat deze activiteiten in strijd zijn met het omgevingsplan. Om een last onder dwangsom op te kunnen leggen, moet er sprake zijn van een overtreding. Tijdens de zitting heeft de voorzieningenrechter het artikel 18.5.1, sub a tot en met e, van het bestemmingsplan met partijen doorgenomen. Voor zover ruimten in de woning worden gebruikt voor de uitoefening van de bedrijfsactiviteiten, zijn in dat artikel de voorwaarden opgenomen om vast te stellen of het perceel nog steeds overeenkomstig de bestemming wordt gebruikt. Partijen zijn het erover eens dat aan de in het artikel opgenomen voorwaarden cumulatief zijn. Ook is tussen partijen niet in geschil dat de exploitatie van de onderneming door verzoekster aan sub a en d van het artikel voldoet.
3.3.
Artikel 18.5.1, sub e, van het bestemmingsplan bepaalt dat detailhandel op het perceel niet is toegestaan, met uitzondering van detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van aan-huis-gebonden beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten. In het bestemmingsplan is het begrip detailhandel in artikel 1.39 gedefinieerd als
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, hieronder de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan diegenen die goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending daarvan anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
3.4.
Partijen zijn het niet met elkaar eens dat de activiteiten van verzoekster als detailhandel in de zin van het hiervoor aangehaalde artikel beschouwd dienen te worden. De vraag komt dan op: hoe moet artikel 18.5.1, sub e, van het bestemmingsplan worden uitgelegd? Naar het oordeel van de voorzieningenrechter geldt op grond van vaste rechtspraak [1] dat de op de verbeelding aangegeven bestemming en de daarbij behorende regels bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of een activiteit in strijd is met het bestemmingsplan. Wanneer een planregel duidelijk is, dient deze voor de rechtszekerheid letterlijk te worden uitgelegd, omdat de rechtszekerheid vereist dat uitgegaan moet kunnen worden van wat in een bestemmingsplan is bepaald. Als een letterlijke uitleg niet mogelijk is, kan de vraag worden beantwoord aan de hand van de plantoelichting en anders kan aansluiting worden gezocht bij de definities in andere wet- en regelgeving dan wel bij het normale spraakgebruik. Artikel 1.39 van het bestemmingsplan leent zich naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter voor een letterlijke uitleg. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het in dat artikel aangehaalde begrip goederen terugslaat op artikel 3:1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW), welk artikel bepaalt dat goederen alle zaken en vermogensrechten zijn. Artikel 3:2 van Pro het BW bepaalt dat zaken de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten zijn. Weliswaar bepaalt artikel 3:2a, eerste lid, van het BW dat dieren geen zaken zijn, maar op grond van het tweede lid zijn de bepalingen met betrekking tot zaken ook op dieren van toepassing. De verkoop van de honden door verzoekster valt dan ook onder de definitie van artikel 1.39 van het bestemmingsplan: de activiteiten zijn bedrijfsmatig en verzoekster verkoopt de honden aan klanten die de honden kopen voor eigen gebruik. Daarmee staat voor de voorzieningenrechter vast dat de activiteiten van verzoekster in strijd zijn met artikel 18.5.1, sub e, van het bestemmingsplan en dat er daarmee al sprake is van een overtreding. Ter zitting is verder gebleken dat partijen het niet eens zijn over de door het college gestelde uitleg van sub b en c van artikel 18.5.1 van het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter komt in deze procedure niet meer toe aan de beoordeling hiervan, omdat er al sprake is van een overtreding van de planregels. Het college zal die grondslagen van de opgelegde last nader moeten onderzoeken en motiveren in de beslissing op bezwaar.
3.5.
Omdat er sprake is van een overtreding, is het college bevoegd om aan verzoekster een last onder dwangsom op te leggen. Het college heeft ter zitting aangegeven dat de feitelijke uitvoering van de last nog nader ingevuld dient te worden en dat het college nog onvoldoende gegevens heeft om vast te stellen of verzoekster binnen de begunstigingstermijn aan de last kan voldoen. Zo heeft het college er geen rekening mee gehouden dat een hond van verzoekster ten tijde van het opleggen van de last al drachtig was en dat er onlangs nieuwe puppy’s zijn geboren. Het college heeft daar, voorafgaand aan het verlengen van de begunstigingstermijn, ook geen onderzoek naar gedaan. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is de oplegging van de last onder dwangsom en de daaraan verbonden begunstigingstermijn dan ook in strijd met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. Het college moet deze gebreken in de beslissing op bezwaar herstellen. Door deze mondelinge uitspraak loopt de begunstigingstermijn slechts tot 1 juli 2026, terwijl de bezwaarprocedure dan nog niet afgerond zal zijn. Verder is ook nog niet duidelijk hoe de last precies door verzoekster uitgevoerd moet worden en of de begunstigingstermijn door het college aangepast moet worden. Daarom schorst de voorzieningenrechter het besluit van 2 april 2026.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit is geschorst tot twee weken na de bekendmaking van de nog te nemen beslissing op bezwaar.
4.1.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat college het griffierecht moet vergoeden en dat verzoekster ook een vergoeding krijgt van haar proceskosten, omdat de verzochte voorlopige voorziening wordt toegewezen. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,00. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,00.
5. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat college het griffierecht van € 200,00 aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,00 aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026 door mr. T.I. van Term, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Bijvoorbeeld ABRvS 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:607 en ABRvS 27 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2176.