ECLI:NL:RBZWB:2026:5462

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
C/02/442783 / JE RK 25-2191
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BWArt. 1:265i BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De kinderen zijn onder toezicht gesteld en verblijven respectievelijk in een jeugdhulpaccommodatie en bij pleegouders (grootouders moederszijde).

De kinderrechter heeft tijdens een zitting met gesloten deuren de standpunten van de gecertificeerde instelling, de moeder en de pleegouders gehoord, evenals de mening van de kinderen zelf. [Minderjarige 1] toont positieve ontwikkeling dankzij de structuur en begeleiding in de jeugdhulpaccommodatie, ondanks een incident dat zijn gevoel van veiligheid aantastte. [Minderjarige 2] kampt met een softdrugsverslaving en ontbreekt het aan dagbesteding of school, waardoor zij nog niet kan starten met een behandeling bij een gespecialiseerde instelling.

De moeder betwist de noodzaak van verlenging voor [minderjarige 2] in een jeugdhulpaccommodatie, gezien het goede verloop bij de grootouders en het ontbreken van een plek bij de hulpverleningsinstelling. De kinderrechter oordeelt echter dat de machtiging noodzakelijk blijft vanwege de problematiek van beide kinderen en het belang van continuering van de hulpverlening. De machtigingen worden verlengd voor acht maanden en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van beide minderjarige kinderen voor acht maanden en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/442783 / JE RK 25-2191
Datum uitspraak: 21 mei 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats] (België),
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats] (België),
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Koop-van Vliet uit Breda,
[de pleegouders],
beiden wonende in [plaats 1] ,
hierna te noemen: de grootouders (moederszijde), tevens pleegouders van [minderjarige 2] en [kind] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de in deze zaak gegeven beschikking van 19 januari 2026 en alle daarin genoemde stukken;
  • het bericht van de GI van 23 april 2026, met bijlagen.
1.2.
Op 21 mei 2026 heeft de kinderrechter de zaak op een zitting met gesloten deuren nader behandeld. Daarbij waren aanwezig:
  • twee vertegenwoordigers van de GI;
  • de moeder met haar advocaat;
- de pleegmoeder (oma moederszijde).
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 24 januari 2024 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI. Laatstelijk, bij beschikking van 19 januari 2026, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd, met ingang van
24 januari 2026 tot 24 januari 2027.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 19 januari 2026 een machtiging tot uithuisplaatsing verleend om [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 24 januari 2026 tot 24 mei 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
2.4.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 19 januari 2026 daarnaast een machtiging tot uithuisplaatsing verleend om [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg alsmede in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 24 januari 2026 tot 24 mei 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Op dit moment verblijft [minderjarige 2] nog steeds bij haar grootouders moederszijde (mz). Tot nu toe is door de GI geen gebruik gemaakt van de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

3.Het (resterende) verzoek

Thans liggen de volgende verzoeken nog ter beoordeling voor.
3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van acht maanden.
3.2.
Daarnaast verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg dan wel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van acht maanden.
3.3.
De GI verzoekt de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van de verzoeken voert de GI, samengevat, het volgende aan.
4.2.
Met [minderjarige 1] gaat het beter dan voorheen. Hij heeft dagbesteding en werkt.
De jeugdreclassering is bezig met de aanmelding van [minderjarige 1] voor een opleiding. [minderjarige 1] verblijft sinds 2 maart 2026 bij de [woongroep] in [plaats 2] . In het weekend mag hij naar zijn grootouders (mz) toe. Soms gaat [minderjarige 1] met toestemming van de GI en de groep een extra dag naar de grootouders (mz). [minderjarige 1] heeft baat bij de structuur, grenzen en regels van de groep. Het is belangrijk dat de positieve ontwikkeling die hij doormaakt wordt voortgezet. Wel heeft [minderjarige 1] aangegeven dat er een incident heeft plaatsgevonden op de groep waarbij er veel contant geld van zijn kamer is gestolen. Daardoor heeft [minderjarige 1] een onveilig gevoel op de groep gekregen. De groepsbegeleiding is hiermee bezig.
4.3.
De GI maakt zich nog steeds zorgen over [minderjarige 2] . Zij blowt veel en heeft geen dagbesteding of school. Uit een eerder onderzoek is gebleken dat [hulpverlening 1] een passende plek voor [minderjarige 2] zou zijn. Een groep bij [hulpverlening 1] kan haar structuur, regels en grenzen bieden. Bovendien heeft de groep meer zicht op [minderjarige 2] dan de grootouders (mz). Pleegzorg sluit zich hierbij aan. Voor een plaatsing bij [hulpverlening 1] moet [minderjarige 2] echter eerst zijn gestart met een behandeling voor haar verslaving aan softdrugs. [minderjarige 2] is aangemeld voor een ambulante behandeling bij Novadic Kentron. De aanmelding hiervoor heeft even geduurd. Er wordt nu een behandelplan opgesteld. De GI heeft er geen zicht op hoe lang het gaat duren voordat de behandeling bij Novadic-Kentron daadwerkelijk kan starten. [minderjarige 2] staat inmiddels wel op de wachtlijst bij [hulpverlening 1] . De verwachting is dat er over vier à vijf maanden plek is voor [minderjarige 2] . Voor nu is het daarom belangrijk dat [minderjarige 2] bij de grootouders (mz) kan blijven wonen. Daarom is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg nodig. Daarnaast blijft het bestaan van een machtiging tot uithuisplaatsing in accommodatie van een jeugdhulpaanbieder noodzakelijk zodat [minderjarige 2] niet van de wachtlijst wordt gehaald. Verder maakt de GI zich zorgen over de dagbesteding en -invulling van [minderjarige 2] en over de vraag of zij de hulpverlening daadwerkelijk aan zal gaan. De GI is bezig met het organiseren van dagbesteding, maar vindt ook dat de moeder, als gezaghebbende ouder, hierin de eindverantwoordelijkheid heeft. [minderjarige 2] heeft de afgelopen periode haar taakstraf positief afgerond. De GI weet niet hoe het is afgelopen met de zitting in de Leerplichtzaak over het schoolverzuim van [minderjarige 2] .

5.De standpunten van belanghebbenden

5.1.
Door en namens de moeder is, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Zij refereert zich aan het oordeel van de kinderrechter ten aanzien van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] . Met [minderjarige 1] gaat het ondanks zijn belaste verleden goed. Hij heeft dagbesteding, werkt en is aangemeld voor een opleiding. Het is belangrijk dat de school en dagbesteding goed op elkaar blijven aansluiten.
De moeder kan zich er daarentegen niet vinden in het verzoek om zowel de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder als in een voorziening voor pleegzorg van [minderjarige 2] te verlengen. Door een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder wordt op de achtergrond onrust gecreëerd, waardoor de kans juist groter wordt dat [minderjarige 2] niet meer meewerkt aan de hulpverlening. Bovendien is er de komende maanden geen plek bij [hulpverlening 1] . Door de GI worden op zitting zorgen geuit die zien op situaties van maanden eerder en die niet terug te zien zijn in het dossier. [minderjarige 2] heeft een belast verleden, maar bij de grootouders (mz) gaat het al lange tijd heel goed. De situatie rondom [minderjarige 2] is rustiger. [minderjarige 2] heeft geen dagbesteding en het is de wettelijke taak van de GI om hiervoor te zorgen. Zij leggen nu de verantwoordelijkheid bij de moeder, maar dit gaat de moeder niet lukken. [minderjarige 2] weet dat zij moet stoppen met blowen en gaat daarom de behandeling bij Novadic Kentron aan.
De moeder heeft er vertrouwen in dat [minderjarige 2] naar die behandeling blijft gaan. Zij zal [minderjarige 2] naar de behandeling bij Novadic-Kentron brengen. De moeder heeft met [minderjarige 2] en de behandelaar afgesproken dat zij niet mee naar binnen zal gaan, zodat [minderjarige 2] openlijk kan praten. Daarnaast is [hulpverlening 2] betrokken bij [minderjarige 2] . Dat verloopt goed.
5.2.
Door de grootmoeder is, samengevat, naar voren gebracht dat het goed gaat met [minderjarige 2] bij haar in huis. [minderjarige 2] is rustiger geworden. Zij gaat niet meer vaak naar buiten toe. [minderjarige 2] maakt afspraken met vriendinnen en helpt haar gootmoeder met het huishouden. [minderjarige 2] wil stoppen met blowen.

6.De (nadere) beoordeling

Wettelijk kader
6.1.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
6.2.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
6.3.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken is de kinderrechter van oordeel dat nog steeds aan voorgenoemde voorwaarden wordt voldaan. De kinderrechter overweegt daarover als volgt.
6.4.
Bij [minderjarige 1] is sprake van complexe problematiek. Hij is zichtbaar gebaat bij de regelmaat, structuur en duidelijkheid die hem geboden worden bij de [woongroep] . De kinderrechter kan zich voorstellen dat [minderjarige 1] een onveilig gevoel heeft overgehouden aan het incident waarbij contant geld is verdwenen van zijn kamer, waarover hij vertelde tijdens het kindgesprek. De kinderrechter vindt het goed dat [minderjarige 1] dit heeft gemeld bij de begeleiding. Dat stelt de begeleiding in staat om vervolgstappen te nemen in deze kwestie. Het is belangrijk dat de positieve ontwikkeling van [minderjarige 1] wordt voortgezet. Om deze ontwikkeling vast te houden is het belangrijk dat [minderjarige 1] op de groep kan verblijven. Bovendien is een thuisplaatsing bij de moeder op dit moment niet aan de orde. [minderjarige 1] zou graag bij de grootouders (mz) wonen maar er is sprake van een complexe problematiek waardoor hij meer nodig heeft dan een gemiddelde opvoeder kan bieden. [minderjarige 1] is gebaat bij structuur, duidelijkheid, grenzen en kaders. De machtiging tot uithuisplaatsing voor een groep is daarom noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] . De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van acht maanden, zoals verzocht.
6.5.
Ook voor wat betreft [minderjarige 2] is een machtiging tot uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding. De kinderrechter vindt de situatie rondom het middelengebruik van [minderjarige 2] en het niet hebben van een dagbesteding erg zorgelijk.
Het is goed dat er hulpverlening wordt ingezet om haar verslaving aan te pakken, maar de behandeling bij Novadic-Kentron is op dit moment nog niet begonnen. De kinderrechter begrijpt de zorgen van de GI over de vraag of het [minderjarige 2] gaat lukken om daadwerkelijk mee te werken aan de noodzakelijke hulpverlening. Op de zitting van 20 november 2025 heeft [minderjarige 2] van de kinderrechter een laatste kans gekregen om te laten zien dat zij meewerkt met de hulpverlening en een aantal uur per dag naar school gaat. [minderjarige 2] heeft die kans niet aangegrepen en is op dezelfde voet doorgegaan. Zij verschijnt niet structureel op afspraken, gaat nog steeds niet naar school en heeft ook geen andere vorm van dagbesteding. [minderjarige 2] heeft aan de kinderrechter verteld dat zij graag wil stoppen met blowen, maar ook dat zij dit doet vanwege haar complexe problematiek. Bij [hulpverlening 1] kan zij echter (nog) niet terecht vanwege haar verslaving. Daardoor is sprake van een vicieuze cirkel: [minderjarige 2] heeft hulpverlening en een strak kader nodig om van het blowen af te komen, [hulpverlening 1] kan haar dat kader bieden, maar [hulpverlening 1] stelt als voorwaarde dat [minderjarige 2] stopt met blowen. Een thuisplaatsing bij moeder is op dit moment niet aan de orde. Een machtiging tot uithuisplaatsing is daarom noodzakelijk. Gelet op voornoemde zorgen verlengt de kinderrechter zowel de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg als de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van acht maanden, zoals verzocht.
6.6.
Ten aanzien van [minderjarige 2] overweegt de kinderrechter nog dat de GI op grond van artikel 1:265i van het BW de toestemming van de kinderrechter nodig heeft voor de wijziging in het verblijf van een minderjarige die ten minste een jaar door een ander dan de ouder is opgevoed en verzorgd als behorende tot zijn gezin. De toestemming wordt door de kinderrechter op verzoek van de GI verleend en slechts afgewezen indien de kinderrechter dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de kinderrechter van oordeel is dat de wijziging van het verblijf van [minderjarige 2] van de grootouders naar een behandelgroep bij [hulpverlening 1] noodzakelijk voor haar is op het moment dat op een dergelijke groep een plek vrij komt.
6.7.
De kinderrechter merkt tot slot op dat het organiseren van een dagbesteding voor [minderjarige 2] een taak is van zowel de GI als de gezaghebbende ouder. Het is belangrijk dat de GI en de belanghebbenden goed met elkaar blijven communiceren hierover en dat de GI de moeder van [minderjarige 2] hier voldoende ondersteuning in biedt.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.8.
De kinderrechter zal de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is
verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissingen direct gelden, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Brief aan [minderjarige 2]
6.9.
De kinderrechter zal op verzoek van [minderjarige 2] haar een brief sturen met daarin uitleg over de beslissing die is genomen. In de brief aan [minderjarige 2] , die naar het adres van de grootouders in [plaats 1] zal worden gestuurd, zal het volgende worden aangegeven:
Beste [minderjarige 2] ,
Op 19 mei 2026 heb ik met jou gesproken. Wij hebben het toen gehad over het verzoek van de jeugdbescherming om jouw uithuisplaatsing te verlengen. Jij hebt mij verteld over hoe het met jou gaat bij jouw opa en oma en wat jij graag zou willen.
Je hebt gezegd dat je het liefste bij jouw moeder wil wonen, maar dat je ook goed vindt als je bij jouw opa en oma blijft. Verder heb je verteld dat je niet naar een groep wil gaan.
Nadat ik jou heb gesproken, heb ik ook geluisterd naar de mening van de jeugdbeschermers, jouw moeder en jouw oma. Iedereen was het erover eens dat je op dit moment nog niet bij jouw moeder kan wonen. Op dit moment woon je bij jouw opa en oma. Jij gaat nu niet naar school en blowt veel. De jeugdbeschermers vinden het daarom belangrijk dat jij een tijdje op een groep gaat wonen waar je een behandeling kan krijgen. Ik vind dat ook en daarom heb ik besloten dat de uithuisplaatsing wordt verlengd met acht maanden. Dat is zowel voor het wonen bij jouw opa en oma als voor het wonen op een groep bij [hulpverlening 1] . Voorlopig blijf je bij jouw opa en oma wonen, omdat er op dit moment nog geen plek is bij [hulpverlening 1] . Ook vindt [hulpverlening 1] het belangrijk dat je eerst gaat werken aan het stoppen met blowen. Zodra die plek er is en je geaccepteerd wordt, zal de jeugdbeschermer regelen dat jij op een groep gaat wonen waar jij geholpen wordt met jouw problemen. Het is belangrijk dat hulp accepteert voor het blowen en het is ook belangrijk dat je meer structuur in je dag hebt. Dat kan bijvoorbeeld door een dagbesteding of school.
Tijdens ons gesprek heb je verteld dat je wil stoppen met blowen en naar school wil gaan. Dat zijn mooie doelen. Ik hoop dat mijn beslissing jou daarbij gaat helpen.
Als je nog vragen hebt, kun je die stellen aan de jeugdbeschermer. De jeugdbeschermer kan jou het beste uitleggen hoe het nu verder gaat en waar je rekening mee kunt houden. Ik wens je het allerbeste toe.
Met vriendelijke groet, ook namens de griffier,
mr. Vos

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 24 mei 2026 tot 24 januari 2027;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 24 mei 2026 tot 24 januari 2027;
7.3.
verleent de GI toestemming tot wijziging van het verblijf van [minderjarige 2] ;
7.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 door mr. Vos, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 4 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.