ECLI:NL:RBZWB:2026:5461

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
C/02/435435 / JE RK 25-886 en C/02/446741 / JE RK 26/584
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWWetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikel 810
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige ondanks methodologische gebreken deskundigenrapport

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 21 mei 2026 verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige. De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging voor een maand en voor een jaar. Een deskundigenrapport, opgesteld door een benoemde deskundige, werd beoordeeld maar voldeed niet aan de vereiste methodologische normen. De rechtbank constateerde dat het rapport onvoldoende controleerbaar was, het beginsel van hoor en wederhoor werd geschonden en de conclusies onvoldoende onderbouwd waren.

Ondanks de inzet van hulpverlening en het deskundigenonderzoek blijft de ontwikkeling van de minderjarige ernstig bedreigd door de voortdurende conflicten tussen de ouders. De ouders zijn niet in staat constructief samen te werken, wat de situatie voor de minderjarige belast. De rechtbank besloot daarom de ondertoezichtstelling voor een jaar te verlengen, maar wees het verzoek om een kortere verlenging af.

De rechtbank oordeelde dat een aanvullend of nieuw deskundigenonderzoek niet in het belang van de minderjarige is vanwege de impact en de langdurige strijd tussen de ouders. De ouders zijn bereid tot behandeling en de GI zal verdere hulpverlening inzetten. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard om continuïteit van hulpverlening te waarborgen.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige voor een jaar en wijst het kortere verlengingsverzoek af vanwege onvoldoende onderbouwing van het deskundigenrapport.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers: C/02/435435 / JE RK 25-886 en C/02/446741 / JE RK 26-584
Datum mondelinge uitspraak: 21 mei 2026
(Nadere) beschikking van de meervoudige kamer over verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI),
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. D.J.D. Kentie te Breda,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. N. van Vliet te Breda.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1.Het nadere verloop van de procedure

1.1
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling.
Inzake C/02/435435 / JE RK 25-886:
  • de beschikking van deze rechtbank van 19 december 2025 en alle daarin vermelde stukken;
  • de op 10 april 2026 ontvangen eindrapportage met bijlagen van de deskundige [deskundige] van 3 april 2026.
  • de brief van mr. Kentie van 20 mei 2026 met bijlagen.
Inzake C/02/446741 / JE RK 26-584:
- het op 27 maart 2026 ontvangen verzoek van de GI met bijlagen.
1.2.
Bij beschikking van 5 september 2025 (zaakkenmerk C/02/435435 / JE RK 25-886) heeft de kinderrechter een deskundigenonderzoek bevolen en mevrouw [deskundige] tot deskundige benoemd. De kinderrechter heeft de deskundige opgedragen om uiterlijk 3 maart 2026 haar deskundigenrapport in te dienen bij de rechtbank en daarvan een afschrift te verstrekken aan de vader en de moeder, de GI en de Raad voor de Kinderbescherming.
1.3.
Bij beschikking van 19 december 2025 (zaakkenmerk C/02/435435 / JE RK 25-886) heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 25 mei 2026 en de behandeling van het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling aangehouden in afwachting van het rapport van het in de beschikking van 5 september 2025 bepaalde deskundigenonderzoek.
1.4
Op 10 maart 2026 heeft de GI verzocht om met spoed de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen, in die zin dat het contact tussen de vader en [minderjarige] tijdelijk stopgezet wordt. Bij beschikking van 11 maart 2026 heeft de kinderrechter bepaald dat het contact tussen de vader en [minderjarige] voorlopig zou worden stopgezet en bij beschikking van 3 april 2026 heeft kinderrechter de vader tijdelijk het recht op omgang met [minderjarige] ontzegd en bepaald dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet ter zitting van de meervoudige kamer van 21 mei 2026.
1.5
De moeder heeft op 5 mei 2026 verzoeken ingediend. Zij verzoekt om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] en daarbij te bepalen dat de huidige zorgregeling vervalt, waarbij er een contact- c.q. omgangsregeling tussen [minderjarige] en de man tot stand wordt gebracht onder terzake deskundige begeleiding.
1.6.
Op 21 mei 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de onderhavige verzoeken van de GI met gesloten deuren mondeling behandeld. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI;
- een vertegenwoordiger van de Raad.
Daarnaast was aanwezig de deskundige [deskundige] .
De verzoeken zijn gelijktijdig behandeld met het verzoek van de GI tot wijziging van de zorgregeling (onder zaakkenmerk C/02/445863 / JE RK 26-403) en het verzoek van de moeder tot wijziging van de zorgregeling en het gezag (onder zaakkenmerk C/02/447978 / FA RK 26-2384). In die zaken zijn afzonderlijke beslissingen genomen.
1.7.
[minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft op 19 mei 2026 gesproken met de kinderrechter, tevens voorzitter van de meervoudige kamer.

2.De nadere beoordeling

Verzoeken
2.1.
Aan de orde zijn de volgende verzoeken van de GI:
onder zaakkenmerk C/02/435435 / JE RK 25-886:
- de GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van één maand, namelijk tot 25 juni 2026, te verlengen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en
onder zaakkenmerk C/02/446741 / JE RK 26-584:
- de GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar te verlengen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Wettelijk kader
2.2.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste Pro lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Hiervoor moet aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste Pro lid BW) zijn voldaan.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste Pro lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.
Beoordeling rechtbank
2.3
In de beschikking van deze rechtbank van 13 juli 2025 (zaakkenmerk C/02/435435 / JE RK 25-886) valt te lezen dat de GI ter onderbouwing van het verzoek om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen het volgende heeft aangegeven
: [minderjarige] wordt nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Ondanks alle hulpverlening die is ingezet, is er nog steeds geen situatie gecreëerd die zorgt voor rust voor [minderjarige] (en voor zijn meerderjarige zus [persoon 1] ) en zijn ouders. De ouders zijn niet in staat met elkaar, op een constructieve wijze, te communiceren. Zij verzanden gemakkelijk in discussies in plaats van dat er wordt gezocht naar oplossingen. [minderjarige] moet er vanuit kunnen gaan dat zijn ouders gezagsbeslissingen in gezamenlijkheid kunnen nemen, waarbij de ouders vanuit zijn perspectief kunnen kijken, maar dit is nu niet het geval.
Het is de ouders gedurende de ondertoezichtstelling niet gelukt, ook niet met behulp van de ingezette hulpverlening, om tot de kern van het probleem te komen. De GI is het met de ouders, en de behandelaar van [psychologenpraktijk] , eens dat het hoogst haalbare is bereikt. Er lijkt een patroon te zijn ontstaan door de jaren heen, waarin ouders vast lijken te zitten en waar zij niet uit lijken te komen. [minderjarige] heeft hier last van.
In de praktijk brengt dit met zich dat de ouders geen contact hebben met elkaar, enkel over praktische onderwerpen. De GI heeft alle afspraken, waaraan de ouders zich dienen te houden, op papier gezet, maar het lukt de ouders onvoldoende deze na te komen. De situatie van [minderjarige] kan, zoals op de vorige mondelinge behandeling ter sprake is gekomen, dan ook niet worden overgedragen naar het vrijwillig kader.
2.4
Om uit deze impasse te komen - de hulpverlening heeft het hoogst haalbare bereikt, maar een overdracht naar het vrijwillige kader is niet mogelijk is door de kinderrechter besloten om een deskundige in te schakelen. Er wordt opgemerkt:
Gezien het feit dat de ouders allebei intelligente mensen zijn en - los van elkaar - goede ouders die individueel geen problemen ervaren in de opvoeding, zal een dergelijk onderzoek heel helpend zijn en recht doen aan de situatie. Wat maakt dat deze ouders doen wat ze doen en wat kunnen we van hun ouderschap vragen?
2.5
[deskundige] , jurist, orthopedagoog en criminoloog, is door de kinderrechter tot deskundige benoemd en verzocht om onderzoek te verrichten en in dat kader advies uit te brengen over de volgende vragen:
1) Hoe is de relatie tussen de ouders op ouderniveau? Is er een herkenbaar patroon in de wijze waarop zij met elkaar omgaan? Welke belemmeringen worden hierbij geconstateerd en welke mogelijkheden zijn er om tot een verbetering daarvan te komen?
2) Hoe is het opvoedersgedrag van iedere ouder te beschrijven?
3) Zijn er bij de man en/of de vrouw aanwijzingen voor een psychiatrische stoornis die een onderzoek door een psychiater noodzakelijk maakt om de verdere vraagstelling te kunnen beantwoorden?
4) Is er hulpverlening aangewezen? Zo ja; voor wie, in welke vorm, waar dient deze op gericht te zijn? Wat hebben (ieder van) de ouders nodig om de hulpverlening te laten beklijven?
5) Welke mogelijkheden en belemmeringen worden er geconstateerd in het functioneren van iedere ouder ten aanzien van het invullen van gezamenlijk gezag? Is er aanleiding een wijziging van het gezag te adviseren? Wat is hiervoor de motivatie/ argumentatie?
6) Is er aanleiding om een wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te adviseren? In hoeverre kunnen de man en de vrouw een zorgregeling met [minderjarige] vormgeven en hanteren? Zijn er in dat verband contra-indicaties voor een co-ouderschapsregeling (al dan niet met parallel ouderschap)? In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen: hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
7) Welke vorm van ouderschap tussen de ouders is het meest passend/ in het belang van [minderjarige] ?
8) In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van [minderjarige] en/of bij eventueel te nemen beslissingen?
2.6
Op 10 maart 2026 ontvangt de GI de conceptrapportage van het deskundigenonderzoek. Nog diezelfde dag verzoekt zij met spoed om de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen in die zin dat het contact tussen [minderjarige] en zijn vader tijdelijk wordt stopgezet. In de zitting die volgt geeft de Raad aan dat de conclusie vanuit het (uitgebreide) conceptrapport van mevrouw [deskundige] verstrekkend is. De Raad vraagt zich af de zeer uitgebreide rapportage, die vooral uitgewerkte gesprekken bevat, de stevige conclusies kunnen dragen, met name nu de uitwerkingen van de gesprekken van de deskundige met de kinderen ontbreken.
2.7
Op 3 april 2026 brengt de deskundige haar eindrapportage uit. Zij concludeert dat sprake is van de uitoefening van dwang en controle door de vader over de moeder en [minderjarige] (en zijn meerderjarige zus [persoon 1] ). Het beëindigen van het gezamenlijke gezag tussen de ouders en de toekenning van het eenhoofdig gezag aan de moeder is de enige mogelijkheid om een einde te maken aan de problemen in de communicatie en de samenwerking tussen de ouders. Het dwingende en controlerende gedrag van de vader richting de moeder en [minderjarige] is een contra-indicatie voor de co-ouderschapsregeling. Volgens de deskundige toont de vader als opvoeder onvoorspelbaar en onbetrouwbaar gedrag en is zijn gedrag schadelijk voor de ontwikkeling van [minderjarige] . De huidige opvoedsituatie bij de man wordt door haar als onveilig beoordeeld. Zij vindt dat het contact tussen de vader en [minderjarige] niet kan worden opgestart voordat er door de GI deskundige experts zijn ingezet om de moeder en [minderjarige] te begeleiden en er een veiligheidsplan is gemaakt. Voor de moeder en [minderjarige] adviseert de deskundige de inzet van GGZ-zorg met specialistische kennis (een psychotherapeut of klinisch psycholoog). De deskundige adviseert daarnaast hooggespecialiseerde GGZ-zorg door een BIG geregistreerde psychotherapeut voor de vader. Echter, omdat de vader het beschreven gedrag niet herkent, is er volgens de deskundige bij hem niet de intrinsieke behoefte om zijn gedrag te veranderen, hetgeen een essentiële voorwaarde is om deze therapie te doen slagen.
2.8
De moeder schaart zich achter de conclusies van de deskundige. Zij voelt zich – eindelijk – gezien, erkend en gehoord.
2.9
De vader heeft zich echter, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat het deskundigenrapport niet op de vereiste zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de conclusies in het rapport onvoldoende consistent en deugdelijk zijn gemotiveerd. De motivering en conclusies van de deskundige moeten deugdelijk zijn onderbouwd en voortvloeien uit de door hem/haar in het rapport vermelde gegevens. Daarvan is volgens de vader geen sprake en daarom kan het rapport niet dienen als grondslag voor de nadere beslissingen van de rechtbank.
2.1
Ook de Raad en de GI zetten kritische kanttekeningen bij de totstandkoming van het rapport. De GI vraagt in haar brief van 27 maart 2026 aan de deskundige om meer onderbouwing van de conclusies en stelt de deskundige vragen als: “Waar blijkt dat uit?” en “Welke bevindingen en/of feiten onderschrijven deze constatering?” als het gaat om de machtsverschillen tussen partijen waarbij de vader dwang en controle uitoefent over de moeder en de kinderen. Ook geeft de GI aan dat de gespreksverslagen van gesprekken van de deskundige met [minderjarige] en [persoon 1] worden gemist en wordt verzocht om deze alsnog op te nemen in het onderzoek. Daarnaast wordt geconstateerd dat de deskundige niet alle vragen heeft beantwoord. De Raad sluit zich aan bij JBB en de advocaat van de vader. De Raad kan moeilijk volgen vanuit de inhoud van het rapport hoe de deskundige tot de conclusie is gekomen, vooral omdat de Raad belangrijke informatie niet ziet: de inhoud van de gesprekken met JBB, met de school en de verslagen van de observaties. Ook zijn er geen gespreksverslagen van de gesprekken met [minderjarige] en [persoon 1] . De Raad stelt vragen als “Wat maakt dat de werkhypotheses van alle vorige hulpverleners afvallen en deze hypothese de meeste passende conclusie is?” en “Waarom is geen persoonlijkheidsonderzoek afgenomen bij beide ouders?”
2.11
Nu er zowel door de Raad als de GI als de advocaat van vader kritische kanttekeningen zijn gemaakt over de wijze van totstandkoming van de conclusie van de deskundige zal de rechtbank zich eerst uitlaten over de methodiek van het deskundigenrapport van mr. drs. [deskundige] van 3 april 2026.
2.12
De rechtbank concludeert dat het deskundigenrapport niet voldoet aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden. In de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken en in de Leidraad deskundigen in civiele zaken staat dat de deskundige een deugdelijk gemotiveerd verslag dient uit te brengen. Conclusies dienen deugdelijk te worden gemotiveerd en onderbouwd en de deskundige dient ervoor te zorgen dat het verslag van het onderzoek controleerbaar is, zowel voor de rechtbank als voor de partijen. Partijen dienen een gelijke informatiepositie te hebben en er moet recht gedaan worden aan het beginsel van hoor en wederhoor. Het moet duidelijk zijn welke informatie is vergaard en hoe deze informatie is gewogen en de conclusies moeten daarbij voortvloeien uit de in het rapport vermelde gegevens/feiten.
2.13
De rechtbank constateert dat geen sprake is van een gelijke informatiepositie en dat onvoldoende is voldaan aan het beginsel van hoor en wederhoor. De deskundige heeft uitvoerig bronnenonderzoek gedaan. De rechtbank heeft echter geen inzicht in de inhoud van het merendeel van de door de deskundige bestudeerde bronnen. Ook partijen hebben niet in alle bronnen inzicht. De deskundige heeft bijvoorbeeld de aantekeningen van de GI van een zitting voor de rechtbank als bron gebruikt, terwijl dit niet een voor partijen en de rechtbank kenbare bron is. Daarnaast is door de deskundige geen verslaglegging overgelegd van haar gesprekken met de GI en met de leerkracht van [minderjarige] en ook niet van het gesprek met de meerderjarige zus van [minderjarige] en van de observaties door de deskundige van [minderjarige] . De deskundige heeft op de zitting daarover aangegeven dat haar basis ligt in de dossiers die zij heeft ontvangen en aantekeningen daarin. Zij ziet geen toegevoegde waarde van uitgewerkte gesprekken als die informatie ook uit de professionele dossiers gehaald kan worden. Aan de hand van die bronnen heeft zij een uitgebreide tijdlijn opgesteld. Dat maakt dat zij het niet nodig vindt om de gesprekken die zij heeft gevoerd apart uit te werken, omdat zij de door haar in die gesprekken verkregen informatie alleen heeft gebruikt als deze ook terug te vinden was in de – voor iedereen kenbare – professionele bronnen. Echter, de rechtbank stelt vast dat noch dat de rechtbank, noch partijen, noch de GI, noch de Raad over alle bronnen beschikt waar de deskundige naar verwijst. Dit maakt het deskundigenrapport zowel voor partijen als voor de rechtbank onvoldoende controleerbaar. Bijkomend gevolg is dat partijen onvoldoende in staat zijn geweest om effectief te reageren op hetgeen door anderen over hen is gezegd. Hiermee is het beginsel van hoor en wederhoor geschonden.
2.14
De rechtbank constateert daarnaast dat uit de conclusies van de deskundige onvoldoende blijkt op welke concrete, objectieve informatie uit de door haar gebezigde bronnen deze conclusies zijn gestoeld. De deskundige baseert zich in de conclusies, alsmede in haar toelichting op de zitting, vaak op algemeenheden, losse bronvermeldingen of bepaalde gedachtestromen. Zij verwijst daarbij regelmatig naar de gedeeltes in het rapport ‘informatie over [minderjarige] ’ en ‘informatie over het gezinssysteem’, maar in deze delen is enkel sprake van een algemene opsomming van informatie uit vermelde bronnen. Concrete omschrijvingen van de onderliggende objectieve feiten ter onderbouwing van een specifieke conclusie ontbreken. In het geval dat de deskundige een concrete omstandigheid heeft benoemd (zoals de beschrijving van het gedrag van de vader tijdens de observatie van [minderjarige] ), blijft de onderbouwing beperkt tot deze enkele vermelding en worden er geen andere objectieve feiten toegevoegd, terwijl de conclusie van de deskundige fors is (zoals over het gedrag van de vader: “
Tijdens het onderzoek wordt zichtbaar dat angst voor de consequenties van het overtreden van de regels van vader bij moeder, [persoon 1] en [minderjarige] actueel en groot is”).
2.15
In dit verband merkt de rechtbank voorts op dat niet inzichtelijk is geworden welke onderzoeksmethodes, gericht op het inzichtelijk maken van geweldspatronen in een gezin, door de deskundige zijn gebruikt. De deskundige heeft ter zitting daarover aangegeven dat zij naar elementen van de MASIC heeft gekeken, maar dit blijkt niet uit haar rapportage. Ook is niet inzichtelijk gemaakt welke informatie zij daaruit heeft verkregen en hoe zij deze informatie heeft afgewogen. Daarnaast blijkt niet uit objectieve informatie uit de rapportage hoe de deskundige de mogelijkheid van andersoortige persoonlijkheids-problematiek bij (één van) de partijen heeft uitgesloten, zoals ook de Raad ter zitting heeft geconstateerd.
2.16
Naast het ontbreken van een deugdelijke en navolgbare motivering constateert de rechtbank dat de deskundige niet alle vragen van de rechtbank heeft beantwoord, waardoor er niet volledig is voldaan aan de onderzoeksopdracht. Met name het antwoord op de vraag of er bij (één van) de partijen sprake is van psychiatrische problematiek wordt door de rechtbank gemist. De deskundige heeft ter zitting aangegeven hierin geen toegevoegde waarde te zien, omdat er in de meeste gevallen waarbij sprake is van dwingende controle/psychisch geweld geen sprake is van een dergelijke problematiek en de mogelijkheden tot behandeling klein zijn, terwijl het wel tot dezelfde problemen leidt. De GI heeft, volgens de rechtbank terecht, een kritische noot geplaatst over de wijze waarop de deskundige op pagina 458 van het eindrapport ondanks het ontbreken van een diagnostisch beeld wel tot een behandeladvies van de vader is gekomen.
2.17
Het voorgaande maakt dat de rechtbank vaststelt dat de conclusies van de deskundige over het handelen van de vader, namelijk dat sprake is controlerend en grensoverschrijdend handelen van de vader waarbij hij bij de kinderen zelfverwijt, schuldgevoel en schaamte aanwakkert, hij de kinderen en de moeder regels oplegt en hen activiteiten laat uitvoeren die vernederend en degraderend zijn, door de rechtbank buiten beschouwing moeten worden gelaten. Zij zijn niet deugdelijk onderbouwd. De methodologische gebreken van het rapport maken dat het rapport niet gebruikt kan worden ter onderbouwing van enige beslissing van de rechtbank. De rechtbank zal zich daarom ook niet uitlaten over de vraag of de conclusies van de deskundige inhoudelijk al dan niet correct zijn.
2.18
Nu het deskundigenrapport vanwege methodologische tekortkomingen niet bruikbaar is voor de beslissingen die de rechtbank moet nemen, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of aan de deskundige moet worden verzocht de rapportage aan te vullen of dat er een nieuw deskundigenonderzoek moet worden bepaald.
2.19
Wat betreft een aanvulling is de rechtbank van oordeel dat - nog afgezien van het feit dat de deskundige op de zitting zich (desgevraagd) niet bereid heeft verklaard om haar rapport schriftelijk aan te vullen - nu zij een gebrek in de methodologische aanpak heeft geconstateerd, een schriftelijke aanvulling dit niet zal kunnen repareren. De rechtbank ziet daarom geen redenen om aan de deskundige te vragen het rapport aan te vullen.
2.2
De rechtbank ziet op dit moment evenmin aanleiding om een nieuw deskundigenonderzoek te bevelen, nu zij dat niet in het belang van [minderjarige] acht. Immers, de duur van een nieuw deskundigenonderzoek en de impact die dit heeft op alle betrokkenen, in het bijzonder op [minderjarige] , zullen de al jarenlang bestaande strijd naar verwachting thans alleen maar verharden. Voorts brengt ook de omstandigheid dat partijen voor wat betreft de analyse van hun situatie lijnrecht tegenover elkaar staan de rechtbank tot het oordeel dat een tweede rapport niet zal leiden tot een oplossing voor de complexe problematiek die tussen partijen speelt.
2.21
De deskundige was door de rechtbank benoemd om meer zicht te krijgen op de verstandhouding tussen de ouders, de persoonlijkheid van de ouders en welke vorm van ouderschap en welke zorgregeling in het belang van [minderjarige] zijn. Omdat het deskundigenrapport door de methodologische gebreken ervan niet bruikbaar is en de conclusies buiten beschouwing moeten worden gelaten, heeft de rechtbank niet meer duidelijkheid gekregen over deze onderwerpen.
2.22
In de visie van de rechtbank is de voorliggende vraag of de persoonlijkheid van één of beide ouders maakt dat de strijd tussen hen steeds maar voortduurt. De vader heeft op de zitting aangegeven dat hij zich heeft gewend tot een psychotherapeut (GZ-psycholoog) en dat hij aan haar een afschrift van het deskundigenrapport heeft verstrekt. De vader heeft op de zitting verklaard bereid te zijn de resultaten van zijn behandeling te delen met de GI. De moeder heeft op de zitting aangegeven dat zij zich kan verenigen met de adviezen van de deskundige. De deskundige heeft op pagina 459 van het eindrapport voor de moeder de inzet van GGZ-zorg met specialistische kennis (psychotherapeut of klinisch psycholoog) geadviseerd. De rechtbank gaat er vanuit dat dit advies door de vrouw zal worden opgevolgd en dat ook zij zich onder behandeling zal stellen. De rechtbank hoopt dat de GI door deze stappen van de vader en de moeder meer zicht zal krijgen op hun persoonlijkheidsstructuur en dat daarop verdere hulpverlening ingezet kan worden om de situatie in het belang van [minderjarige] te verbeteren.
2.23
De GI heeft tijdens de zitting aangegeven dat de afgelopen jaren is gebleken dat een samenwerking tussen deze ouders niet mogelijk is. Hetgeen dan resteert, is een solo-parallel ouderschap. In het verleden heeft een strikte schottenaanpak gewerkt. De rechtbank acht het daarom van belang dat de GI met de ouders tracht dit zoveel als mogelijk te bereiken.
2.24
[minderjarige] heeft in zijn gesprek met de kinderrechter verteld dat zijn vader soms boos wordt en dat hij zich dan onveilig voelt. Daarom vindt hij het fijn dat de zorgregeling veranderd is. Ten aanzien van [minderjarige] heeft de GI tijdens de zitting aangegeven dat gekeken zal worden naar een vorm van traumatherapie voor hem. De rechtbank acht dit in het belang van [minderjarige] noodzakelijk.
2.25
Bij beschikking van deze rechtbank van 3 april 2026 (zaakkenmerk C/02/445863 / JE RK 26-403) heeft de kinderrechter op verzoek van de GI, gebaseerd op het concept-rapport van de deskundige, de vader tijdelijk het recht om omgang met [minderjarige] ontzegd. Bij beschikking van deze rechtbank van 18 juni 2026 (zaakkenmerk C/02/447978 / FA RK 26-2384) heeft de meervoudige kamer van de rechtbank deze beslissing gewijzigd en bepaald dat [minderjarige] en de vader gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar onder professionele begeleiding, minimaal eenmaal per maand. Daarnaast is bij die beschikking de regie over de contactregeling tussen [minderjarige] en de vader bepaald bij de GI, zodat de GI gerechtigd is te beslissen tot verdere uitbreiding van dit contact in frequentie, duur en mate van begeleiding, dan wel, als het belang van [minderjarige] dat vergt, tot vermindering van het contact tussen de vader en [minderjarige] tot de hiervoor genoemde minimumfrequentie van eenmaal per maand één uur. De rechtbank heeft daarbij opgemerkt dat voormelde minimumregeling pas uitvoerbaar is als er een professionele zorgaanbieder beschikbaar is voor begeleiding van de contactmomenten en heeft de GI verzocht de nodige stappen hiervoor voortvarend te zetten. Dit biedt de GI de mogelijkheid om het komende jaar zicht te krijgen op de verstandhouding tussen [minderjarige] en de vader.
2.26
Het is de rechtbank volstrekt duidelijk dat [minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De zorg, die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is, wordt onvoldoende door de ouders geaccepteerd in die zin dat, ondanks inzet van allerlei soorten van hulpverlening, nog steeds niet tot de kern van het probleem is doorgedrongen en de ouderstrijd alsmaar voortduurt. Beide ouders stemmen in met de verlenging van de ondertoezichtstelling. Gezien het voormelde zal de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] in de zaak met kenmerk C/02/446741 / JE RK 26-584 verlengen voor de duur van een jaar. De rechtbank zal het resterende verzoek in de zaak met kenmerk C/02/435435 / JE RK 25-886 afwijzen.
2.27
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De rechtbank doet dit omdat zij het voor [minderjarige] belangrijk vindt dat er onverwijld hulpverlening kan worden ingezet en dat deze zonder onderbreking zal doorlopen.
2.28
De moeder heeft tijdens de zitting aangegeven bezwaar te hebben tegen de (teruggekeerde) jeugdbeschermer, mevrouw [persoon 2] . De GI heeft aangegeven dat er twee jeugdbeschermers aangesteld zullen blijven. Deze ene jeugdbeschermer zal het contact met de vader onderhouden en de andere jeugdbeschermer het contact met de moeder. De rechtbank heeft niet de bevoegdheid te beslissen welke jeugdbeschermer wordt aangesteld. Dit is aan de GI om te bepalen.
2.29
[psychologenpraktijk] heeft vorig jaar aangegeven dat het hoogst haalbare voor deze ouders is bereikt. Ondanks de inzet van allerlei vormen van hulpverlening is de bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] niet verminderd. Zoals de GI ook aangeeft, is het aan de ouders om tot gedragsverandering te komen, om in staat te gaan zijn op een voor [minderjarige] zo onbelast mogelijke wijze uitvoering te geven aan het gezamenlijk ouderschap. Het deskundigenonderzoek heeft helaas niet tot een (voor de rechtbank) bruikbare uitkomst geleid. Mogelijk bieden de hiervoor beschreven stappen die nu door de ouders en de GI gezet moeten worden meer inzicht in de onderliggende problematiek en vormt dit voor de ouders een basis om vanuit het belang van [minderjarige] te gaan handelen. De rechtbank haalt hierbij de eerder door de GI gestelde doelen aan:
- [minderjarige] heeft een onbelast en (emotioneel veilig) contact met zijn beide ouders en ervaart voldoende ruimte om met hen zijn band te onderhouden;
- [minderjarige] is in staat om zijn gevoelens en gedachten te uiten en ervaart van zijn beide ouders voldoende emotionele ondersteuning;
- De ouders richten zich op hun eigen opvoedomgeving.
2.3
Dit leidt tot de volgende beslissing.

3.De beslissing

De kinderrechter:
inzake C/02/435435 / JE RK 25-886:
wijst het verzoek af;
inzake C/02/446741 / JE RK 26-584:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 25 mei 2026 tot 25 mei 2027;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is – verkort – mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op
21 mei 2026 door mr. Van Triest, mr. Felix en mr. H.M. Vos, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier, en, met instemming van partijen met uitgebreide motivering, op 18 juni 2026 op schrift gesteld.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.