ECLI:NL:RBZWB:2026:5459

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
C/02/447652 / JE RK 26-748
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging en gebrek aan medewerking moeder

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen voor de duur van een jaar, vanwege ernstige zorgen over hun thuissituatie. De moeder verleende geen medewerking aan het onderzoek en hulpverlening, waardoor er geen zicht was op de omstandigheden waarin de kinderen opgroeien. Er waren zorgen over mogelijk trauma, seksuele ontwikkeling, schoolverzuim en de mate van toezicht door de moeder, die verslaafd is aan oxycodon en mogelijk andere middelen.

De vader stemde in met het verzoek en benadrukte de noodzaak van herstel van contact met de kinderen. De gecertificeerde instelling prioriteerde de zaak en stelde dat er snel zicht moest komen op de thuissituatie. De kinderrechter oordeelde dat de ontwikkeling van de kinderen ernstig wordt bedreigd en dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende is gebleken, mede door het gebrek aan medewerking van de moeder.

De kinderrechter stelde de kinderen onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant voor de duur van twaalf maanden, met ingang van 21 mei 2026. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De GI kreeg de opdracht om regie te voeren en passende hulpverlening in te zetten gericht op beschikbaarheid van de moeder, verwerking van trauma’s, contact met de vader en schoolbezoek.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de twee minderjarige kinderen onder toezicht van de gecertificeerde instelling voor de duur van twaalf maanden wegens ernstige bedreiging van hun ontwikkeling en gebrek aan medewerking van de moeder.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447652 / JE RK 26-748
Datum uitspraak: 21 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland–West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg,
hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hier geen reactie op gegeven.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

Het standpunt van de Raad
4.1.
De Raad legt het volgende ten grondslag aan het verzoek. De Raad heeft zorgen over de situatie van de moeder en de kinderen. De moeder heeft geen medewerking verleend aan het onderzoek door de Raad, waardoor de Raad geen zicht heeft kunnen krijgen op de thuissituatie bij de moeder en de omstandigheden waarin de kinderen opgroeien. De (eerder) betrokken hulpverlening vanuit [hulpverlening 1] , [hulpverlening 2] en Novadic Kentron krijgt ook geen mogelijkheid om zicht te krijgen op de thuissituatie en het functioneren van de moeder en de kinderen.
4.2.
De Raad heeft zorgen over mogelijk trauma bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , vanwege geweld vanuit een van de ex-partners van de moeder richting hen. [minderjarige 1] was aangemeld voor traumabehandeling, maar de moeder heeft deze hulpverlening afgehouden. Bij [minderjarige 2] zijn zorgen over haar seksuele ontwikkeling. Daarnaast gaan de kinderen regelmatig niet naar school en lukt het de school niet om in contact te komen met de moeder. Bij de moeder is sprake van een verslaving aan oxycodon. Ook is er mogelijk sprake van gebruik van andere middelen. Er zijn zorgen over de mate van toezicht die de moeder biedt aan de kinderen en in hoeverre zij beschikbaar is voor de kinderen. Vanuit school worden over beide kinderen zorgen geuit. Zo vertellen de kinderen op school steeds minder over hun thuissituatie en is [minderjarige 1] bang voor een uithuisplaatsing. Verder heeft de Raad zorgen dat de kinderen verantwoordelijkheden voelen en/of dragen die niet passend zijn bij hun leeftijd. Daarnaast is er inmiddels al ruim vier jaar lang geen contact meer geweest tussen de kinderen en de vader en zijn er zorgen over de visie van de kinderen op dit contact. Er is op dit moment ook geen sprake van contact tussen de vader en de moeder.
4.3.
Verder staat de moeder niet open voor hulpverlening en is zij niet te bereiken. Binnen eerder ingezette vrijwillige hulpverlening heeft de moeder het contact met betrokken instanties afgehouden en heeft zij geen toegang verleend tot haar thuissituatie. De momenteel nog betrokken hulpverlening vanuit [hulpverlening 1] komt sinds de zomer van 2025 niet meer in contact met de moeder. Ook haakt zij niet aan bij de reclassering van Novadic Kentron. De Raad vindt het gelet op het voorgaande nodig dat de kinderen onder toezicht worden gesteld van de GI.
Het standpunt van de vader
4.4.
De vader stemt in met het verzoek. De hulpverlening die betrokken is (geweest), komt tot nu toe onvoldoende van de grond. De vader wil graag dat het contact met de kinderen wordt hersteld, maar eerst is het van belang dat er gekeken wordt naar de kinderen zelf. Het gaat op dit moment namelijk niet goed met de kinderen.
Het standpunt van de GI (informant)
4.5.
De GI heeft, samengevat, het volgende aangegeven. De GI vindt de situatie heel zorgelijk. Er moet zo snel mogelijk zicht komen op de situatie bij de moeder. De GI heeft de zaak ‘rood’ geprioriteerd, waardoor er gelijk naar een vaste jeugdbeschermer zal worden gezocht als de kinderen onder toezicht worden gesteld van de GI.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt ernstig bedreigd. Het lukt tot nu toe niet om zicht te krijgen op de thuissituatie en het functioneren van de moeder en de kinderen. Er zijn zorgen over mogelijk trauma bij de kinderen en over hun seksuele ontwikkeling. Daarnaast gaan de kinderen regelmatig niet naar school. Ook zijn er zorgen over de mate van toezicht die de moeder biedt aan de kinderen en in hoeverre zij emotioneel en fysiek beschikbaar is voor de kinderen. Bij de moeder is sprake van een verslaving aan oxycodon en mogelijk nog andere middelen. De kinderen hebben verder al ruim vier jaar lang geen contact meer gehad met de vader en er zijn zorgen over de visie van de kinderen op dit contact.
5.3.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Gebleken is dat de moeder niet of nauwelijks openstaat hulpverlening en niet te bereiken is. De moeder houdt het contact met betrokken hulpverleningsinstanties af en geeft geen inzicht in de thuissituatie. Verder is er momenteel geen contact tussen de moeder en de vader. Hierdoor is het tot nu toe binnen het vrijwillige kader niet gelukt om de zorgen over de kinderen weg te nemen, wat maakt dat hulpverlening in een gedwongen kader noodzakelijk is. Regievoering van de GI en het stellen van duidelijke kaders is nodig.
5.4.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter vindt de doelen in het rapport van de Raad van 23 april 2026 passend en geeft aan de GI de opdracht om aan de volgende doelen te gaan werken:
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een moeder die emotioneel en fysiek beschikbaar is en aan kan sluiten bij wat zij nodig hebben;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] krijgen passende hulpverlening om mogelijke trauma’s te verwerken;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben onbelast contact met hun vader;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaan volgens lesrooster naar school.
5.5.
Daarbij verwacht de kinderrechter dat de GI stevig regie voert en passende hulpverlening inzet om bovenstaande doelen te behalen. De komende periode is het in de eerste plaats van belang dat er zicht komt op de thuissituatie en hoe de moeder haar rol als opvoeder uitvoert. De moeder moet ondersteund worden in het afkicken van middelengebruik. Ook moet zij fysiek en emotioneel beschikbaar zijn voor de kinderen en moet zij leren on aan te sluiten bij hun belevingswereld. Daarnaast moet er passende hulpverlening komen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , gericht op mogelijk trauma en op hun seksuele ontwikkeling. Er moet voorts onderzocht worden in hoeverre de kinderen open staan voor contact met de vader en hoe dit vormgegeven kan gaan worden. Ook moeten de kinderen structureel naar school gaan, waarbij het van belang is dat de moeder contact onderhoudt met de school.
5.6.
Gelet op de tijd die naar verwachting nodig is om de gestelde doelen te behalen, zal de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht stellen voor de duur van een jaar, te weten met ingang van 21 mei 2026 tot 21 mei 2027.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.7.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.8.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 21 mei 2026 tot 21 mei 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier, en op schrift gesteld op 29 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.