ECLI:NL:RBZWB:2026:545

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
02-300759-23
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Poging tot doodslag en openlijke geweldpleging met verwerping van noodweer(exces)

Op 30 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag en openlijke geweldpleging. De verdachte heeft op 10 november 2023 in Roosendaal geprobeerd om [slachtoffer 1] te doden door hem met een mes in de rug en zij te steken. Daarnaast heeft hij openlijk geweld gepleegd tegen een scooter van een van de betrokken vrienden. De rechtbank heeft het beroep op noodweer(exces) verworpen, omdat de verdachte zelf de confrontatie heeft opgezocht en er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 maanden, met aftrek van het voorarrest. De benadeelde partij, [slachtoffer 1], heeft een schadevergoeding van € 11.667,75 gevorderd, waarvan de rechtbank € 7.402,30 heeft toegewezen, inclusief immateriële schade. De rechtbank heeft de vordering van [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk verklaard, omdat de verdachte van de feiten waaruit de schade zou zijn ontstaan is vrijgesproken.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-300759-23
Vonnis van de meervoudige kamer van 30 januari 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1] ,
raadsman mr. B.M.C.F. de Groen, advocaat te Breda.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. E. Kool en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
Feit 1heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] te doden dan wel hem zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht dan wel heeft geprobeerd hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
Feit 2[slachtoffer 2] heeft bedreigd met een mes dan wel [slachtoffer 2] zijn jas heeft beschadigd.
Feit 3[slachtoffer 3] heeft bedreigd met een mes.
Feit 4Openlijk geweld heeft gepleegd tegen een scooter.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle feiten heeft gepleegd. Ten aanzien van feit 1 acht de officier van justitie het primaire feit, te weten de poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring van de feiten 1 en 4 aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de verdediging verzocht verdachte hiervan vrij te spreken, nu hiervoor onvoldoende ondersteunend bewijs uit het dossier naar voren komt.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 2
Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er naast de aangifte onvoldoende ondersteunend bewijs uit het dossier naar voren komt om tot een bewezenverklaring te komen van de aan verdachte primair en subsidiair tenlastegelegde feiten. Bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dient verdachte te worden vrijgesproken.
Feit 3
Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er naast de aangifte onvoldoende ondersteunend bewijs uit het dossier naar voren komt om tot een bewezenverklaring te komen van het aan verdachte tenlastegelegde feit. De rechtbank weegt hierbij in het bijzonder mee dat [slachtoffer 3] in zijn eerste verklaring – die hij heeft afgelegd bij de politie – niet spreekt over stekende bewegingen in zijn richting. Hierover verklaart hij pas twee maanden later bij zijn aangifte. Verder ondersteunend bewijs komt niet uit het dossier naar voren. Bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dient verdachte te worden vrijgesproken.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
Feit 1op 10 november 2023 te Roosendaal,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven,
die [slachtoffer 1] meermalen, met een mes, in de rug en/of in de zij heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 4op 10 november 2023 te Roosendaal,
openlijk, te weten, aan de [adres 2] , in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen
- een goed, te weten een scooter/bromfiets, door die scooter/bromfiets omver te
trappen en de banden lek te steken en het windscherm kapot te trappen.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

5.1.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte zich noodzakelijk heeft moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanval door aangever (hierna: [slachtoffer 1] ). Ter onderbouwing van deze stelling heeft de verdediging aangevoerd dat voor verdachte sprake was van een directe aanval op zijn vriend, waarbij hij zijn vriend moest verdedigen. Verdachte komt een succesvol beroep op noodweer toe. Indien de rechtbank van oordeel is dat verdachte te ver is gegaan in zijn verdediging, dan zou hem een succesvol beroep op noodweerexces toe moeten komen. In dat geval is hij te ver gegaan in de manier hoe hij de verdediging heeft toegepast. Deze handelingen zijn echter ingegeven door een hevige gemoedsbeweging van paniek en angst.
5.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een noodweersituatie, omdat het verdachte zelf is geweest die de confrontatie met het [slachtoffer 1] en zijn vriendengroep heeft opgezocht. Hij droeg op dat moment een mes bij zich. Nu geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen, faalt ook het beroep op noodweerexces.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees/angst voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd, zodanig bedreigend zijn voor verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank stelt vast dat er door de personen die betrokken zijn geweest bij het onderhavige incident verschillend is verklaard over de toedracht. Voor de vaststelling van de feiten en omstandigheden neemt de rechtbank de verklaring van aangever [slachtoffer 1] als uitgangspunt. De rechtbank is van oordeel dat hij gedetailleerd heeft verklaard en zichzelf op een aantal punten niet heeft gespaard. Voorts wordt zijn verklaring ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en door de medische informatie. Op basis hiervan gaat de rechtbank van het volgende uit.
Tussen [slachtoffer 1] en zijn vriendengroep was een conflict ontstaan met verdachte en [medeverdachte] . Op enig moment is afgesproken om elkaar op te zoeken en het uit te praten. Zowel verdachte en [medeverdachte] als aangever hebben een wapen meegenomen naar deze ontmoeting. Verdachte had een mes bij zich en [medeverdachte] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp (hierna: vuurwapen). [slachtoffer 1] had een baksteen meegenomen. Nadat [medeverdachte] zijn vuurwapen trok en dit op de broer van [slachtoffer 1] richtte, gooide [slachtoffer 1] de baksteen richting [medeverdachte] , waardoor deze ten val kwam. [slachtoffer 1] pakte vervolgens het vuurwapen af, gooide dit weg en sloeg [medeverdachte] daarna tegen zijn hoofd. Daarop rende verdachte met een mes in zijn hand richting [slachtoffer 1] en stak hem twee keer. Eénmaal in zijn zij en éénmaal in zijn rug. [slachtoffer 1] heeft hierdoor onder andere letsel opgelopen aan zijn long.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte onder deze omstandigheden geen rechtsgeldig beroep op noodweer toekomt. Het handelen van verdachte en zijn medeverdachte kan
noch naar zijn bedoeling noch naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als verdedigend, maar moet – naar de kern bezien – worden beschouwd als aanvallend. Verdachte en zijn medeverdachte hebben voorafgaand aan de ontmoeting beiden een wapen bij zich gehouden en [medeverdachte] heeft het vuurwapen direct en zonder aanleiding getoond en gericht op de broer van [slachtoffer 1] . Ook het meermalen en met kracht steken met een mes door verdachte getuigt eerder van agressie en aanvallen, dan van terughoudendheid en verdedigen.
Nu er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen, faalt ook het beroep op noodweerexces.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van
24 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt een gevangenisstraf op te leggen van 9 maanden waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee strafbare feiten. Allereerst heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Verdachte heeft [slachtoffer 1] tweemaal gestoken in zijn rechterzij en rug. [slachtoffer 1] is na het incident met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht waar een drain werd aangebracht voor de afvoer van het bloed. [slachtoffer 1] heeft een paar dagen in het ziekenhuis moeten verblijven.
Dat het niet slechter met het [slachtoffer 1] is afgelopen, is een omstandigheid die geenszins aan verdachte is te danken. Verdachte heeft met zijn handelen totaal niet stilgestaan bij de levensgevaarlijke gevolgen voor [slachtoffer 1] . Dit soort geweld roept gevoelens van angst en onveiligheid op in de samenleving, vooral bij de slachtoffers, maar ook bij de getuigen van dit soort geweld. Voor [slachtoffer 1] in het bijzonder geldt dat hij – zoals blijkt uit de slachtofferverklaring van zijn moeder – veel last heeft van wat hem die avond is overkomen, zowel lichamelijk als geestelijk. [slachtoffer 1] draagt tot op de dag van vandaag blijvende lichamelijke gevolgen. Hij heeft drie grote littekens op zijn rug en daarnaast is een deel van zijn rug blijvend gevoelloos. [slachtoffer 1] heeft daarnaast langdurige begeleiding gehad en
heeft deze begeleiding nog steeds nodig. Ook is hij door het steekincident lange tijd volledig gestopt met school. Uiteindelijk heeft hij zijn opleiding zelfs moeten beëindigen. Niet alleen [slachtoffer 1] , maar ook de andere kinderen in het gezin zijn diep geraakt door het voorval.
Na afloop van het steekincident heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een scooter van een van de betrokken vrienden in het conflict. Daarbij is een bromfiets omver getrapt, zijn de banden lek gestoken en is het windscherm kapotgetrapt. De rechtbank neemt verdachte dit alles zeer kwalijk.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de justitiële documentatie van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte eerder met justitie in aanraking is gekomen. Verder komt uit de documentatie van verdachte naar voren dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. De rechtbank zal hier rekening mee houden.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 18 december 2025 dat over verdachte is opgemaakt. Hieruit komt naar voren bij verdachte een beginnend delictpatroon wordt waargenomen ten aanzien van het plegen van geweldsdelicten. Na de huidige tenlastelegging is verdachte tweemaal veroordeeld inzake het plegen van een geweldsdelict, beiden gepleegd in 2024. Onder het huidige parketnummer is sprake van een lopend reclasseringstoezicht in het kader van schorsing van de preventieve hechtenis. Daarnaast loopt er nog een reclasseringstoezicht vanwege een voorwaardelijke veroordeling, die tot 22 oktober 2027 loopt.
Volgens de reclassering legt verdachte de verantwoordelijkheid van hetgeen heeft plaatsgevonden vooral buiten zichzelf. Verdachte heeft een laag gemiddeld intelligentieniveau en is, volgens de reclassering, negatief beïnvloedbaar. Vanuit referentcontact is door de reclassering vernomen dat verdachte wordt gesignaleerd met andere personen die tevens bekend zijn bij de politie. Er is mogelijk sprake van een negatief sociaal netwerk. De kans op recidive wordt door de reclassering ingeschat als hoog.
Op basis van het ASR wegingskader wordt geadviseerd het commune strafrecht toe te passen. Op het gebied van handelingsvaardigheden zijn er weliswaar indicaties voor het toepassen van het jeugdstrafrecht, echter zijn er wat betreft de pedagogische mogelijkheden om het gedrag van verdachte te beïnvloeden geen zwaarwegende indicaties voor het toepassen van het jeugdstrafrecht. Verdachte woont weliswaar nog thuis, maar er is geen sprake meer van pedagogische afhankelijkheid en zijn ouders lijken vrijwel geen rol meer te spelen. Daarnaast is verdachte eerder volgens het volwassenenstrafrecht berecht en loopt hij in een toezicht bij de volwassenreclassering. Bij een veroordeling wordt door de reclassering een straf geadviseerd zonder bijzondere voorwaarden.
De rechtbank is met de reclassering van oordeel dat er geen doorslaggevende indicaties zijn om het jeugdstrafrecht toe te passen in plaats van het (uitgangspunt) volwassenenstrafrecht. De rechtbank zal daarom bij het bepalen van de straf uitgaan van het volwassenenstrafrecht.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 16 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht passend en geboden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een deels voorwaardelijke straf op te leggen. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om, een contactverbod met het slachtoffer, in deze of een andere modaliteit, op te leggen. Niet is gebleken dat er na dit feit nog incidenten hebben plaatsgevonden. Het spreekt – wat de rechtbank betreft – voor zich dat [slachtoffer 1] met rust moet worden gelaten, maar er komt onvoldoende uit het dossier naar voren om dit via een officieel contactverbod te doen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7.De vorderingen van de benadeelde partijen

De benadeelde partij
[slachtoffer 1]vordert een schadevergoeding van € 11.667,75 voor
feit 1.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Materiële schade
De benadeelde partij vordert € 1.167,75 aan materiële schade. De rechtbank acht dit bedrag gedeeltelijk toewijsbaar tot een bedrag van € 402.30 (ziekenhuisgeldvergoeding, kleding en parkeerkosten). De rechtbank is van oordeel dat dit bedrag voldoende is onderbouwd. Deze schade staat dan ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
De rechtbank acht de vordering voor zover die ziet op de kosten invallen vader niet ontvankelijk. Deze schadepost, in het bijzonder de omvang van de schade en het verband tussen het gevorderde bedrag en bewezenverklaarde feit, is niet zonder meer duidelijk. De behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafproces op.
Immateriële schade
Namens de benadeelde partij is aangevoerd dat hij als gevolg van de gedragingen van verdachte nadelige psychische en lichamelijke gevolgen heeft ondervonden. Hij heeft twee steekwonden en zijn rug is nog altijd gevoelloos. Hij voelt zich nog altijd erg onveilig en angstig.
De rechtbank is van oordeel dat het voornoemde lichamelijke letsel een grondslag vormt voor de toewijzing van zijn vordering tot immateriële schadevergoeding. Voorts is de rechtbank van oordeel dat gelet op de aard en ernst van de normschendingen en de gestelde en niet weersproken psychische gevolgen sprake is van een aantasting in de persoon die recht geeft op vergoeding van immateriële schade. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. Gelet op de aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de benadeelde en voorts gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank vergoeding van een bedrag van € 7.000,- billijk. Het overige gedeelte van de vordering zal niet-ontvankelijk worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 10 november 2023.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
De benadeelde partij
[slachtoffer 2]vordert een schadevergoeding van € 445,93 voor
Feit 2.
Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 57, 63, 141 en 287 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.Beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:poging tot doodslag;
feit 4:openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen;
- verklaart verdachte strafbaar;
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 16 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partij
T.a.v. feit 1
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[slachtoffer 1]van € 7.402,30, waarvan € 402,30 aan materiële schade en € 7.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 10 november 2023 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , € 7.402,30 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 10 november 2023 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 60 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
- verklaart de benadeelde partij
[slachtoffer 2]niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door J.P.E. Mullers, voorzitter en R. de Jong en W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos, rechters, in tegenwoordigheid van K. van Rijs, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 30 januari 2026.
Mrs. Mullers en Schnitzler zijn niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 10 november 2023 te Roosendaal,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven,
die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp
voorwerp in de rug en/of in de zij, althans in het lichaam heeft gestoken/gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 10 november 2023 te Roosendaal, aan [slachtoffer 1]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere steekwond(en) en/of
een klaplong, heeft toegebracht door die [slachtoffer 1] één of meermalen met een mes,
althans een scherp en puntig voorwerp, in de zij en/of de rug, althans het lichaam te
steken en/of te snijden;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 10 november 2023 te Roosendaal
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer 1] opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal
met een mes, althans een scherp voorwerp in de rug en/of in de zij, althans in het
lichaam heeft gestoken/gesneden
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 10 november 2023 te Roosendaal
[slachtoffer 2] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die [slachtoffer 2] met een mes, althans met een scherp voorwerp in het lichaam
en/of jas te steken en/of te snijden;
( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 10 november 2023 te Roosendaal
opzettelijk en wederrechtelijk een jas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten
dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield,
beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
( art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
3
hij op of omstreeks 10 november 2023 te Roosendaal
[slachtoffer 3] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door met een mes, althans een scherp voorwerp op die [slachtoffer 3] af te
rennen/lopen en/of stekende en/of zwaaiende bewegingen in de richting van (het
lichaam) van die [slachtoffer 3] te maken;
( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
4
hij, op 10 november 2023 te Roosendaal,
openlijk, te weten, op/aan de [adres 2] , in elk geval op of aan de openbare weg
en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen
- een goed, te weten een scooter/bromfiets, door die scooter/bromfiets omver te
trappen en/of de banden lek te steken en/of het windscherm kapot te trappen;
( art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht )