Op 18 december 2025 ontstond een conflict tussen verdachte en het slachtoffer in een woonwijk, waarbij verdachte met een mes een snijwond toebracht aan het slachtoffer. De rechtbank oordeelde dat niet bewezen kon worden dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer, waardoor hij werd vrijgesproken van poging tot moord en doodslag.
Wel werd vastgesteld dat verdachte met opzet en bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, wat leidde tot een veroordeling voor poging tot zware mishandeling. Verdachte handelde niet met voorbedachten rade, maar in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling na provocatie.
De rechtbank hield rekening met het strafblad van verdachte, zijn beperkte inzicht in de ernst van zijn handelen en het risico op recidive. Daarom werd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden opgelegd, met aftrek van voorarrest.
Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van €3.050 aan het slachtoffer voor materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank wees verdere immateriële schadeclaims af en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in eerdere vorderingen tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijke straffen.