ECLI:NL:RBZWB:2026:540

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
02-009051-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVW 1994Art. 8 WVW 1994Art. 36f SrArt. 55 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor dodelijk verkeersongeval onder invloed en vals rijbewijs

Op 19 januari 2024 veroorzaakte verdachte op de A58 bij Rucphen een eenzijdig verkeersongeval waarbij het slachtoffer, zittend achterin de auto zonder veiligheidsgordel, uit de auto werd geslingerd en overreden, wat leidde tot haar overlijden.

Verdachte bestuurde de auto terwijl hij onder invloed was van 505 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht en beschikte over een vals rijbewijs. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig handelde en schuld had aan het ongeval. Verdachte was niet in het bezit van een geldig rijbewijs en reed onder invloed, wat het risico op het ongeval vergrootte.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van acht maanden met aftrek van voorarrest en een rijontzegging van drie jaar. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van €3.009,56 aan de benadeelde partij, bestaande uit materiële en immateriële schade wegens posttraumatische stressstoornis na het ongeval.

Verdachte verscheen niet op de zitting en toonde geen berouw of verantwoordelijkheid. De rechtbank matigde de eis van de officier van justitie vanwege een lagere schuldgradatie dan door het OM gesteld. De straf zal volledig in detentie worden uitgevoerd, met mogelijkheid tot deelname aan een penitentiair programma.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf en 3 jaar rijontzegging wegens dodelijk verkeersongeval onder invloed met vals rijbewijs.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-009051-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 30 januari 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1959,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]
,
raadsman mr. E.R. Butin Bik, advocaat te Klundert.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 januari 2026. Tegen verdachte is verstek verleend. De niet gevolmachtigd raadsman is niet bij de behandeling ter zitting gebleven. De officier van justitie mr. T. de Haze heeft haar standpunt kenbaar gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1:als bestuurder van een personenauto een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor [slachtoffer] is komen te overlijden, dan wel dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt;
feit 2:een voertuig heeft bestuurd terwijl hij onder invloed was van alcohol;
feit 3:een vals rijbewijs voorhanden heeft gehad.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het onder feit 1 primair tenlastegelegde bewezen, in die zin dat het aan verdachte is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig met een personenauto te rijden, zoals bedoeld in artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), waardoor [slachtoffer] is komen te overlijden. Ook feiten 2 en 3 kunnen wettig en overtuigend worden bewezen.
4.2.
Het oordeel van de rechtbank
4.2.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.2.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Vaststelling feiten
De rechtbank stelt vast dat op 19 januari 2024 op de snelweg A58 links ter hoogte van Rucphen een eenzijdig verkeersongeval heeft plaatsgevonden waarbij een personenauto van het merk Mazda betrokken was. Op de plaats van het ongeval gold ten tijde van het ongeval een maximumsnelheid van 130 kilometer per uur.
Verdachte was de bestuurder van die personenauto van het merk Mazda. Hij bestuurde deze personenauto terwijl hij onder invloed was van 505 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht en zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs. Naast verdachte zat als bijrijder in deze personenauto de getuige [getuige] . Achterin de personenauto zat het slachtoffer [slachtoffer] .
Verdachte reed op de snelweg A58 komende uit Roosendaal in de richting van Etten-Leur. Ter hoogte van hectometerpaal 87.1 links (ter hoogte van Rucphen) is de personenauto van verdachte door onbekende oorzaak in een slip geraakt. Verdachte verloor de macht over het stuur en is tegen de vangrail aan de rechterzijde van de rechterrijbaan gebotst. Als gevolg van deze botsing is de achterklep van de personenauto dusdanig beschadigd geraakt dat deze open is gegaan. Vervolgens is de personenauto geroteerd om de hoogte as en haaks op de linkerrijbaan tot stilstand gekomen. [slachtoffer] droeg geen veiligheidsgordel en is uit de openstaande achterklep geslingerd. Zij is onder de vangrail aan de linkerzijde van de rijbaan doorgeschoven en terechtgekomen op de linker rijbaan van de snelweg A58 rechts. Hier is zij door tegemoetkomend verkeer meermaals overreden. Door dit verkeersongeval is [slachtoffer] overleden.
Feit 1
Artikel 6 WVW Pro
Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van de overtreding van artikel 6 WVW Pro, is vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte te wijten is. Schuld is tenlastegelegd als roekeloosheid, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag. Om te beoordelen of sprake is van schuld komt het aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. Daarbij kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
Rijden met een vals rijbewijs
Na het ongeval heeft verdachte zich geïdentificeerd met een buitenlands rijbewijs met [nummer] . Later onderzoek aan het rijbewijs heeft uitgewezen dat het rijbewijs vals is, omdat het afwijkend is van het originele model. Uit de RDW-gegevens is gebleken dat aan verdachte nooit een geldig rijbewijs is afgegeven, waardoor verdachte de personenauto niet had mogen besturen.
Rijden onder invloed
Verdachte heeft verklaard dat hij voorafgaand aan het ongeval een groot mixdrankje en een biertje heeft gedronken. In de personenauto is na het ongeval een geopend blikje bier aangetroffen. Uit de bij hem afgenomen ademanalyse is gebleken dat sprake was van 505 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht (ug/l), terwijl dit, nu verdachte niet in het bezit is van een geldig rijbewijs, maximaal 88 ug/l mocht zijn. De rechtbank stelt vast dat verdachte ten tijde van het ongeval onder invloed was van een flinke hoeveelheid alcohol.
Snelheid
De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte met een hogere snelheid heeft gereden dan ter plaatse verantwoord was of sprake was van een dusdanige snelheid dat verdachte daardoor zijn auto niet onder controle heeft kunnen houden. Enkel de getuigenverklaring van [getuige] , die wel in die richting wijst, is onvoldoende om tot deze vaststelling te komen. De verklaring van de getuige wordt niet ondersteund door de bevindingen van de forensische opsporing. Immers, door de forensische opsporing wordt aangegeven dat door onbekende oorzaak de auto in een slip is geraakt.
Schuldgradatie
Verdachte heeft meer dan vijf keer de toegestane hoeveelheid alcohol genuttigd. Naar algemene ervaringsregels kan worden aangenomen dat deze grote hoeveelheid alcohol de rijvaardigheid van verdachte in negatieve zin heeft beïnvloed. Door met deze hoeveelheid alcohol als bestuurder van een personenauto aan het verkeer deel te nemen, nam verdachte een groot risico dat hij niet op juiste wijze op een verkeerssituatie zou kunnen anticiperen. Dit risico heeft zich ook daadwerkelijk verwezenlijkt. Verdachte is door onbekende oorzaak in een slip geraakt en was niet bij machte om de controle over de personenauto te behouden. Voorts was hij niet in het bezit van een rijbewijs. Het geheel aan gedragingen moet naar het oordeel van de rechtbank als aanmerkelijk onvoorzichtig worden aangemerkt.
Overlijden slachtoffer
Op grond van het schouwverslag van 19 januari 2024 stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] is komen te overlijden door een niet-natuurlijke oorzaak. Het letselbeeld is passend bij de hierboven beschreven toedracht. De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] als gevolg van het verkeersongeval is overleden.
Conclusie
De rechtbank acht, gelet op al het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden en dus aanmerkelijke schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW Pro, waardoor [slachtoffer] is komen te overlijden.
Feit 2
Gelet op de bekennende verklaring van verdachte bij de politie, de ademanalyse waaruit een resultaat kwam van 505 ug/l en de overige bewijsmiddelen in het dossier, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een personenauto heeft bestuurd terwijl hij onder invloed was van teveel alcohol. Voor verdachte, die geen rijbewijs had, is in principe artikel 8, derde lid, WVW van toepassing. Hierin staat een toegestaan maximum hoeveelheid alcohol van 88 ug/l vermeld. Dit lid drie is echter niet ten laste gelegd. De officier van justitie heeft overtreding van het tweede lid van artikel 8 WVW Pro ten laste gelegd, waarin een maximum van 220 ug/l staat vermeld. Nu 505 ug/l hoger is dan 220 ug/l is in ieder geval bewezen dat verdachte artikel 8, tweede lid, WVW heeft overtreden. Wat betreft de strafbepaling is dit in het voordeel van verdachte.
Feit 3
Uit onderzoek van de politie naar het rijbewijs blijkt dat het document dat verdachte op
19 januari 2024 bij zich had en toonde vals is. Het rijbewijs is niet afgegeven door enige officiële autoriteit. Daarnaast zou het valse rijbewijs afkomstig moeten zijn van de Slowaakse autoriteiten, terwijl niet is gebleken dat verdachte enige binding heeft met Slowakije of hier eerder heeft verbleven. Nu uit de gegevens van het RDW blijkt dat verdachte nooit enig Europees rijbewijs heeft gehaald, rechtvaardigt dit alles de conclusie dat verdachte wist dat het rijbewijs vals was.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een vals rijbewijs voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit rijbewijs vals was.
4.3.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 19 januari 2024 te Rucphen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, autosnelweg A58, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig
- zonder in het bezit te zijn van een rijbewijs (categorie B), als bedoeld in artikel
107 van de WVW 1994, om een personenauto te mogen besturen en
- onder invloed als bedoeld in artikel 8, tweede lid onder a, van de WVW 1994 (te
weten 505 ug/l),
in botsing is geraakt met de geleiderail, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;
2
op 19 januari 2024 te Rucphen als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) dit voertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef
en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994, 505 ug/l alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;
3
op 19 januari 2024 te Rucphen een identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van Pro het Wetboek van Strafrecht, te weten een rijbewijs met [nummer] op naam van [verdachte] waarvan hij, verdachte, wist dat dit vals was, voorhanden heeft gehad.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vier jaar.
6.2.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en de ernst van het feit
Op 19 januari 2024 heeft verdachte zich als bestuurder van een personenauto aanmerkelijk onvoorzichtig gedragen in het verkeer. Verdachte was niet in het bezit van een geldig rijbewijs en maakte zelfs gebruik van een vals rijbewijs. Daarnaast was verdachte onder invloed van aanzienlijk veel alcohol. Desondanks is verdachte in de auto gestapt. Op de A58 ter hoogte van Rucphen ging het uiteindelijk gruwelijk mis. De personenauto van verdachte raakte in een slip en verdachte verloor de controle over het stuur, waardoor hij in botsing kwam met de vangrail en de achterklep van de auto open ging. Door de botsing draaide de personenauto om zijn hoogte-as waardoor de passagier op de achterbank, [slachtoffer] , via de achterzijde uit de auto is geslingerd, onder de vangrail tussen beide rijbanen in is doorgeschoven en vervolgens is overreden door meerdere tegemoetkomende auto’s. Als gevolg van dit verkeersongeval is zij overleden. Verdachte had als bestuurder de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van zijn passagiers en had, zonder rijbewijs en met zoveel alcohol op, niet moeten gaan rijden.
Verdachte heeft met zijn handelen [slachtoffer] haar meest kostbare bezit ontnomen, namelijk haar leven. Zij was op dat moment pas dertig jaar oud en moeder van twee kinderen. Ook heeft verdachte de nabestaanden veel leed toegebracht. De moeder van [slachtoffer] heeft op zitting verwoord welke impact het overlijden van [slachtoffer] heeft op haar leven.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij in Nederland vóór 19 januari 2024 niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. In Polen is hij eenmaal, in 2016, veroordeeld voor het rijden onder invloed. Gebleken is dat verdachte uit deze eerdere veroordeling geen lering heeft getrokken. Nog kwalijker is het feit dat verdachte ook uit onderhavig ongeval geen lering heeft getrokken. Uit het dossier blijkt immers dat verdachte in mei 2025 opnieuw is staande gehouden door de politie terwijl hij een voertuig bestuurde zonder in het bezit te zijn van een rijbewijs. Verdachte lijkt zich niet bewust te willen zijn van het gevaar dat hij met zijn handelen veroorzaakt.
Ook heeft verdachte geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Zonder enig bericht van verhindering is verdachte niet verschenen op zitting. De behandeling van de zaak was eerder op verzoek van de verdediging juist aangehouden om verdachte in de gelegenheid te stellen een gedegen verdediging voor te bereiden met zijn raadsman. De rechtbank heeft van de raadsman begrepen dat hij sindsdien geen contact meer heeft kunnen krijgen met verdachte.
De straf
De rechtbank zoekt bij het bepalen van de strafmodaliteit en de hoogte van de straf aansluiting bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Gelet op de aard en de ernst van de gedragingen en het feit dat verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen, is de rechtbank van oordeel dat enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. Nu de rechtbank tot een andere schuldgradatie komt dan de officier van justitie, ziet de rechtbank aanleiding de hoogte van de gevangenisstraf, zoals geformuleerd in de eis van de officier van justitie, te matigen. Voor zover sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn kan worden volstaan met de constatering hiervan. De overschrijding is veroorzaakt door toedoen van verdachte, aangezien het de verdediging is die heeft verzocht om aanhouding van de behandeling van de strafzaak. Ten slotte merkt de rechtbank op dat er sprake is van eendaadse samenloop tussen de feiten 1 en 2.
Alles afwegend, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met aftrek van het voorarrest passend en geboden. Daarnaast acht de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren passend.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet.

7.De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een schadevergoeding van € 5.009,56 voor feit 1. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen.
Immaterieel
De benadeelde partij baseert de vordering op artikel 6:106, aanhef en onder sub b, van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Iemand, die een ander door zijn onrechtmatige daad dood of verwondt, kan namelijk – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of gevolgen daarvan plaatsvinden - ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt.
De rechtbank is van oordeel dat, indachtig de gezichtspunten zoals geformuleerd door de Hoge Raad in het arrest van 28 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:958), de benadeelde partij [benadeelde partij] als secundair slachtoffer in aanmerking komt voor een schadevergoeding.
De benadeelde partij is zeer plotseling, onverwacht en ongewild onderdeel gemaakt van het verkeersongeval dat door verdachte is veroorzaakt. Het primaire slachtoffer is op de rijbaan terechtgekomen waarop de benadeelde partij reed. Vanwege de snelheid en het overige verkeer was benadeelde partij niet meer in staat het primaire slachtoffer te ontwijken en heeft zij haar overreden. De benadeelde partij heeft gezien en gevoeld dat zij over het primaire slachtoffer heen reed. Het primaire slachtoffer is door het ongeval komen te overlijden. Als gevolg van deze schokkende gebeurtenis heeft de benadeelde partij geestelijk letsel opgelopen, te weten een posttraumatische stressstoornis. De benadeelde partij heeft voldoende onderbouwd dat dit geestelijk letsel is ontstaan als gevolg van het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok. De verdachte is daarom gehouden om aan de benadeelde partij de schade te vergoeden die volgt uit het door dit onrechtmatig handelen veroorzaakte geestelijk letsel. Er is sprake van een voldoende causaal verband en de schade kan aan de verdachte worden toegerekend.
Naar maatstaven van billijkheid stelt de rechtbank deze immateriële schade vast op € 3.000,00. Voor het overige gevorderde deel acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk.
Materieel
Hiervoor is geoordeeld dat de benadeelde partij als secundair slachtoffer is aan te merken en dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens de benadeelde partij. Verdachte is verplicht de schade van de benadeelde partij te vergoeden. De benadeelde partij heeft verzocht om vergoeding van de kosten van het eigen risico voor de slaapmedicatie die zij na het ongeval heeft gebruikt. Deze schade staat in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De door de benadeelde gevorderde materiële schadevergoeding acht de rechtbank geheel toewijsbaar, te weten € 9,56.
Conclusie
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 3.009,56, waarvan € 9,56 materiële schade en € 3.000,00 immateriële schade.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 19 januari 2024.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 55, 57, 63 en 231 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176, 179 van de Wegverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
Eendaadse samenloop van
feit 1:overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, en
feit 2:overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (505 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht);
feit 3:een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht dat afgegeven is door een dienst van nationaal belang voorhanden hebben, waarvan hij weet dat het vals is
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van acht (8) maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Bijkomende straffen
- veroordeelt verdachte tot
een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van drie (3) jaren;
Benadeelde partij
T.a.v. feit 1
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] van een bedrag van € 3.009,56, waarvan € 9,56 aan materiële schade en € 3.000 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 19 januari 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde partij] , een bedrag van € 3.009,56 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 19 januari 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 30 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Dit vonnis is gewezen door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, en mr. M.E.I. Beudeker en mr. L.E. van Oploo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Verdult, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 30 januari 2026.
Mr. D.H. Hamburger en mr. L.E. van Oploo zijn niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 19 januari 2024 te Rucphen, althans in Nederland, als
verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto)
daarmede rijdende over de weg, autosnelweg A58, zich zodanig heeft gedragen dat
een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos,
in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- zonder in het bezit te zijn van een rijbewijs (categorie B), als bedoeld in artikel 107
van de WVW 1994, om een personenauto te kunnen/mogen besturen en/of
- onder invloed als bedoeld in artikel 8 (tweede lid onder a) van de WVW 1994 (te
weten 505 ug/l),
met een hogere snelheid te rijden dan ter plaatse verantwoord was en/of
niet de snelheid van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig zodanig te
regelen dat hij in staat was zijn motorrijtuig onder controle te houden en/of tot
stilstand te brengen en/of
in botsing is geraakt met de geleiderail, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]
[slachtoffer] ) werd gedood;
( art 6 Wegenverkeerswet Pro 1994 )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 19 januari 2024 te Rucphen, althans in Nederland, als
verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto)
daarmede rijdende over de weg, autosnelweg A58,
- zonder in het bezit te zijn van een rijbewijs (categorie B), als bedoeld in artikel 107
van de WVW 1994, om een personenauto te kunnen/mogen besturen en/of
- onder invloed als bedoeld in artikel 8 (tweede lid onder a) van de WVW 1994 (te
weten 505 ug/l),
met een hogere snelheid heeft gereden dan ter plaatse verantwoord is en/of
niet de snelheid van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig zodanig
geregeld dat hij in staat was zijn motorrijtuig onder controle te houden en/of tot
stilstand te brengen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg
werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg
werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
( art 5 Wegenverkeerswet Pro 1994 )
2
hij op of omstreeks 19 januari 2024 te Rucphen, althans in Nederland, als
bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na
zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij
een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de
Wegenverkeerswet 1994, 505 ug/l, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per
liter uitgeademde lucht bleek te zijn
( art 8 lid 2 ahf Pro/ond a Wegenverkeerswet 1994 )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 19 januari 2024 te Rucphen, althans in Nederland, als
bestuurder van een voertuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij
verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs
moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik
van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk
besturen in staat moest worden geacht
( art 8 lid 1 Wegenverkeerswet Pro 1994 )
3
hij op of omstreeks 19 januari 2024 te Rucphen, althans in Nederland,
een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231
van het Wetboek van Strafrecht, te weten een rijbewijs uit Slovenië, [nummer]
[nummer] op naam van [verdachte]
waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze vals of
vervalst was,
heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad;
( art 231 lid 2 Wetboek Pro van Strafrecht )