Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5367

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/1334 en 25/1827
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Universele Verklaring van de Rechten van de MensArt. 9 EVRMArt. 18 IVBPRArt. 6:12 AwbArt. 27h Awir
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op vermindering schenk- en erfbelasting wegens gewetensbezwaren tegen militaire bestedingen

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen aanslagen schenkbelasting en erfbelasting die zijn opgelegd naar aanleiding van een schenking en een erfenis in 2021. Zij beroept zich op gewetensbezwaren tegen het gebruik van belastinggeld voor militaire doeleinden en verzoekt vermindering van de aanslagen.

De rechtbank erkent de diepgewortelde overtuigingen van belanghebbende, maar stelt dat het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst niet strekt tot weigering van belastingbetaling op grond van de bestemming van de belastingopbrengst. De verplichting tot belastingbetaling is algemeen en kan niet worden beperkt door persoonlijke overtuigingen over de besteding.

De rechtbank benadrukt dat discussies over de aanwending van belastinggelden een politieke aangelegenheid zijn en niet via de belastingrechter kunnen worden beslecht. Ook andere beroepsgronden van belanghebbende slagen niet.

Verder oordeelt de rechtbank dat de inspecteur tijdig heeft beslist op het bezwaar tegen de erfbelasting, zodat geen dwangsom verschuldigd is.

De beroepen worden ongegrond verklaard, de aanslagen blijven in stand en belanghebbende krijgt geen teruggaaf van griffierecht of proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en handhaaft de aanslagen schenkbelasting en erfbelasting.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/1334 en 25/1827
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 juni 2026 in de zaken tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] (Frankrijk), belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Deze zaak draait om een persoon die zodanige gewetensbezwaren heeft tegen de indirecte dan wel directe aanwending van Nederlandse belastinggelden aan internationale conflicten of oorlogen, dat zij geen Nederlandse belasting meer wenst te betalen.
2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 12 februari 2025 en 6 maart 2025.
2.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag schenkbelasting opgelegd ter zake van een schenking in 2021 van € 128.750 (aanslagnummer [aanslagnummer 1] ).
2.2.
Daarnaast heeft de inspecteur aan belanghebbende een aanslag erfbelasting opgelegd ter zake van een verkrijging in 2021 van € 206.009 (aanslagnummer [aanslagnummer 2] ) en bij gelijktijdige beschikking € 586 belastingrente aan haar in rekening gebracht.
2.3.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] , mr. [inspecteur 3] en mr. [inspecteur 4]

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 18 november 2021 van haar moeder, [moeder] , een schenking ontvangen van € 128.750.
3.1.
De inspecteur heeft de aanslag schenkbelasting conform de ingediende aangifte vastgesteld (zie 1.1.).
3.2.
De moeder van belanghebbende is op [datum] 2021 overleden. Belanghebbende en haar zus zijn de erfgenamen, ieder voor de helft.
3.3.
De inspecteur heeft de aanslag erfbelasting conform de ingediende aangifte vastgesteld (zie 1.2).
3.4.
De inspecteur heeft op 28 februari 2025 een ingebrekestelling ontvangen vanwege het niet-tijdig beslissen op het bezwaar tegen de aanslag erfbelasting.
3.5.
Bij brief van 11 maart 2025 heeft de inspecteur het verzoek om toekenning van een dwangsom afgewezen.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen schenkbelasting en erfbelasting moeten worden verminderd vanwege gewetensbezwaren van belanghebbende tegen het betalen van belasting, voor zover zij daarmee bijdraagt aan de financiering van de uitgaven voor – kort gezegd – militaire doeleinden. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank moeten de aanslagen schenkbelasting en erfbelasting niet worden verminderd
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Motivering

5. In beroep is niet in geschil dat de aan belanghebbende opgelegde aanslagen schenkbelasting en erfbelasting in overeenstemming zijn met de bepalingen van de Successiewet 1956. Belanghebbende stelt echter dat zij gewetensbezwaren heeft tegen het betalen van belasting, voor zover zij daardoor bijdraagt aan de financiering van de uitgaven voor – kort gezegd – militaire doeleinden, en is van mening dat op die grond de aanslagen moeten worden verminderd.
5.1.
De rechtbank vat de stelling van belanghebbende op als een beroep op artikel 18 van Pro de Universele verklaring van de rechten van de mens [1] .
5.2.
De rechtbank heeft er begrip voor dat belanghebbende vanuit haar diepgewortelde gewetensovertuigingen genoodzaakt voelt om aandacht te vragen voor deze kwestie. De rechtbank geeft belanghebbende wel nadrukkelijk in overweging om het voeren van belastingprocedures te beperken tot één zaak in plaats van – zo begrijpt de rechtbank – het vanaf nu opkomen tegen elke Nederlandse belastingaanslag. Wat belanghebbende probeert te bereiken, namelijk dat Nederland geen geld meer uitgeeft, ook niet indirect, aan internationale conflicten of oorlogen, dient via de politiek te lopen en niet kort gezegd, via de belastingrechter. Dat legt de rechtbank hierna uit.
5.3.
De rechtbank stelt voorop dat artikel 9, eerste lid, van het EVRM beoogt, evenals artikel 18, eerste lid, van het IVBPR en artikel 18 van Pro de Universele Verklaring, de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst te beschermen, welk recht naar de mede authentieke Engelse tekst van eerstgenoemd verdrag tevens omvat
“freedom to change his religion or belief and freedom, either alone or in community with others and in public or private, to manifest his religion or belief in worship, teaching, practise and observance”.
5.4.
Dit recht omvat echter niet de vrijheid om op grond van godsdienstige overtuiging of gewetensbezwaren te weigeren belasting te betalen, voor zover de opbrengst van die belasting wordt aangewend voor doeleinden, die de belastingplichtige niet met zijn godsdienstige overtuiging of geweten kan verenigen, bijvoorbeeld (bepaalde) militaire doeleinden. [2] De verplichting om belasting te betalen luidt algemeen; de individuele belastingplichtige kan de voldoening aan die verplichting niet - ook niet gedeeltelijk - afhankelijk stellen van het doel waarvoor de overheid de belasting aanwendt, ook niet op grond van bezwaren ontleend aan godsdienstige overtuiging of geweten. Evenmin is het aan belanghebbende om - in overeenstemming met haar overtuiging of geweten - te bepalen voor welke overheidsuitgaven zij wel en voor welke zij niet belasting zal betalen. [3] Een en ander brengt mee dat naar het oordeel van de rechtbank geen grond bestaat voor een vermindering van de aanslagen schenkbelasting en erfbelasting.
5.5.
Wat ook zij van de logischerwijs sterke emoties bij elk internationaal conflict of oorlog, kan het niet zo zijn dat wanneer er een zodanig situatie is, dan diegenen die het daar niet mee eens zijn geen belasting of slechts gedeeltelijk belasting in Nederland zouden hoeven te betalen. Het zou voor een onwerkbaar stelsel zorgen als een belastingplichtige in Nederland alleen belasting hoeft te betalen wanneer het geld wordt uitgegeven aan de doelen die die specifieke belastingplichtige goedkeurt.
5.6.
De rechtbank is er bewust van dat deze uitleg op belanghebbende harder kan overkomen dan de rechtbank het bedoelt – tussen de uitleg op papier en hoe de rechtbank hoopt dat het overkomt, schijnt altijd wat licht – ook gelet op de emoties van belanghebbende op de zitting. De aanwending van de belastingopbrengst is echter een politieke zaak en discussies over die aanwending zullen daar moeten plaatsvinden. Dat is in de kern wat maakt dat de rechtbank niet meegaat in het betoog van belanghebbende. Belanghebbende moet dus evenveel belasting betalen als een ander in haar positie.
5.7.
Ook de overige beroepsgronden kunnen niet leiden tot een ander oordeel en slagen dus niet.
Niet-tijdig beslissen op bezwaar
6. Belanghebbende heeft de inspecteur op 28 februari 2025 in gebreke gesteld wegens het niet-tijdig beslissen op haar bezwaar tegen de aanslag erfbelasting. De inspecteur heeft uiteindelijk op 6 maart 2025 beslist. Dat is binnen de termijn van twee weken die de inspecteur als uitgangspunt heeft voordat hij een dwangsom verbeurt vanwege het niet-tijdig beslissen op een bezwaar. [4] Belanghebbende heeft reeds daarom geen recht op een dwangsom.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen schenkbelasting en erfbelasting in stand blijven. Omdat de beroepen ongegrond zijn, krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug en krijgt zij ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 18 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [5]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Geproclameerd op 10 december 1948 door de Algemene Vergadering der Verenigde Naties, op artikel 9, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en op artikel 18, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR).
2.Vgl. Hoge Raad 26 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5618, r.o. 3.4.
3.Vgl. Hoge Raad 26 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5618, r.o. 3.4.
4.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
5.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid Algemene wet inzake rijksbelastingen.